Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
22-06-2015
Zaaknummer
F 200.156.981_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Zorgregeling

Kinderalimentatie

IPR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 juni 2015

Zaaknummer: F 200.156.981/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/265982 / FA RK 13-3895

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats], België,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.Th. Linsen-Penning de Vries,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.H. Ebbeng.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

• primair en subsidiair te bepalen dat de man samen met de vrouw is belast met het

gezag over de hierna nader te noemen [de zoon];

• de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als volgt:

- gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondagavond 20.00 uur, aan het einde van de oneven weken;

- gedurende de kerstvakantie in de oneven jaren, de week waarin Kerstmis valt bij de vrouw en de andere week bij de man en in de even jaren de week waarin Kerstmis valt bij de man en de andere week bij de vrouw;

- gedurende de helft van de overige schoolvakanties in de weken dat zowel de man

(onderwijzer) en [de zoon] vakantie hebben, waarbij in de even jaren de man en in de oneven jaren de vrouw de keuze heeft, en waarbij die keuze uiterlijk 2 maanden voor de betreffende vakantie wordt gecommuniceerd, met dien verstande dat, als boven omschreven, [de zoon] in de krokusvakantie in februari 2015 geheel doorbrengt bij de man en de herfstvakantie 2015 geheel doorbrengt bij de vrouw, als die niet gelijktijdig loopt met die van de man;

• de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de zoon] met ingang van

1 augustus 2013 vast te stellen op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht en met ingang van een zodanige datum, die het hof juist acht en met ingang van 1 september 2014 te stellen op een bedrag, zoals dat in de loop van de procedure komt vast te staan, althans op een bedrag dat het hof juist acht en met ingang van een zodanige datum, die het hof juist acht, met bepaling dat de man de door het hof vast te stellen bedragen betaalt aan de vrouw op een door haar op te geven bankrekeningnummer in Nederland.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 november 2014, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking aan te vullen met dien verstande dat de vrouw het hof aanvullend verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- zich onbevoegd te verklaren te oordelen over de verzoeken van de man tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en tot bepaling dat de man samen met de vrouw wordt belast met de uitoefening van het gezag over [de zoon];

- te bepalen dat op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en gezag het Colombiaanse recht van toepassing is;

- te bepalen dat bij van toepassing verklaring van het Nederlands recht het gezag over de minderjarige [de zoon] alleen aan haar toekomt;

- de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 6 januari 2015, heeft de man gepersisteerd bij zijn verzoek in het appelschrift en verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze verzoeken te ontzeggen als ongegrond en/of onbewezen dan wel deze verzoeken af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Linsen-Penning de Vries;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Ebbeng en heer H. van Brandwijk, als geregistreerd tolk;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad].

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 april 2014;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 28 april 2015;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 30 april 2015;

- het V8-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 1 mei 2015;

- het V8-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 1 mei 2015, met de mededeling dat de heer H. Brandwijk als tolk voor de vrouw zal optreden;

- het V6-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 5 mei 2015.

Het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 5 mei 2015 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De man heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

De vrouw heeft bij V8- formulier van 1 mei 2015 verzocht de door de man op 28 april 2015 ingediende producties, wegens strijd met de goede procesorde, terzijde te laten. Ter zitting heeft de vrouw haar bezwaar gehandhaafd. Na een korte schorsing heeft het hof het bezwaar van de vrouw verworpen en beslist dat de door de man op 28 april 2015 ingediende producties worden toegelaten. De stukken zijn binnengekomen binnen de in het procesreglement genoemde termijn en niet moeilijk te doorgronden. De advocaat van de vrouw en de vrouw hebben voldoende tijd gehad de stukken te bespreken. Van strijd met een goede procesorde is naar het oordeel van het hof geen sprake.

2.5.

Volgens afspraak is na de mondelinge behandeling nog ingekomen:

- de brief van de advocaat van de man d.d. 3 juni 2015;

- de brief van de advocaat van de vrouw d.d. 4 juni 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die medio 2010 is geëindigd.

Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] [de zoon] (hierna: [de zoon]) geboren.

De vader heeft [de zoon] erkend.

[de zoon] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

De man heeft de Belgische nationaliteit, de vrouw heeft de Colombiaanse nationaliteit.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de Acta de Conciliacion pard no. 163 van het Departamento la Familiar van 19 juli 2012 en de uitspraak van Jueza Cuarta de Familia de Santa Marta van 20 februari 2013 met verwijzing naar de beslissing van de Social Services in Santa Marta for child support agreement ACT 230 van 10 oktober 2012 en the authorization to a minor to leave the country-code 337, opgesteld door notaris [notaris], van

25 februari 2013 erkend en voor recht verklaard dat het gezag over [de zoon] aan de vrouw toekomt.

