Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2232

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
F 200.159.332-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curatele

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 juni 2014

Zaaknummer: F 200.159.332/01

Zaaknummers eerste aanleg: 2423277 BM VERZ 13-2162 en 2848535 BM VERZ 14-535

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] en [appellante],

beiden wonende te

[woonplaats 1],

appellanten,

advocaat: mr. C.F. Roza.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats 2], in een 24-uurs zorgomgeving van Prisma,

hierna te noemen: de rechthebbende,

- Force Bewind Coöperatief B.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, kanton

’s-Hertogenbosch, van 11 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 november 2014, hebben appellanten verzocht, naar het hof begrijpt, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij Force Bewind Coöperatief B.A. tot curator van de rechthebbende is benoemd en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat appellanten gezamenlijk tot curatoren worden benoemd.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    appellanten, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    de curator, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger curator];

  • -

    mevrouw [begeleider rechthebbende 1] en mevrouw [begeleider rechthebbende 2], begeleiders van de rechthebbende, beiden werkzaam bij de instelling waar de rechthebbende verblijft.

De rechthebbende is niet verschenen.

3. De beoordeling

3.1.

Appellanten, de oom en tante van de rechthebbende, hebben de rechtbank verzocht een ondercuratelestelling uit te spreken ten behoeve van hun neef [belanghebbende] (in hoger beroep aangeduid als: de rechthebbende) met benoeming van henzelf tot gezamenlijke curatoren.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de rechthebbende onder curatele gesteld met benoeming van Force Bewind Coöperatief B.A. tot curator.

3.3.

Appellanten kunnen zich met de benoeming van de curator niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. In hun hoger beroepschrift voeren ze, kort samengevat, aan dat de kantonrechter op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat appellanten niet tot curatoren zouden moeten worden benoemd. Appellanten betwisten dat zij over onvoldoende inzicht te beschikken op de beperkingen die de rechthebbende heeft en de hulp die rechthebbende behoeft. Nu de moeder van de rechthebbende inwoont bij appellanten en appellante [appellanten] zelf ten behoeve van haar zus is benoemd tot curator, is het voor de rechthebbende van belang dat zij één gezin vormen en dat appellante [appellanten] ook tot curator wordt benoemd over haar neef. Appellanten accepteren en vinden het juist dat hun neef verblijft in een instelling zoals Prisma. De wens is echter een instelling in de buurt van [woonplaats 1] te vinden, zodat de contacten wat makkelijker kunnen worden geregeld, in plaats van relatief dure en lange reisafstanden. Appellante [appellanten] gaat uit van het belang van haar neef, dat is gediend bij een goed en makkelijk contact met zijn familie. Appellanten merken hierbij op dat zorg voor elkaar in familieverband een culturele verantwoordelijkheid is die past binnen de Somalische cultuur. Juist voor de rechthebbende is dat de juiste en beste bedding in een sfeer van begrip en herkenning.

3.4.

Ter zitting heeft de curator verweer gevoerd en zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank hieromtrent.

Het hof overweegt het volgende.

3.5.1.

De kwestie of de rechthebbende onder curatele gesteld dient te worden, speelt in hoger beroep niet, nu appellanten tevens verzoekers eerste aanleg waren en zij in hoger beroep erkennen dat de noodzaak tot ondercuratelestelling aanwezig is.

3.5.2.

Ingevolge artikel 1:383 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechter bij het uitspreken van de curatele een curator, waarbij de rechter zich een oordeel dient te vormen omtrent de geschiktheid van de te benoemen personen.

Ingevolge lid 10 van artikel 1:383 BW kan de rechter twee curatoren benoemen, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

3.5.3.

Hoewel het hof niet twijfelt aan de goede bedoelingen van appellanten en de betrokkenheid die zij voelen voor de rechthebbende, is het hof van oordeel dat zij onder de gegeven omstandigheden niet de meest geschikte personen zijn om het curatorschap van de rechthebbende op zich te nemen. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellanten over onvoldoende inzicht beschikken in de beperkingen van de rechthebbende en de hulp die hij nodig heeft. Dat zij over onvoldoende inzicht beschikken, is met name een onvermijdelijk gevolg geweest van de feitelijke situatie die inhoudt dat de rechthebbende nooit in gezinsverband met appellanten heeft geleefd en de contacten tussen de rechthebbende en appellanten beperkt zijn. De begeleiders van de rechthebbende hebben ter zitting van het hof verklaard, hetgeen door appellanten is onderschreven, dat appellanten en de rechthebbende elkaar drie à vier keer per jaar zien onder begeleiding. Mede gezien het feit dat de rechthebbende een zeer kwetsbare persoon is met complexe psychiatrische problematiek in de vorm van zwakzinnigheid (IQ van 55) die tevens te kampen heeft met een autistische stoornis en een psychotische stoornis, dient er uiterst zorgvuldig met hem te worden omgegaan. Het hof acht het, gelet op de inhoud van het rapport van Dr. [arts] niet aannemelijk dat appellanten dermate op de rechthebbende zijn ingespeeld dat zij over voldoende inzicht beschikken in de problematiek van de rechthebbende. Ter zitting is het hof gebleken dat de betrokkene wekelijks contact heeft met zijn voormalige pleegouders die in zijn directe omgeving wonen. De betrokkene brengt daar ook regelmatig een (deel van een) weekeinde door, waar hij volgens de begeleiders van de rechthebbende veel baat bij heeft.

Appellanten hebben ter zitting van het hof expliciet aangegeven dat zij het betreuren dat zij de rechthebbende zo weinig zien en dat de voormalige pleegouders van de rechthebbende wel op zeer frequente basis, wekelijks, contact met hem hebben. Het hof heeft begrip voor deze gevoelens van appellanten, echter het hof stelt het belang van betrokkene in dit opzicht boven dat van de appellanten. De rechthebbende heeft vanaf het moment dat hij drie maanden oud was tot zijn achtste levensjaar bij de voormalige pleegouders gewoond en de voormalige pleegouders zijn in staat, zo is ter zitting door de begeleiders van de rechthebbende verklaard, om op goede wijze op de rechthebbende in te spelen omdat zij, onder meer, zijn tics herkennen. In het voornoemde rapport d.d. 27 april 2014 wordt onderschreven dat de voormalige pleegouders erg belangrijk zijn voor de rechthebbende.

Uit voormeld rapport blijkt voorts dat het mede door de adequate 24-uurs zorgomgeving van Prisma is gelukt om bij de rechthebbende een bepaalde mate van stabiliteit te realiseren en ook aan hem enige autonomie te verlenen in zijn dagelijks functioneren. De curator heeft ter zitting verklaard dat de rechthebbende het naar vermogen goed doet binnen zijn huidige woonvoorziening. Om continuering van de huidige situatie te waarborgen, waarbij het hof tevens het belang meeweegt van ongewijzigde voortzetting van de contacten tussen de rechthebbende en zijn voormalige pleegouders, acht het hof aanstelling van een neutrale onafhankelijke curator, zoals Force Bewind, noodzakelijk. Dit geldt temeer nu appellanten de uitdrukkelijke wens hebben geuit dat de rechthebbende dichter bij hen (en bij zijn moeder) in [woonplaats 1] komt te wonen, hetgeen het hof op dit moment – gelet op het vorenoverwoge – niet in het belang van de rechthebbende acht.

Het hof ziet dan ook op grond van het vorenstaande geen aanleiding om appellanten te belasten met het curatorschap over de betrokkene, wat met zich brengt dat het verzoek van appellanten in hoger beroep dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.J. van Laarhoven en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.