Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2245

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
20-003577-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens zware mishandeling (slaan met een stuurslot tegen het hoofd). Naar het oordeel van het hof is het letsel onder genoemde omstandigheden naar gewoon spraakgebruik van voldoende gewicht om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden betiteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003577-13

Uitspraak : 23 juni 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 6 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-032942-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

medeplegen van zware mishandeling (primair ten laste gelegd),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde].

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen primair ten laste is gelegd (medeplegen van zware mishandeling) en de verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 augustus 2012 te Uden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (kaakfractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een stuurslot, althans met een hard en/of zwaar voorwerp, tegen het hoofd te slaan;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 augustus 2012, te Uden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [benadeelde] met een stuurslot althans met enig voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2012 te Uden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [benadeelde]) met een stuurslot, althans met een hard en/of zwaar voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze zwaar lichamelijk letsel (kaakfractuur), althans enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 augustus 2012 te Uden aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (kaakfractuur) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een stuurslot tegen het hoofd te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Het letsel dat [benadeelde] heeft bekomen bestaat uit twee kaakbreuken, waarvoor het slachtoffer op 20 augustus 2012 onder algehele narcose is geopereerd. In de boven- en onderkaak zijn zestien schroeven geplaatst om de kaken weer aan elkaar te zetten. Het slachtoffer is een nacht in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft vier weken niet kunnen werken en alleen vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen. Blijkens de slachtofferverklaring van 28 mei 2013 is de kaak nog heel gevoelig en dienen vier schroeven en vier plaatjes in de kaak te blijven zitten. Naar het oordeel van het hof is het letsel onder genoemde omstandigheden naar gewoon spraakgebruik van voldoende gewicht om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden betiteld.

Bespreking van de verweren

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de getuige [getuige 1] wisselend heeft verklaard omtrent hetgeen zij heeft waargenomen en dat haar verklaringen dientengevolge onbetrouwbaar zijn. Voorts heeft de verdediging opgemerkt dat - kort gezegd - het opsporingsonderzoek van de politie onvoldoende is geweest en dat de verklaringen van [getuige 1] omtrent de aanwezigheid van de auto’s van verdachte en zijn broer niet overeen komen met de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] die bij de raadsheer-commissaris slechts over één auto hebben verklaard. Alleen de verklaring van [getuige 1] duidt op de verdachte als dader van de geweldpleging jegens [benadeelde], ander bewijs voor een mogelijke betrokkenheid van verdachte ontbreekt, aldus de raadsman van de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof hecht zwaarwegende betekenis aan de verklaring van de getuige [getuige 1] zoals zij die bij de raadsheer-commissaris in dit hof heeft afgelegd en die haar eerder tegenover de politie afgelegde verklaringen op essentiële punten bevestigt. Uit deze verklaringen volgt dat verdachte de persoon is geweest die op 19 augustus 2012 met een stuurslot heeft uitgehaald naar het slachtoffer [benadeelde] waarna deze op grond is gevallen. Het hof leidt hieruit af dat het verdachte is geweest die [benadeelde] heeft geslagen. De stelling van de verdediging dat de getuige steeds wisselend heeft verklaard en daarmee een onbetrouwbare getuige is, deelt het hof niet. In het verloop van de verhoren valt naar het oordeel van het hof waar te nemen dat deze getuige tijdens het tweede verhoor op 22 december 2012, vergeleken met het eerste verhoor afgelegd op 29 november 2012, met meer nuance en meer detail is gaan verklaren, nu zij in dat verhoor ook specifiek over deze zaak is gehoord. Zo heeft de getuige [getuige 1], in tegenstelling tot het eerste verhoor waarin zij heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte het slachtoffer op het achterhoofd sloeg, in het tweede verhoor verklaard dat zij haar hoofd omdraaide op het moment dat verdachte met het stuurslot in zijn hand op het slachtoffer afliep en dat zij vervolgens toen zij haar hoofd terugdraaide, zag dat het slachtoffer op de grond viel. Het hof leidt hier uit af dat zij haar verklaring niet heeft aangedikt. Tijdens het derde verhoor (bij de raadsheer-commissaris) op 13 januari 2015 heeft de getuige [getuige 1] de op 22 december 2012 afgelegde verklaring op essentiële punten bevestigd. Dat er op sommige punten door de getuige verschillend is verklaard, acht het hof, gezien het tijdsverloop, voorstelbaar en maken haar verklaringen nog niet onbetrouwbaar, zoals door de verdediging is betoogd. Niet is gebleken dat getuige [getuige 1] belastend heeft verklaard, enkel om haar ex-vriend zwart te maken.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze getuige te twijfelen, nu deze tevens steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Zo heeft de getuige [getuige 2] op 27 september 2012 bij de politie gedetailleerd verklaard over de auto’s van de twee getinte personen die betrokken waren bij de geweldpleging, te weten een rode kleine auto en een blauwe Mercedes, in welke auto’s volgens [getuige 1] de verdachte (rode auto) en diens broer (blauwe Mercedes) die avond hebben gereden. Ook de verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de auto van zijn vader (een rode Daihatsu Charade) heeft gereden en dat zijn broer een blauwe Mercedes heeft. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat niet alleen hij, maar ook zijn broer, een getint uiterlijk heeft. Bovendien heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij die avond in gezelschap was van [naam] en die door de getuige [getuige 1] is genoemd als de persoon die ook in de door de verdachte bestuurde rode auto zat.