De verzoeken van de man een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen zoals in het verzoekschrift omschreven, te bepalen dat hij samen met de vrouw wordt belast met de uitoefening van het gezag over [de zoon] alsmede te bepalen dat de kinderalimentatie voor het verleden wordt vastgesteld op het bedrag dat de man tot aan 1 augustus 2013

feitelijk heeft betaald en met ingang van 1 augustus 2013 wordt vastgesteld op € 25,- per maand, heeft de rechtbank afgewezen.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. De vrouw is van de beslissing in incidenteel hoger beroep gekomen.

Gezag en omgangs-/zorgregeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.5.

De vrouw stelt zich met een beroep op artikel 9 Brussel II bis op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de verzoeken van de man met betrekking tot het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsmede dat op deze verzoeken Nederlands recht van toepassing is.

3.6.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.6.1.

De verzoeken van partijen met betrekking tot het ouderlijk gezag en de zorg- en omgangsregeling vallen binnen het materieel toepassingsgebied van de Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis). Genoemde verzoeken vallen binnen het formeel toepassingsgebied van Brussel II-bis als het kind zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat heeft (artikel 8) of als voldaan is aan de eisen betreffende de prorogatie van rechtsmacht (artikel 12). Het enkele feit dat Colombia geen lidstaat is van de Europese Unie hoeft derhalve aan de toepasselijkheid van Brussel II-bis niet in de weg te staan.

3.6.2.

Brussel II-bis bevat geen definitie van het begrip “gewone verblijfplaats”. Volgens vaste rechtspraak is de “gewone verblijfplaats” de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. In de situatie van een jong kind moet daarbij in het bijzonder rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van die staat en van de verhuizing van de ouder naar die staat en, in het bijzonder wegens de leeftijd van het kind, met de geografische en familiale wortels van de ouder en de familiale en sociale banden die zij en het kind in die staat hebben. De rechter kan bij het bepalen c.q. het invullen van het begrip “gewone verblijfplaats” derhalve rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daarmee is de invulling van de gewone verblijfplaats nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard.

3.6.3.

De vrouw betwist dat [de zoon] op 19 juli 2013, de datum van indiening van het inleidend verzoek van de man, zijn gewone verblijfplaats (reeds) in Nederland had.

Ter beoordeling daarvan gaat het hof uit van de volgende door partijen niet weersproken feiten en omstandigheden. Partijen hebben met [de zoon] en een zoon uit een eerder huwelijk van de vrouw tot medio 2010 in Colombia in gezinsverband samengewoond. Op

26 juni 2012 is de vrouw in Colombia in het huwelijk getreden met de heer

[de huidige echtgenoot], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Sedert 15 januari 2013 staat de vrouw ingeschreven in de gemeente [gemeente]. Bij gerechtelijke uitspraak van Jueza Cuarta de Familia de Santa Marta van 20 februari 2013 is conform de overeenstemming van partijen een bezoek- en alimentatieregeling bepaald, rekening houdend met de situatie dat de vrouw met [de zoon] blijvend in Nederland gaat wonen. Op 8 mei 2013 is [de zoon] in Nederland

ingeschreven. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de zoon] ten tijde van het indienen van het inleidend verzoek in Nederland was gelegen. Derhalve komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van de verzoeken van partijen met betrekking tot het ouderlijk gezag en de zorg- en omgangsregeling

3.6.4.

Voor zover de vrouw met een beroep op artikel 9 lid 1 Brussel II-bis heeft betoogd dat de Colombiaanse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de omgangs- c.q. zorgregeling omdat het verzoekschrift is ingediend binnen drie maanden na de feitelijke verhuizing, gaat het hof hier op grond van artikel 9 lid 2 Brussel II-bis aan voorbij, nu de man de bevoegdheid van de Nederlandse rechter heeft aanvaard.

Toepasselijk recht

3.7.

Ingevolge het bepaalde in artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Nederlandse rechter Nederlands recht toepast.

Erkenning Colombiaanse uitspraken

3.7.1.

Op grond van de in de rechtspraak ontwikkelde erkenningsregel wordt een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen beslissing ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid erkend, indien deze is genomen door een rechter of andere autoriteit aan wie op een internationaal aanvaarde grond rechtsmacht toekwam en de beslissing de toets van de Nederlandse openbare orde kan doorstaan.

3.7.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de vereisten voor erkenning is voldaan, zodat voornoemde Acta de Conciliacion pard no. 163 van 19 juli 2012 en de uitspraak van Jueza Cuarta de Familia de Santa Marta van 20 februari 2013 in Nederland worden erkend. Partijen houdt evenwel verdeeld de vraag welke betekenis dient te worden toegekend aan de daarbij aan de vrouw toegekende custodia. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank er ten onrechte van uit gaat dat het begrip “custodia” gelijk gesteld kan worden aan het begrip (ouderlijk) gezag zoals gehanteerd in het (Nederlandse) familierecht.

