Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2214

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
F 200.167.321_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 juni 2015

Zaaknummer: F 200.167.321/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/201087 / FA RK 15-79 en C/03/201088 / FA

C/03/201455 / JE RK 15-130 en C/03/201453 / JE RK 15-129

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.W.M. Hendriks,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- [de (stief)vader] (hierna te noemen: de (stief)vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 6 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 maart 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de stichting af te wijzen, althans ten aanzien van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift , ingekomen ter griffie op 1 mei 2015, heeft de stichting verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel dit hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Hendriks;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] en

mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting].

2.3.1.

De (stief)vader en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 3 april 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 15 april 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 1 mei 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 7 mei 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 16 mei 2015;

  • -

    het ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 27 januari 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en de heer [de vader] is op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [zoon 1] (hierna: [zoon 1]) geboren.

Uit de relatie van de moeder en de (stief)vader is op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] [zoon 2] (hierna: [zoon 2]) geboren.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit over [zoon 1] en [zoon 2].

3.2.

[zoon 1] staat sinds 8 februari 2013 onder toezicht van de stichting. [zoon 2] staat sinds 15 juli 2014 onder toezicht van de stichting.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voor zover thans van belang, de ondertoezichtstellingen van [zoon 1] en [zoon 2] met ingang van 8 februari 2015 tot 8 februari 2016 verlengd en machtiging verleend aan de stichting om [zoon 1] en [zoon 2] met ingang van 8 februari 2015 tot uiterlijk 8 februari 2016 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Met professionele hulp is de moeder in staat om zelf de opvoeding en verzorging van [zoon 1] en [zoon 2] (wederom) ter hand te nemen, zeker nu [zoon 1] sinds april 2015 de peuterspeelzaal bezoekt. Zij ontvangt hulp van de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling, van stichting Anacare in de persoon van mevrouw [de gezinsvoogd] en van Mozaïek bewindvoeringen voor haar financiën. Daarnaast heeft zij een internetcursus over opvoeding gevolgd. Voor de (stief)vader is woonruimte geregeld. Als het nodig is, dat wil zeggen als de kinderen worden teruggeplaatst, zet hij meteen zijn handtekening om ten aanzien van hem de bestaande huurovereenkomst te beëindigen, zodat zijn samenleven met de moeder materieel en formeel eindigt.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. De uithuisplaatsing is in het belang van [zoon 1] en [zoon 2] noodzakelijk. Ten tijde van de uithuisplaatsing was er sprake van zeer ernstig huiselijk geweld. De betrokken hulpverleners geven aan dat er ook thans nog sprake is van ruzies waarbij men naar elkaar schreeuwt. De moeder en de (stief)vader hebben weinig inzicht in de effecten hiervan op de kinderen. Dat het een grote impact op hen heeft, is vooral merkbaar bij [zoon 1]. Hij wordt ’s nachts vaak schreeuwend wakker en heeft veel boosheid in zich. De moeder heeft weliswaar veel hulp, maar dit is niet voldoende om haar in staat te stellen voor de kinderen te zorgen. Zij heeft veel moeite met het bieden van structuur en mist inzicht in de opvoedingstaken; zij is niet in staat om de kinderen in hun ontwikkeling te stimuleren en weet niet wat zij van de kinderen kan en mag verwachten. Ook heeft zij grote financiële problemen. Het vermoeden bestaat dat de moeder nog wiet rookt en dat opa (mz), ondanks een officiële waarschuwing van de woningbouwvereniging dienaangaande, nog steeds bij haar over de vloer komt. De berichten over de nieuwe woonruimte van de (stief)vader zijn onduidelijk.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het sinds 1 januari 2015 geldende nieuwe artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ) respectievelijk de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.2.

Het hof is van oordeel dat hier sprake van is en overweegt daartoe het volgende.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [zoon 1] en [zoon 2] in de thuissituatie getuige zijn geweest van ernstig huiselijk geweld, waardoor er bij hen ontwikkelingsbedreigingen bestaan op het gebied van hechting en sociale ontwikkeling. De moeder wordt overspoeld door een veelvoud aan problemen. Zij is gediagnosticeerd met borderline en een licht verstandelijke beperking, waarvan in het beperkte circuit waarin zij leeft snel misbruik wordt gemaakt. Haar pedagogische kwaliteiten zijn beperkt; zij kan de kinderen niet de vereiste structuur bieden en hen niet stimuleren in hun taalontwikkeling. De moeder is niet in staat tot het organiseren van een zelfstandig huishouden. Werken op basis van de WSW is voor haar niet mogelijk gebleken. Er is bij de moeder mogelijk nog sprake van misbruik van cannabis. De veiligheid in de woonsituatie van de moeder is (nog) niet gegarandeerd, want hoewel de moeder stelt dat de (stief)vader indien nodig per direct uit de woning vertrekt, woont hij er thans nog steeds.

Ofschoon de moeder - zoals door de stichting ter zitting van het hof is verklaard - haar uiterste best doet om goed voor haar kinderen te zorgen, er bij de moeder hulpverlening is betrokken en er geen meldingen meer zijn geweest van huiselijk geweld, acht het hof op grond van hetgeen hiervoor is overwogen uithuisplaatsing van [zoon 1] en [zoon 2] in het belang van hun verzorging en opvoeding noodzakelijk.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van

6 februari 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.