Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2235

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
F 200.165.526-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 juni 2015

Zaaknummer : F 200.165.526/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/02/288704 / JE RK 14-1959 ([dochter 2]) /02/288712 / JE RK 14-1960 ([dochter 1]) en C/02/288166 / JE RK 14-1870 ([dochter 3]).

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.L. de Koeijer,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

namens Stichting Intervence,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- de heer [vader 1], de vader van [dochter 1] (hierna te noemen: de heer [vader 1]);

- de heer [vader 2], de vader van [dochter 2] (hierna te noemen: de heer [vader 2]), advocaat: mr. A.N.E. Duerink-Bottinga;

- de heer [vader 3], vader van [dochter 3] (hierna te noemen: de heer [vader 3]), advocaat: mr. A.J. Sol;

- de heer en mevrouw [pleegouders], pleegouders van [dochter 1] en [dochter 2] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 februari 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarigen, af te wijzen, althans dit toe te wijzen voor een kortere duur en het zelfstandig verzoek van de moeder tot benoeming van een deskundige ex artikel 810a Rv, alsnog toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 maart 2015, heeft de stichting verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. De Koeijer;

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting], mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] (gezinsvoogd van [dochter 1] en [dochter 2]) en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] (gezinsvoogd van [dochter 3]);

- de heer [vader 2].

2.3.1.

De moeder, de heer [vader 1], de heer [vader 3] en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De raad is eveneens, doch met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 mei 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [vader 2] is geboren [dochter 2] (hierna te noemen: [dochter 2]), op [geboortedatum] 2009, te [geboorteplaats].

De heer [vader 2] heeft [dochter 2] erkend. Hij en de moeder zijn met het gezamenlijk gezag belast.

3.2.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [vader 1] is geboren [dochter 1] (hierna te noemen: [dochter 1]), op [geboortedatum] 2013, te [geboorteplaats].

De heer [vader 1] heeft [dochter 2] erkend. Hij en de moeder zijn met het gezamenlijk gezag belast.

3.3.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [vader 3] is geboren [dochter 3] (hierna te noemen: [dochter 3]), op [geboortedatum] 2014, te [geboorteplaats].

De heer [vader 3] heeft [dochter 3] erkend. De moeder is met het eenhoofdig gezag over [dochter 3] belast.

3.4.

[dochter 1] staat sinds 4 december 2012 onder toezicht van de stichting.

[dochter 2] staat sinds 24 juni 2010 onder toezicht van de stichting.

[dochter 3] staat sinds 5 augustus 2014 onder toezicht van de stichting.

De ondertoezichtstellingen van de kinderen zijn laatstelijk verlengd tot 5 augustus 2015.

3.5.

[dochter 1] en [dochter 2] zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 13 mei 2014 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

Zij verblijven sedert 1 augustus 2014 in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

3.6.

[dochter 3] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 25 september 2014 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs.

Zij verblijft sedert 25 september 2014 in het huidige perspectief biedende pleeggezin.

3.7.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de aan de stichting verleende machtigingen verlengd om [dochter 2], [dochter 1] en [dochter 3] tot – zo begrijpt het hof – uiterlijk 5 augustus 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.8.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert – kort samengevat – het volgende aan.

De uithuisplaatsing van [dochter 3] was gebaseerd op één hoogoplopende escalatie tussen haar ouders waarbij de belangen van [dochter 3] uit het oog werden verloren. De conflicten tussen hen vonden over het algemeen plaats waar de kinderen niet bij waren. Bij de moeder en binnen de relatie is meer rust ontstaan en de moeder heeft geleerd beter op escalaties in het netwerk in te springen. Daarnaast krijgt de moeder hulp via Emergis. De moeder is onder behandeling van een psycholoog. Recent heeft de moeder ervoor gekozen om een punt achter de relatie met de heer [vader 3] te zetten. Haar is een eigen woonruimte toegewezen, die zij op een zo kort mogelijke termijn, doch voor het einde van de lopende machtigingen, zal kunnen betrekken.

De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de positieve ontwikkelingen. Tijdens de opname in het moeder-kind huis van Arduin is gebleken dat de moeder over voldoende pedagogische kwaliteiten beschikt, maar dat door de onrust in het netwerk de moeder niet altijd aan die kwaliteiten toekomt. Er is echter al bijna een half jaar rust in het netwerk van de moeder; zij heeft daar wat meer afstand van genomen.