De vrouw heeft het standpunt van de man gemotiveerd betwist. Zij stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat op grond van de in Colombia gegeven beslissing haar het eenhoofdig gezag over [de zoon] toekomt.

3.7.3.

Partijen hebben hun standpunt onderbouwd met beëdigde vertalingen van relevante artikelen van de Código Civil (Colombiaans Burgerlijk Wetboek, hierna: CC), rechtspraak van het Constitutionele Hof van Colombia (C-145/10 d.d. 3 maart 2010) en het Concept Gezinswelzijn van 12 september 2014. De man heeft voorts het advies van het Internationaal Juridisch Instituut van 12 september 2014 ingebracht. Uit deze stukken blijkt het volgende.

3.7.4.

Artikel 288 CC definieert het ouderlijk gezag (patria potestad) als de verzameling rechten en bevoegdheden die de wet toekent aan de ouders jegens hun minderjarige kinderen, ten einde de plichten te waarborgen die de ouders hebben in hun hoedanigheid als zodanig. Het is aan de ouders gezamenlijk de taak om patria potestad uit te oefenen over hun wettige kinderen. Bij afwezigheid van een van de ouders zal deze plicht toekomen aan de ander.

3.7.5.

De patria potestad kan volgens artikel 310 CC worden beëindigd of opgeschort bij rechterlijke uitspraak op grond van krankzinnigheid, indien het vermogen tot het beheer van

eigen vermogen is aangetast en na lange afwezigheid. De gevolgen van de ontheffing zijn tijdelijk, zodat het mogelijk is, zodra de omstandigheden die de ontheffing van het ouderlijke gezag hebben veroorzaakt zijn doorstaan, om het ouderlijke gezag te herstellen via een gerechtelijke procedure, middels een procedure bij de kantonrechter.

Artikel 315 CC betreft de situatie dat het ouderlijk gezag van beide ouders wordt beëindigd. In ieder geval worden de ouders bij ontheffing en beëindiging van het ouderlijke gezag niet ontslagen en ontlast van hun plichten jegens hun kinderen, waarbij zowel de alimentatieplicht als andere plichten met betrekking tot opvoeding, persoonlijke zorg en onderwijs van kracht blijven.

3.7.6.

Blijkens de rechtspraak van het Constitutionele Hof van Colombia is de patria potestad bedoeld om ten aanzien van de kinderen hun bescherming, welzijn en scholing te waarborgen, vanaf de bevruchting voor de duur van de minderjarigheid, en is de patria potestad geen afgeleide van het huwelijk, maar ontstaat het van rechtswege.

3.7.7.

De ‘Custodia y cuidado personal’ vertaalt zich - zo vermeldt het “concept Gezinswelzijn” van 12 september 2014 (dit betreft overheidsinformatie waarnaar ook in het advies van het Internationaal Juridisch Instituut van 12 september 2014 wordt verwezen) - als de functie/rol die men vervult ten aanzien van het opvoeden, onderwijzen, begeleiden, sturen, vormen van gewoontes, richting geven en disciplineren van het gedrag van een kind of adolescent, overeenkomstig de functie/rol van legitieme, buitenechtelijke of geadopteerde ouders; deze rol kan worden vervuld door een derde partij. De patria potestad verwijst naar het vruchtgebruik van het beheer van bezittingen en het recht tot gerechtelijke vertegenwoordiging en buitengerechtelijke vertegenwoordiging van een kind, uit hoofde van de ouders en deze rechten kunnen uitsluitend door een familierechter aan een derde partij worden toegewezen.

3.7.8.

Het hof maakt uit voorgaande informatie op dat de custodia met name ziet op de zorg- en opvoedingsaspecten van de patria potestad - in zoverre volgt het hof het International Juridisch Instituut in voornoemd advies van 12 september 2014 -, over de toewijzing waarvan een rechter bij het uiteengaan van partijen moet beslissen indien partijen daar zelf niet uitkomen, vergelijkbaar met de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om in geval dat beide ouders gezamenlijk met het gezag belast blijven, bij wijze van nevenvoorziening bij echtscheiding, op verzoek van (één van) hen een beslissing te nemen omtrent de gewone verblijfplaats van het kind. Hierbij kan de dagelijkse zorg en opvoeding in meer of mindere mate bij een van de ouders komen te liggen, doch de andere ouder blijft, als gezaghebbende ouder, mede verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van het kind.

3.8.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat uit de erkenning in Nederland van voornoemde Acta de Conciliacion pard no. 163 van 19 juli 2012 voortvloeit dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de zoon] zijn belast en - hetgeen tussen partijen niet in geschil is - dat hij zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft.

