Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2228

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
F 200.156.717_01 en _F 200.156.717_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 juni 2015

Zaaknummers: F 200.156.717/01 en F 200.156.717/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/272656 / FA RK 13-6810

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. F.J. Notermans,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. G. de Jong.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 september 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en zijn inleidend verzoek, voor zover daarvan beroep is ingesteld, integraal toe te kennen en voor zover de grieven van de man niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, opnieuw rechtdoende, aan het aangepaste verzoek tegemoet te komen door met ingang van 1 januari 2013 de bijdrage voor de minderjarige dochter van partijen vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum die het hof juist acht.

Voorts heeft de man verzocht de uitvoerbaarheid bij voorraad van voormelde beschikking te schorsen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 november 2014, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man af te wijzen als zijnde ongegrond en ongemotiveerd met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3.

Deze zaken zijn ter griffie ingeschreven onder de zaaknummers F 200.156.717/01 (hoofdzaak) en F 200.156.717/02 (schorsingsverzoek). Deze beide zaken zijn gevoegd en zij worden tegelijk behandeld en beslist.

Ter zitting van het hof heeft de man zijn schorsingsverzoek ingetrokken, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 juni 2014;

  • -

    de V-formulieren d.dis 8 oktober 2014 en 27 april 2015 met bijlagen van de advocaat van de man;

  • -

    het V-formulier d.d. 11 mei 2015 van de advocaat van de vrouw.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [dochter] (hierna: [dochter] ), op [geboortedatum] 2002 te [plaats] .

De man heeft [dochter] erkend en de vrouw oefent van rechtswege het gezag over haar uit.

3.2.

Bij beschikking van 7 juli 2009 heeft de rechtbank de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] met ingang van 1 december 2008 bepaald op € 427,= per maand.

3.3.

De man heeft de rechtbank vervolgens, bij verzoekschrift d.d. 10 december 2013, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 19 december 2013, verzocht, de kinderalimentatie te wijzigen en te bepalen dat deze op nihil wordt gesteld met ingang datum indiening verzoekschrift en dat de bijdrage voor het verleden wordt vastgesteld op hetgeen de man feitelijk heeft betaald.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging van de beschikking van 7 juli 2009, de kinderalimentatie ten behoeve van [dochter] verlaagd naar € 324,47 per maand met ingang van 19 december 2013.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ingangsdatum wijziging

3.5.1.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de onderhoudsbijdrage moet ingaan.

3.5.2.

De man stelt dat de ingangsdatum 1 januari 2013 dient te zijn en dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gewijzigde omstandigheden over het jaar 2013.

De vrouw sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft bepaald, zijnde de datum waarop het inleidend verzoekschrift van de man is ingekomen bij de griffie van de rechtbank. Indien de man eerder al niet in staat was de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen, had hij op dat moment een verzoek tot wijziging in moeten dienen.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.3.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de vrouw eerst met ingang van de datum waarop het inleidend verzoekschrift is ingediend, zijnde 19 december 2013, rekening heeft kunnen houden met een eventuele verlaging van de door haar ten behoeve van [dochter] te ontvangen onderhoudsbijdrage. Het hof ziet reeds daarom geen aanleiding om zoals de man verzoekt van 1 januari 2013 uit te gaan.

Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen. Het hof zal de situatie, evenals de rechtbank, beoordelen met ingang van 19 december 2013.

Behoefte van [dochter]

3.6.

Ter zitting van het hof heeft de man zijn grieven tegen de vaststelling van de behoefte door de rechtbank ingetrokken.

Het hof constateert aldus dat de behoefte van [dochter] , zoals door de rechtbank vastgesteld op € 427,= per maand in 2009, hiermee vaststaat.

Overeenstemming ter zitting in hoger beroep met ingang van 1 juni 2015

3.7.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de bijdrage die de man dient te voldoen ten behoeve van [dochter] kan worden vastgesteld op € 150,= per maand met ingang van 1 juni 2015.

De vrouw heeft hiermee ingestemd onder voorwaarde dat de betalingen door tussenkomst van het LBIO aan haar zullen worden verstrekt. Het hof zal daarom bepalen dat het LBIO gerechtigd is om € 150,= per maand in te houden op het inkomen van de man en dat in dit bedrag de 15% opslagkosten is verwerkt; het resterende bedrag zal aan de vrouw worden uitgekeerd.