Dat de getuige [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris op 13 januari 2015 vervolgens over slechts één auto spreekt, kan worden verklaard door het tijdsverloop. De getuige heeft in dat verhoor tegenover de raadsheer-commissaris ook aangegeven dat hij nu niet meer zoveel herinnering heeft aan wat er toen is gebeurd, maar dat hij indertijd bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Het hof hecht derhalve meer waarde aan de verklaring van deze getuige die hij bij de politie (betrekkelijk) korte tijd na het voorval heeft afgelegd.

Aan de verklaring van de getuige [getuige 3] bij de raadsheer-commissaris over twee mannen in een zilveren Mercedes, hecht het hof – gelet op het tijdsverloop – in ieder geval minder waarde. Deze persoon is niet door de politie gehoord en wordt eerst over het voorval gehoord op 10 april 2015, derhalve ruim 2,5 jaar later.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verklaard dat hij het stuurslot op 19 augustus 2012 niet meer in zijn bezit had, omdat het was afgepakt door de politie.

Desgevraagd verklaarde verdachte dat hij het stuurslot niet meer had sinds 2009. Na doorvragen verklaarde verdachte dat dit 2010 moest zijn en in derde instantie verklaarde hij dat het door de politie in beslag was genomen samen met de boksbeugels in juni 2012. Verder verklaarde verdachte ter terechtzitting dat hij die dag na 18.00 uur niet meer bij de Markt in Uden is geweest. De verklaring die de verdachte bij de politie had afgelegd en die hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft herhaald, te weten dat hij die avond bij de Markt in Uden is geweest, respectievelijk dat hij op 19 augustus 2012 in de avond gebruik heeft gemaakt van een kleine rode Daihatsu, zou volgens de verdachte niet kloppen. ‘Ik heb dat niet gezegd’, aldus de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft de verklaring met betrekking tot het stuurslot voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht, terwijl het toch juist voor de hand had gelegen dat de verdachte, teneinde zijn onschuld aan te tonen, bij de politie direct ter berde zou hebben gebracht dat het stuurslot eerder door de politie in beslag was genomen. Gelet hierop en mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte omtrent het tijdstip van zijn aanwezigheid bij de Markt in Uden wisselend heeft verklaard, worden deze verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd niet geloofwaardig geacht en stelt het hof deze terzijde. Het hof houdt de verdachte aan zijn eerder bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen waarin hij steeds heeft gesproken over die/de avond en waarin hij telkens heeft aangegeven dat hij toen in het bezit was van een stuurslot.

Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er geen sprake is van medeplegen. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn broer kan immers niet in voldoende mate worden vastgesteld, nu de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte alleen op het slachtoffer af ging en dat zijn broer alleen een stukje is meegelopen en vervolgens is teruggelopen naar de auto.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard.

Zijdens de verdachte is betoogd dat een gevangenisstraf niet op zijn plaats is en dat veeleer, gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat de verdachte niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen, het opleggen van een taakstraf in de rede ligt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld jegens het slachtoffer, door deze met een stuurslot tegen het hoofd te slaan, waardoor kaakfracturen zijn ontstaan. Hierdoor moest het slachtoffer geopereerd worden aan zijn kaak en heeft hij langdurig pijn en veel ongemak ondervonden. Een dergelijk geweldsmisdrijf getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van andere personen. Bovendien leiden dergelijke feiten, die zich in het openbaar afspelen, veelal tot gevoelens van onveiligheid bij het publiek. Het hof rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan.

Het opleggen van een taakstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van het feit en het door het slachtoffer opgelopen letsel. Bovendien staat het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht aan oplegging daarvan in de weg.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op de straf die ter zake van zware mishandeling met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft het hof rekening gehouden met:

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 april 2015 niet eerder terzake geweldsmisdrijven is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de oplegging van een gevangenisstraf voor een duur als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.166,17 (bestaande uit een bedrag van € 125,17 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1.041,00 ter zake van immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2012 tot de dag der algehele voldoening. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, bestaande uit een bedrag van € 125,17 aan materiële schade (ziekenhuiskosten, kosten voor medicatie en reiskosten).

Voorts acht het hof vergoeding van de immateriële schade, gelet op de aard en de gevolgen van het door de benadeelde partij bekomen letsel, voor toewijzing vatbaar. Het hof acht dit deel van de vordering, gelet op de aard en ernst van het door de verdachte toegepaste geweld, alsmede gelet op het door het slachtoffer opgelopen letsel, billijk en niet bovenmatig.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2012.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.166,17 (duizend honderdzesenzestig euro en zeventien cent) bestaande uit € 125,17 (honderdvijfentwintig euro en zeventien cent) materiële schade en € 1.041,00 (duizend eenenveertig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.166,17 (duizend honderdzesenzestig euro en zeventien cent) bestaande uit € 125,17 (honderdvijfentwintig euro en zeventien cent) materiële schade en

€ 1.041,00 (duizend eenenveertig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 23 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.