Dit betekent dat het hof toekomt aan het voorwaardelijk verzoek van de vrouw te bepalen dat het gezag over [de zoon] alleen aan haar toekomt. Voor zover de man heeft gesteld dat de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk is, nu zij dit verzoek eerst in hoger beroep heeft gedaan, overweegt het hof dat dit verzoek van de vrouw, zij het impliciet, in het verweerschrift in eerste aanleg is opgenomen. Het hof acht de vrouw derhalve ontvankelijk in haar verzoek.

3.9.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.9.2.

De vrouw stelt dat partijen niet in staat zijn gezamenlijk beslissingen aangaande [de zoon] te nemen en dat de communicatie tussen hen slecht verloopt. Zij acht het niet aannemelijk dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal veranderen. Tussen partijen bestaat een groot wantrouwen, aldus de vrouw. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.9.3.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat sinds de aanvang van het gezamenlijke gezag de omstandigheden zijn gewijzigd.

3.9.4.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen van de in artikel 1:253n BW genoemde gronden voor het beëindigen van het gezamenlijk gezag voldoende aannemelijk gemaakt. Hetgeen zij aanvoert ter onderbouwing van het ontbreken van de tussen partijen benodigde communicatie en het klem raken van [de zoon], is, gelet op het verweer van de man daartegen, onvoldoende om aan te nemen dat bij voortduring van het gezamenlijk gezag er een onaanvaardbaar risico is dat [de zoon] klem of verloren zou raken tussen de ouders of wijziging van het gezag anderszins in zijn belang noodzakelijk is.

Dit maakt dat het hof van oordeel is dat er geen gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Het verzoek van de vrouw dienaangaande dient te worden afgewezen.

3.10.

Ten aanzien van de zorgregeling hebben beide partijen ter zitting gesteld gebaat te zijn bij een standaardregeling. De mondelinge behandeling is daarop enige tijd geschorst geweest teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een regeling te bereiken. Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen aan het hof verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt. Met partijen is daarop de afspraak gemaakt dat zij de bereikte overeenstemming schriftelijk aan het hof zouden bevestigen.

Bij voornoemde brief van 3 juni 2015 heeft de advocaat van de man het hof geïnformeerd over de tussen partijen gemaakte afspraken ten aanzien van de zorgregeling. Bij voornoemde brief van 4 juni 2015 heeft de advocaat van de vrouw voornoemde afspraken bevestigd, met dien verstande dat zij een wijziging voorstelt omtrent de haal - en brengregeling voor de reguliere weekend regeling van een weekend in de veertien dagen en een aanvulling op de zomervakantie van 2015.

Gelet hierop alsmede op hetgeen hierna onder rechtsoverweging 3.11.2. is opgenomen, zal het hof partijen de gelegenheid geven over voornoemde punten nadere overeenstemming trachten te bereiken. Het hof verzoekt partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking te informeren over de uitkomst hiervan.

Kinderalimentatie

3.11.1.

De man verzoekt wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie op grond van een wijziging van omstandigheden.

3.11.2.

Het hof is van oordeel dat het over onvoldoende gegevens beschikt om het verzoek van de man te kunnen beoordelen. Ter zitting is met partijen besproken dat het hof partijen in de gelegenheid zal stellen om binnen twee weken na de datum van deze beschikking de stukken in het geding te brengen die voor de beoordeling van het alimentatieverzoek noodzakelijk zijn, met afschrift daarvan aan de advocaat van de wederpartij. Partijen worden vervolgens in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken op de stukken van de wederpartij te reageren. Indien partijen hieraan geen gevolg geven, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het hof geraden acht.

Het hof zal vervolgens in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak doen.

3.12.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak PRO FORMA aanhouden tot 16 juli 2015.

3.13.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

8 juli 2014, voor zover daarbij voor recht is verklaard dat het gezag over de hierna te noemen minderjarige aan de vrouw toekomt;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de vrouw en de man gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de zoon], geboren [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] zijn belast;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verzoekt partijen het hof binnen twee weken na de uitspraakdatum nader te informeren over de bereikte overeenstemming ten aanzien van de zorgregeling;

verzoekt partijen het hof en de wederpartij binnen twee weken na de uitspraakdatum de stukken in het geding te brengen die voor de beoordeling van de eventuele wijziging van de alimentatie noodzakelijk zijn;

verzoekt partijen binnen twee weken na ontvangst van de door de wederpartij toegezonden stukken een schriftelijke reactie hierop aan het hof en de wederpartij te doen toekomen, waarna het hof in beginsel zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak zal doen;

houdt de verdere behandeling van de zaak PRO FORMA aan tot 16 juli 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en

E.L Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.