Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
F 200.166.900_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 18 juni 2015

Zaaknummer : F 200.166.900/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/287278 JE RK 14/1963MZ01

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.M.J. Schepens,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 maart 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de raad om de hierna nader te noemen minderjarige kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar, af te wijzen als ongegrond, onbewezen en niet steunend op de wet.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 mei 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Schepens;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad];

- de vader;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting].

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarigen [zoon 1] en [dochter 1] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

De moeder en de vader zijn van 4 augustus 1993 tot 4 augustus 1997 met elkaar gehuwd geweest. Uit hun na-huwelijkse relatie zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [zoon 1], op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

- [dochter 1], op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats];

- [zoon 2], op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats];

- [dochter 2], op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats];

- [zoon 3], op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen wonen bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank voornoemde kinderen onder toezicht gesteld.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. De moeder is van mening dat bij de kinderen thans geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het rapport van de raad bevat verouderde feiten en omstandigheden waardoor het geen juist en objectief beeld geeft van de situatie op dit moment. In het verleden is sprake geweest van een zeer belastende situatie voor de kinderen, maar de detentie van de vader heeft binnen het gezin een positieve ontwikkeling ingezet. De moeder en de vader hebben geleerd beter met elkaar te communiceren waardoor zij elkaar nu beter begrijpen en in staat zijn hun eigen aandeel te zien in de vroegere situatie en de zaken anders aan te pakken. Dit wordt bevestigd gezien in de twee gesprekken die inmiddels in het kader van de FFT (Functional Family Therapy) hebben plaatsgevonden. Ook de zorgpunten die in het rapport ten aanzien van de individuele kinderen worden benoemd, zijn niet meer actueel. Met de kinderen gaat het goed; zij zijn in beeld bij organisaties als school, consultatiebureau en jeugdreclassering. De moeder en de vader zijn bereid ook in het vrijwillig kader mee te werken aan enige hulpverlening en openheid en eerlijkheid te betrachten. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting verklaard het FFT (Functional Family Therapy) traject buiten het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet te zullen continueren.

3.5.

De raad voert ter zitting aan in de recente gebeurtenissen bevestigd te zien dat het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling de ouders er toe heeft gebracht dat zij aan de slag zijn gegaan met de FFT. Gelet op de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen acht de raad het van belang dat deze therapie wordt gecontinueerd.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

Op dit moment is er nog altijd onvoldoende zicht op de opvoedingsomgeving van de kinderen. Er is sprake van een gesloten gezinssysteem. De inmiddels ingezette FFT heeft onder meer als doel zicht te krijgen op de communicatie tussen de ouders, de invloed van de vader op het gezinssysteem en de veiligheid binnen het gezin. De FFT richt zich daarnaast op de onderlinge band en communicatie tussen familieleden en leert de ouders om te gaan met vragen van de kinderen over het geweld dat in het gezin heeft plaatsgehad. In het kader van het FFT-traject worden positieve ontwikkelingen gezien, doch deze zijn nog pril en geven weinig zicht op de situatie van de kinderen op langere termijn. De zorg bestaat dat als het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling er niet meer zou zijn, de ouders met de FFT zullen stoppen.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Op grond van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

3.7.2.

Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot een ondertoezichtstelling van voornoemde kinderen heeft beslist en dat de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Vaststaat dat de opvoedingsomgeving van de kinderen bedreigend en onveilig is geweest, doordat zij getuige zijn geweest van huiselijk geweld, hetgeen, nu of op termijn, zijn weerslag op hun ontwikkeling heeft. De onlangs opnieuw opgestarte FFT-hulpverlening stelt dit huiselijk geweld en de effecten hiervan voor de kinderen aan de orde, alsmede - onder meer - de rol van de vader en de communicatie binnen het gezin en ondersteunt de moeder en de vader in hun opvoedershandelen. Vanuit deze hulpverlening worden positieve signalen afgegeven over de inzet van de ouders en de ontwikkeling die zij reeds hebben doorgemaakt. Hoewel ook de ouders zich positief uitlaten over de FFT-hulpverlening, heeft de moeder ter zitting gesteld dit traject buiten het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling niet te zullen continueren. Evenals de stichting hebben zij en de vader tot doel, zo is haar verklaring, dat het met de kinderen goed gaat en nu dit reeds het geval is, de bemoeienis van anderen verwarrend is.

Het hof acht de ingezette positieve ontwikkeling in het gezin echter nog te pril om daaraan de conclusie te verbinden dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen is weggenomen. Naar het oordeel van het hof is het voor de ontwikkeling van de kinderen van groot belang dat de FFT-hulpverlening wordt gecontinueerd. Deze voortzetting kan, zoals ter zitting is gebleken, alleen worden gewaarborgd wanneer deze is onderworpen aan het toezicht van de stichting.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke,

C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.