De uithuisplaatsing van de kinderen is in strijd met de artikelen 6 en 8 EVRM, nu de hulpverlening niet gericht is op thuisplaatsing bij de moeder en zij niet wordt ondersteund in het vergroten van haar pedagogische vaardigheden, terwijl zij niet in staat wordt gesteld zich te verweren tegen de stelling van de stichting dat zij over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat opname en observatie in het gezinshuis van Yulius dan wel de benoeming door een onafhankelijke deskundige niet mede tot een beslissing van de zaak kan leiden. Aangezien de praktische en financiële problemen die op dit moment nog aan een thuisplaatsing van de kinderen in de weg staan, nog voor het einde van de lopende machtigingen kunnen worden opgelost, acht de moeder het van zwaarwegend belang dat een deskundige (door middel van observaties in de huidige contactregeling dan wel in het kader van een moeder-kind opname) vaststelt over welke opvoedvaardigheden de moeder beschikt en welke invloed haar persoonlijke problematiek op haar opvoedershandelen heeft, alsmede in welke mate dit opvoedershandelen momenteel nog wordt beïnvloed door eventuele onrust in het netwerk. De moeder wijst erop dat de kinderen nog jong zijn. Juist gelet op de jonge leeftijd van [dochter 3] dient er op de kortst mogelijke termijn duidelijkheid te komen over haar perspectief. Bovendien zal [dochter 3] door haar jonge leeftijd maar weinig meekrijgen van het onderzoek. Het gaat goed met [dochter 2] en [dochter 1] in het pleeggezin en is er al geruime tijd geen onrust meer rondom hen geweest. De moeder heeft inmiddels een persoonlijkheidsonderzoek ondergaan, de resultaten zullen spoedig in het geding worden gebracht.

3.10.

De stichting voert – kort samengevat – het volgende aan.

In de dagen voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [dochter 3] hebben zich meerdere escalaties voorgedaan en de moeder was in de periode van juni 2014 tot september 2014 betrokken bij verschillende incidentmeldingen van agressie jegens de begeleiding van het moeder-kind huis (Arduin). Daarnaast waren er escalaties binnen het netwerk van de moeder. Ook indien de kinderen daar niet steeds bij aanwezig waren, is te verwachten dat dit wel zijn weerslag heeft gehad op de kinderen.

Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek (borderline, aanwijzingen voor persoonlijkheidsstoornis NAO en een verstandelijke beperking), waardoor er zorgen zijn over de leerbaarheid van de moeder en het inzicht in haar problematiek. De moeder kan impulsief reageren en handelen en zij heeft last van stemmingswisselingen. Een en ander heeft een effect op haar beschikbaarheid als moeder en de veiligheid van de kinderen. De beperkte mogelijkheden van de moeder ziet de stichting terug in de houding van de moeder in de samenwerking met de hulpverlening en haar handelen tijdens en rondom de contactmomenten met de kinderen.

De relatie van de moeder en de heer [vader 3] is geëindigd na een ruzie waarbij ook de moeder en het zusje van de moeder, alsmede de politie betrokken zijn geraakt. De moeder heeft de relatie beëindigd nadat de heer [vader 3] al het geld van de moeder had opgemaakt terwijl zij gedetineerd was. De moeder heeft voorts afstand genomen van haar netwerk doordat zij het gevoel had dat haar moeder de kant van de heer [vader 3] had gekozen. De moeder zoekt steeds de confrontatie op binnen haar netwerk, terwijl zij daarvan als alleenstaande moeder afhankelijk is.

De moeder heeft niet kunnen profiteren van alle in het verleden geboden hulp. De plaatsing in het moeder-kind huis in september 2014 werd gezien als de één van de laatste mogelijkheden voor de moeder om haar kwaliteiten te tonen. De moeder hield zich evenwel niet aan afspraken en veroorzaakte onrust en conflicten in en rondom de woning. De relatie tussen de moeder en haar ex-partners is wisselend en de spanning tussen hen kan zo hoog oplopen dat daarvan diverse meldingen zijn gedaan bij de politie. Deze verhouding maakte dat de drie zusjes niet bij elkaar in één gezin geplaatst konden worden. Niet alleen de onrust, maar ook het beperkte pedagogische inzicht van de moeder, maakt dat naar de mening van de stichting thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort. De leeftijd van de kinderen en de behoefte die zij hebben aan duidelijkheid omtrent hun toekomstperspectief (gelet op de hechtingsfase waarin zij zich bevinden) speelt hierbij eveneens een belangrijke rol. [dochter 3] bevindt zich in een kritieke hechtingsfase, zodat zij een veilige en stabiele opvoedingsomgeving nodig heeft, waarvoor zij is aangewezen op het huidige pleeggezin. [dochter 2] en [dochter 1] hebben in het verleden veel meegemaakt. Een nieuw onderzoek is naar de mening van de stichting niet in het belang van de kinderen, aangezien zij dan wederom aan verschillende veranderingen zullen worden blootgesteld, hetgeen het hechtingsproces in gevaar brengt. Bovendien is in het verleden intensieve hulpverlening ingezet die niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.

3.11.

De heer [vader 2] heeft ter zitting van het hof het volgende aangevoerd.

De heer [vader 2] ziet [dochter 2] eens per maand gedurende een weekend waarin zij onbegeleid contact hebben. Met de heer [vader 1] heeft de heer [vader 2] een goed (functioneel) contact. Ook met de grootouders van [dochter 2] is het contact goed. De moeder spreekt de heer [vader 2] nauwelijks. Zij vervullen geen gezamenlijke ouderrol.

