Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
F 200.166.940-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof oordeelt dat er nog steeds sprake is van een situatie waarin in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat zij uit huis is geplaatst en blijft voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De moeder heeft zich voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet betrouwbaar getoond in het nakomen van de afspraken met de hulpverlening. Ook na de uithuisplaatsing is de moeder niet in staat gebleken zich over haar frustraties en gevoelens jegens de gezinsvoogd en de stichting heen te zetten om tot afspraken te komen om in het belang van de minderjarige te komen tot contactmomenten tussen haar en de minderjarige, met als gevolg dat de moeder de minderjarige niet meer heeft gezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 juni 2015

Zaaknummer : F 200.166.940/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/286273/ JE RK 14/1817

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. V.C.C. Luijten,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: BJZ);

- familie [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: ‘s-Hertogenbosch

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 maart 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige [dochter] alsnog af te wijzen, dan wel de verlenging in duur te beperken.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 april 2015, heeft de stichting verzocht de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dit hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 mei 2015.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Luijten;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger Stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger Stichting 2];

- de pleegouders.

2.3.1.

Namens de raad en BJZ is, hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen, geen vertegenwoordiger ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 december 2014;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 22 mei 2015, met als bijlage de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is - voor zover hier van belang - te [woonplaats] op [geboortedatum] 2014 [dochter] (hierna te noemen: [dochter]) geboren.

3.2.

[dochter] staat sinds 20 december 2013 (voorlopig) onder toezicht van de stichting.

3.3.

[dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 4 maart 2015 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs. Zij verblijft sedert 4 maart 2015 in het pleeggezin.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [dochter] verlengd tot 20 december 2015 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [dochter] met ingang van 20 december 2014 voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat -

het volgende aan.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling heeft de moeder geen grief gericht, wel zou zij graag een andere gezinsvoogd toegewezen willen krijgen.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing voert zij aan dat de stichting niet heeft aangetoond dat in dit geval is voldaan aan het wettelijke criterium. Het verzoek van de stichting zou derhalve moeten worden afgewezen dan wel in duur worden beperkt.

Hiertoe heeft de moeder gesteld dat het onjuist is dat zij de opvoeding en verzorging van [dochter] niet aan zou kunnen. Zij wil graag voor haar kind zorgen maar heeft het gevoel dat zij nooit gehoord wordt en geen kans krijgt. Er is geen deugdelijk onderzoek gedaan en geen intensieve hulpverlening in de thuissituatie geboden. De moeder staat open voor alle hulpverlening en meent dat zij met de juiste ondersteuning voor haar kind kan zorgen. Tevens stelt de moeder dat er onvoldoende is gedaan vanuit de stichting om het contact tussen de moeder en [dochter] en haar zus [zuster], die in hetzelfde pleeggezin verblijft, te herstellen. Ook is er geen gehoor gegeven aan het verzoek van de moeder om een andere gezinsvoogd te benoemen, nu de moeder slecht contact heeft met de huidige gezinsvoogd en veel moeite heeft met de gezinsvoogd als persoon.

Tot slot stelt de moeder dat de stichting enkel negatief over haar is en niet wenst te werken naar een thuisplaatsing, ondanks dat de moeder hard aan zichzelf heeft gewerkt en bereid is om zich aan alle afspraken en doelen te houden.

3.7.

De stichting voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting, -kort samengevat- het volgende aan. Er is sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [dochter] en het is in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter] dat de plaatsing in het pleeggezin voortduurt. De moeder is onmachtig om [dochter] op welk moment dan ook te bieden wat [dochter] nodig heeft. De moeder is een verstandelijk beperkte vrouw met een belast verleden en wordt volledig in beslag genomen door persoonlijke problematiek en frustratie. Het lukt haar niet haar eigen belangen ondergeschikt te maken aan die van haar kinderen. Na de uithuisplaatsing van [dochter] heeft de moeder de pogingen van de gezinsvoogd om met de moeder in contact te treden en tot een bezoekregeling te komen afgehouden en heeft zij zelf geen constructieve pogingen gedaan om in gesprek te komen met de gezinsvoogd om tot een bezoekregeling te komen.

Gezien de beperking van de moeder behoort zij tot de doelgroep van de stichting en de samenwerking met elke gezinsvoogd of gezinsvoogdijinstelling zal naar verwachting, mede gebaseerd op ervaringen uit het verleden, mislopen als de visie van de moeder niet wordt gedeeld. De huidige gezinsvoogd is een bekend gezicht voor [dochter], haar zus [zuster] en broer [broer]. Een wisseling van gezinsvoogd wordt door de stichting dan ook niet in het belang van de kinderen geacht.

3.8.

De pleegouders hebben ter zitting van het hof aangegeven dat het, hoewel zij iets achter loopt in haar ontwikkeling, goed gaat met [dochter]. [dochter] is wel erg gevoelig voor prikkels.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ondertoezichtstelling waarbinnen de uithuisplaatsing is uitgesproken waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 29 oktober 2014 is derhalve artikel 1:254 en artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) van toepassing in de onderhavige zaak.

3.9.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.3.

Het hof is van oordeel dat nog steeds sprake is van een situatie waarin het in het belang van de verzorging en opvoeding van [dochter] noodzakelijk is dat zij uit huis geplaatst is en blijft voor de duur van de ondertoezichtstelling zoals door de rechtbank bepaald. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.9.5.

Uit de stukken komt voldoende naar voren dat er voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [dochter] sprake is geweest van een onrustige en onveilige opvoedingssituatie bij de moeder thuis. Hoewel moeder dat betwist, blijkt uit de stukken genoegzaam dat [dochter] in een vervuilde en verwaarloosde toestand in het pleeggezin is gekomen. De huisarts heeft geconstateerd dat sprake is geweest van een te beperkte inname van voeding, met uitdrogingsverschijnselen tot gevolg. Ook was er sprake van smetplekken in de liezen en onder de oksels. Verder bleek er sprake van een ontwikkelingsachterstand en grote prikkelgevoeligheid en heeft het geruime tijd geduurd voordat [dochter] enigszins tot rust kwam in het pleeggezin.

Gebleken is verder dat de moeder zich voorafgaande aan de uithuisplaatsing niet betrouwbaar heeft getoond in het nakomen van afspraken met de hulpverlening. Ook na de uithuisplaatsing is de moeder niet in staat gebleken zich over haar frustraties en gevoelens jegens de gezinsvoogd en de stichting heen te zetten om tot afspraken te komen om in het belang van [dochter] te komen tot contactmomenten tussen haar en [dochter], met als gevolg dat de moeder [dochter] sinds de uithuisplaatsing niet meer heeft gezien.

Eerst naar aanleiding van overleg op 15 mei jl., met name tussen de moeder en pleegmoeder, lijkt er een opening te zijn om te komen tot contact tussen de moeder en haar dochter.

Alles in ogenschouw nemende, ziet het hof geen enkele basis om [dochter] terug te plaatsen bij de moeder en is het hof van oordeel dat de rechtbank de machtiging uithuisplaatsing op goede gronden heeft verlengd. Het hof ziet in al hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om de machtiging in duur te beperken.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 december 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.