Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2249

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
HR 200.168.619-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2248
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bekrachtigd nu verzoeker naast een taakstraf van ook een ontnemingsmaatregel opgelegd heeft gekregen. Op grond van artikel 288 lid 2 sub c dient een verzoek te worden afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen de vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift. Het betreft hier, gelet op artikel 358 lid 4 sub b Fw, onder meer vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Faillissementswet 358
Faillissementswet 358
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 juni 2015

Zaaknummer : HR 200.168.619/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/201053 / FT RK 15/17

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. D. Osmic.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 april 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 21 april 2015, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te beslissen dat zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog wordt toegewezen.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang met zaaknummer HR 200.168.620/01 heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] en [partner van appellant], bijgestaan door mr. Osmic.

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder], in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 april 2015;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 7 mei 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld. Uit hetgeen door de beschermingsbewindvoerder ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht blijkt dat deze bekend is met het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld, zodat het hof daarmee rekening zal houden bij zijn beslissing.

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 173.964,82. Daaronder bevinden zich een schuld aan Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen van € 65.098,33, een tweetal schulden aan de [De Bank] Bank van in totaal € 32.303,84 en een schuld aan [bedrijf] van € 25.817,30. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij in 2009 een wietplantage in zijn woning heeft gehad waarvoor hij in 2011 een taakstraf van 200 uren en een ontnemingsmaatregel ter hoogte van € 4.213,53 opgelegd heeft gekregen. Daarnaast heeft verzoeker nog een vijftal andere schulden aan het CJIB laten ontstaan. (…)

Voorts heeft verzoeker verklaard dat er, naast de aan hem opgelegde taakstraf en ontnemingsmaatregel, tevens een fraudevordering van zijn toenmalige energieleverancier uit de door hem gehouden wietplantage is voortgevloeid. Verzoeker heeft echter geen duidelijkheid kunnen verschaffen omtrent de vraag welke vordering het betreft en wat de hoogte van deze fraudevordering is. Het ligt echter op de weg van verzoeker daar inzicht over te verschaffen zodat de rechtbank zich in het licht van artikel 288 lid 1 sub b Fw een beeld kan vormen over de oorzaak van het ontstaan en de omvang van de schulden.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] erkent een wietplantage te hebben gehad en meldt dat hij spijt heeft van deze daad. Die werd geboren uit de penibele situatie waarin hij zich destijds bevond. Hij geeft evenwel aan geen opbrengst uit de wietplantage te hebben gehad. Daarbij komt volgens [appellant] dat de ontdekkingsdatum van deze wietplantage bijna zes jaar geleden is en derhalve valt buiten de periode van vijf jaar zoals genoemd in artikel 288 lid 1 Fw. Het vonnis dateert wel van september 2010, maar het was al veel eerder bekend dat er een wietplantage was en dat daaruit een ontnemingsvordering zou voortvloeien. Met betrekking tot zijn schulden aan het CJIB, welke zien op het onverzekerd en ongekeurd hebben van een motorvoertuig, stelt [appellant] dat hij op dit moment met het CJIB in gesprek is om deze schulden pas na een eventuele schuldsaneringsperiode te gaan terugbetalen. Nu deze schulden zijn ontstaan door een gebrek aan financiële middelen is [appellant] van mening dat hij ten aanzien van het ontstaan hiervan te goeder trouw is geweest. Voorts stelt [appellant] dat de fraudevordering van zijn energieleverancier, zoals die door de rechtbank is opgemerkt, hem niet bekend voor komt. Tot slot geeft [appellant] aan dat hij samen met zijn beschermingsbewindvoerder

druk doende is met het opstellen van een actuele lijst met alle schuldeisers.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] stelt thans, in tegenstelling tot hetgeen hij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft verklaard, dat er met betrekking tot de ontdekking en de daaropvolgende ontmanteling van de in zijn woonhuis ingerichte wietplantage geen sprake is van een fraudevordering zijdens de energieleverancier. Met betrekking tot zijn schulden aan het CJIB, welke zien op het onverzekerd en ongekeurd rondrijden met een motorvoertuig, merkt [appellant] op dat hij het bewuste motorvoertuig aanvankelijk wel had verzekerd en periodiek had laten keuren en dat hij pas in een later stadium is overgaan tot onverzekerde en ongekeurde verkeersdeelname, en wel toen hem de financiële middelen voor de verzekering ontbraken in die zin dat hij de beperkte financiële middelen die hem toen ter beschikking stonden voor andere zaken wenste aan te wenden. . Nu hij het motorvoertuig naar eigen zeggen nodig had voor woon-werkverkeer was het van de hand doen of althans ongebruikt laten van dit motorvoertuig, gelet op de inkomensterugval die dit naar het idee van [appellant] met zich mee zou hebben gebracht, evenwel geen optie.

3.7.

Desgevraagd heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de informatieverstrekking naar haar toe goed verloopt, dat er geen nieuwe schulden zijn ontstaan, dat de vaste lasten op tijd worden betaald en dat er voor de schuldeisers inmiddels een bedrag van circa € 8.000,00 is gespaard.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.8.2.

Vast staat dat [appellant] in 2009 een wietplantage in zijn woning heeft geëxploiteerd waarvoor hij in 2011 naast een taakstraf van 200 uren ook een ontnemingsmaatregel ter hoogte van € 4.213,53 opgelegd heeft gekregen. Op grond van artikel 288 lid 2 sub c dient een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling in ieder geval te worden afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 lid 4 Fw ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen de vijf jaar vóór de dag van het verzoekschrift. Het betreft hier, gelet op artikel 358 lid 4 sub b Fw, onder meer vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, daargelaten nog dat het plegen van een strafbaar feit op geen enkele manier valt te verenigen met de aard en het doel van de schuldsaneringsregeling. Daarbij komt bovendien dat [appellant] daarnaast nog een vijftal schulden aan het CJIB heeft laten ontstaan welke naar hun aard eveneens niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof acht de hiervoor vermelde omstandigheden voorts voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen, daargelaten nog dat de onderbouwing, al dan niet door middel van (voldoende) verificatoire bescheiden, ten aanzien van een groot aantal overige schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreekt zodat ook van deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze te goeder trouw zijn ontstaan.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, P.J.M. Bongaarts en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.