Indien de vrouw op enig moment zou besluiten dat tussenkomst van het LBIO niet langer noodzakelijk is om de kinderalimentatie te verkrijgen, hebben partijen afgesproken dat haar alsdan het gehele bedrag van € 150,= per maand toekomt en dat de man dit rechtstreeks aan de vrouw zal voldoen.

Betalingsachterstand dan wel teveel betaalde kinderalimentatie tot 1 juni 2015

3.8.1.

Hetgeen partijen thans in hoger beroep nog verdeeld houdt, is de ontstane betalingsachterstand dan wel het teveel betaalde bedrag aan kinderalimentatie. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte niet op het verzoek heeft beslist de achterstand voor het verleden, te rekenen vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift, op grond van de gewijzigde omstandigheden te stellen op hetgeen de facto is voldaan en dit verzoek niet heeft geïnterpreteerd als het verzoek de bijdrage over 2013 op nihil te stellen met bepaling dat het teveel betaalde terzake kinderalimentatie kan worden teruggevorderd.

Ter zitting van het hof heeft de man bij zijn standpunt gepersisteerd dat er teveel kinderalimentatie is ingehouden door het LBIO en verzoekt hij nogmaals om de kinderalimentatie voor het verleden vast te stellen op hetgeen feitelijk is betaald en te bepalen dat de onverschuldigd betaalde bedragen door de vrouw aan de man dienen te worden terugbetaald.

3.8.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank wel degelijk op dit verzoek heeft beslist in het dictum met de zinsnede ‘wijst het meer of anders verzochte af’. Ter zitting heeft zij verklaard niet in te stemmen met een kwijtschelding dan wel restitutie aan de man van het eventueel teveel ontvangen bedrag aan kinderalimentatie.

Het hof overweegt als volgt.

2013

3.8.3.

Nu de grief van de man tegen de ingangsdatum faalt, gaat het hof voorbij aan het verzoek van de man voor wat betreft het jaar 2013. Voor het jaar 2013, althans tot 19 december 2013, blijft de kinderalimentatie ten behoeve van [dochter] gelden zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 7 juli 2009.

1 januari 2014 tot 1 juni 2015

3.8.4.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de man in 2014 werkzaam is geweest voor verschillende uitzendbureaus. Uit zijn verzonden aangifte Inkomensbelasting 2014 blijkt dat de man over het gehele jaar 2014 een totaalbedrag van € 17.808,= heeft verdiend, hetgeen door de vrouw niet is betwist. Het hof ziet voldoende aanleiding om deze inkomsten als uitgangspunt te laten dienen bij becijfering van de draagkracht van de man in de periode van 1 januari 2014 tot 1 juni 2015, nu partijen met ingang van 1 juni 2015 overeenstemming hebben bereikt over de kinderalimentatie.

Het hof volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 april 2013 luidt. Uitgaande van een bruto jaarsalaris van € 17.808,=, becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man met ingang van 1 januari 2014 op € 1.273,= per maand. Voor inkomens met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.500,= zijn vaste bedragen per categorie van toepassing, volgens de gepubliceerde tabellen.

Conform deze tabellen heeft de man in de periode van 1 januari 2014 tot 1 juni 2015 een beschikbare draagkracht gehad van € 65,= per maand dat ten goede van [dochter] dient te komen. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de man dit bedrag leidend dient te zijn in de becijfering van de betalingsachterstand dan wel de teveel betaalde kinderalimentatie gedurende deze periode.

3.9.

Beslist dient te worden als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaak met nummer F 200.156.717/01

vernietigt de bestreden beschikking met ingang van 1 juni 2015;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 7 juli 2009 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, thans Oost-Brabant;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [plaats] , met ingang van 1 juni 2015 zal voldoen een bedrag van € 150,= per maand en, voorzover de onderhoudsbijdrage middels tussenkomst door het LBIO bij de man zal worden geïncasseerd: inclusief de terzake aan het LBIO verschuldigde opslagkosten;

bepaalt de bijdrage die de man ten behoeve van [dochter] is verschuldigd over de periode van 19 december 2013 tot 1 juni 2015 op € 65,= per maand (of gedeelte van een maand);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

In de zaak met nummer F 200.156.717/02

wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.J. van Laarhoven en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.