De heer [vader 2] staat niet achter de door de moeder gewenste thuisplaatsing. Hij verwijst naar de vele jaren van hulpverlening die tot niets hebben geleid. De heer [vader 2] vreest ervoor dat weer de situatie zal ontstaan van vóór de uithuisplaatsingen, die zich kenmerkte door ruzies, ‘gedonder’, politiecontacten en vechtpartijen. De heer [vader 2] ziet in de heer [vader 3] een grote oorzaak van alle problemen.

3.12.

Het hof overweegt het volgende.

3.12.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu de inleidende verzoekschriften zijn ingediend op 25 september 2014, 6 oktober 2014 en 24 november 2014 is derhalve artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) van toepassing op de onderhavige zaak.

3.12.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 BW (oud) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Het hof is van oordeel dat hiervan in het geval van [dochter 1], [dochter 2] en [dochter 3] sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.12.3.

Het hof stelt voorop dat de moeder tot op zekere hoogte over opvoedkwaliteiten beschikt, hetgeen de stichting ook niet heeft betwist en ook blijkt uit het verslag van de opname in het moeder-kindhuis ‘Ooievaar’ van Stichting Arduin. Het hof neemt hierbij evenwel in overweging dat de moeder deze opvoedkwaliteiten in een beschermde omgeving (onder 24-uurs begeleiding) liet zien. Voorts blijkt uit het verslag dat in tijden van onrust de persoonlijke problematiek van de moeder de overhand kreeg, waarbij de moeder het belang van [dochter 3] uit het oog verloor en door de medewerkers regelmatig op de noden van [dochter 3] geattendeerd diende te worden.

De begeleiders van de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen, die inmiddels allemaal in een pleeggezin verblijven, hebben moeten constateren dat de moeder ook in deze context veel sturing nodig heeft en dat zij aanwijzingen maar beperkt (op andere situaties) weet toe te passen.

Het hof stelt voorts vast dat de moeder haar persoonlijke situatie in praktische en financiële zin niet op orde heeft en dat keer op keer nieuwe complicaties en problemen de kop op steken als gevolg van incidenten tussen de moeder en verschillenden personen in haar netwerk.

3.12.4.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er op dit moment geen enkele grond is om de kinderen naar de moeder terug te laten gaan. De moeder zal eerst haar persoonlijke leven op orde moeten brengen wat betreft huisvesting, financiële stabiliteit en rust in haar netwerk. Zolang hiervan geen sprake is, behoort thuisplaatsing naar het oordeel van het hof überhaupt niet tot de mogelijkheden. Het hof overweegt in dit kader nog dat de moeder de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek dat zij zou zijn ondergaan, niet in het geding heeft gebracht, zoals wel door haar was toegezegd in het beroepschrift.

Gelet op de korte termijn van de thans lopende machtigingen die thans nog resteert, ziet het hof geen aanleiding om deze termijn te bekorten, zoals door de moeder subsidiair is verzocht.

3.12.5.

Het hof constateert dat met de uithuisplaatsing van de kinderen een gerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op het in artikel 8 EVRM neergelegde recht op familie life.

3.12.6.

Ten aanzien van het door de moeder verzochte deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv, overweegt het hof het volgende.

Zelfs indien uit het onderzoek zou blijken dat de moeder over de door haar gestelde pedagogische vaardigheden beschikt, zouden de kinderen, reeds op grond van het feit dat de moeder haar boven genoemde persoonlijke omstandigheden niet op orde heeft en deze ook niet – naar is te verwachten – binnen de termijn van de lopende machtigingen op orde zal krijgen, niet bij haar geplaatst kunnen worden. Het door de moeder verzochte onderzoek kan derhalve niet mede leiden tot de door het hof in dezen te nemen beslissing.

Het hof overweegt voorts dat een deskundigenonderzoek als door de moeder is verzocht, meer vergt dan alleen observaties tijdens de huidige (in die zin beperkte) bezoekcontacten. Het is onvermijdelijk dat een deskundigenonderzoek in het leven van de kinderen de nodige spanningen en veranderingen (ten aanzien van de bezoekregeling of hun verblijf) teweeg brengt. Het zou naar verwachting bijzonder schadelijk voor de kinderen zijn om hen hieraan bloot te stellen, gelet op al hetgeen zij reeds in hun korte leven hebben meegemaakt. De belangen van de kinderen verzetten zich derhalve tegen een onderzoek als door de moeder is verzocht.

3.12.7.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een inbreuk op het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op ‘equality of arms’, aangezien het hof het verzoek van de moeder passeert op grond van de in de wet opgenomen weigeringsgronden.

3.13.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dienen te worden bekrachtigd, met dien verstande dat de machtiging tot uithuisplaatsing ten behoeve van [dochter 1] is verleend voor een te lange duur. Deze dient conform het inleidend verzoek van de stichting, derhalve slechts voor zover het de periode tot 5 augustus 2015 (de resterende termijn van de ondertoezichtstelling), te worden verleend.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 november 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, uitgezonderd de beschikking betreffende [dochter 1] voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend voor een langere duur dan tot 5 augustus 2015, welke beschikking in zoverre wordt vernietigd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.