Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2188

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
HD200.145.194_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

niet te goeder trouw. Art. 3:86 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 86
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.145.194/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

Heftruckcentrum [heftruckcentrum] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. G.M. Volkerink te Kampen,

tegen

AB Cars B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.L.G. Gerrits te Waalwijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 maart 2014 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, Handelsrecht, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnissen van 15 maart 2013 en 26 februari 2014 tussen appellante -[heftruckcentrum]- als eiseres in conventie en verweerster in reconventie, en geïntimeerde -AB- als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 21 maart 2014;

  • -

    een memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, door [appellante] “conclusie van eis in hoger beroep tevens houdend akte vermeerdering van eis” genoemd;

  • -

    een memorie van antwoord.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. C/01/251043 / HA ZA 12-721)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het eindvonnis van 26 februari 2014, naar het daaraan voorafgaande tijdens de comparitiezitting uitgesproken mondeling vonnis van 15 maart 2013 en naar het vonnis van 9 januari 2013.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 26 februari 2014 feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten, voor zover niet bestreden en voor zover van belang, uitgaan.

Verder staan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. [heftruckcentrum] is een merk-dealer van nieuwe en gebruikte heftrucks. AB is een onderneming die haar bedrijf maakt van de handel in en de reparatie van personenauto’s en lichte bedrijfswagens en de handel in gebruikte en nieuwe motorvoertuigen, onderdelen en accessoires.

b. Op 27 maart 2012 heeft [appellante] als verhuurder met de onderneming AFR Trading B.V. (hierna: AFR Trading) als huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een nieuwe heftruck van het merk Nexen, type FDX35. Op grond van deze huurovereenkomst heeft [appellante] een nieuwe heftruck van dit merk en type, voorzien van registratienummer [registratienummer] (hierna: de heftruck), afgeleverd aan AFR Trading bij een bedrijfspand te [vestigingsplaats] aan de [vestigingsadres]. Bij aflevering aldaar is AFR Trading vertegenwoordigd door de heer [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading]. Op de heftruck zaten stickers met daarop vermeld contactgegevens van [appellante].

c. Op 27 april 2012 hebben [appellante] en AFR Trading vervolgens een koopovereenkomst gesloten ten aanzien van (onder meer) voormelde heftruck tegen een koopprijs van € 23.500,- (excl. BTW). Als betalingsregeling zijn die partijen daarbij overeen gekomen dat AFR Trading de helft van de koopsom per omgaande zal voldoen en de andere helft binnen 45 dagen. Ingevolge de algemene voorwaarden die op deze koopovereenkomst van toepassing zijn, rust er op de heftruck een eigendomsvoorbehoud ten gunste van [appellante].

d. AFR Trading heeft de koopsom van de heftruck in het geheel niet voldaan.

e. Op 1 juni 2012 heeft de politie een inval gedaan bij de heer [getuige 2] aan de [perceel] te [plaats] en aldaar strafvorderlijk beslag gelegd op de heftruck.

f. Bij beschikkingen van 15 juni 2013 (ten laste van AFR Trading) en 17 juni 2013 (ten laste van AB) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant aan [appellante] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte op de heftruck. Ook de verzoeken tot bewaring van de heftruck zijn toegestaan met benoeming van de executerend deurwaarder tot bewaarder.

g. Op 17 juni 2012 heeft AB aan de advocaat van [appellante] meegedeeld dat zij de heftruck op 16 mei 2012 heeft gekocht van de onderneming AFR Koeltechniek B.V. (hierna: AFR Koeltechniek) voor een prijs van € 24.000,-, inclusief btw € 28.560,-.

h. AFR Koeltechniek heeft in de persoon van een zich [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading] noemende persoon aan AB een factuur verstrekt van de koop van de vorkheftruck (productie 8 bij de door [appellante] genomen akte overlegging producties). Deze factuur bevat in strijd met art. 35a Wet OB 1968 geen vermelding van een opeenvolgend factuurnummer en geen btw-nummer van AFR Koeltechniek.

i. De inschrijvingen van AFR Trading en AFR Koeltechniek zijn wegens opheffing van de vestigingen (ambtshalve) doorgehaald bij de Kamer van Koophandel.

4.2.1

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, samengevat:

I. een verklaring voor recht dat de litigieuze heftruck haar in eigendom toebehoort;

II. veroordeling van AB tot betaling van de kosten van bewaring;

III. veroordeling van AB tot betaling van € 800,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

IV. veroordeling van AB in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten en nakosten.

4.2.2

AB heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd, samengevat:

a. een verklaring voor recht dat de litigieuze heftruck in eigendom toebehoort aan AB;

b. een bevel aan [appellante] om het door haar gelegde conservatoire beslag op te heffen en om te bewilligen in de teruggave van de heftruck aan AB, of straffe van verbeurte van een dwangsom;

c. veroordeling van [appellante] tot betaling van de kosten van bewaring,

met veroordeling van [appellante] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

4.2.3

De rechtbank heeft blijkens het proces-verbaal van comparitie bij mondeling vonnis [appellante] opgedragen te bewijzen dat de vorkheftruck door of namens AB aan [koper] te koop is aangeboden voor € 20.000,-, althans een bedrag aanmerkelijk lager dan het bedrag waarvoor AB zegt te vorkheftruck te hebben gekocht.

Bij eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] niet is geslaagd in hetgeen haar ten bewijze was opgedragen en dat ervan moet worden uitgegaan dat AB ten tijde van de koop en (af-)levering van de heftruck te goeder trouw was. De vorderingen in conventie zijn vervolgens afgewezen, de vorderingen van AB zijn toegewezen met dien verstande dat de vordering om [appellante] te veroordelen tot betaling van de kosten van bewaring zijn afgewezen.

Verder is [appellante] in de proceskosten in conventie en reconventie veroordeeld.

4.3

In haar “conclusie van eis” heeft [appellante] zeven grieven voorgedragen, haar eis vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 15 maart 2013 en 26 februari 2014, tot toewijzing van haar in eerste aanleg ingediende vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2012, tot afwijzing van de in eerste aanleg door AB in reconventie ingestelde vorderingen, met veroordeling van AB om al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan AB heeft voldaan aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellante] aan AB, met veroordeling van AB in de werkelijke kosten van de procedure in beide instanties (zowel in conventie als in reconventie), te weten € 32.565,43, te vermeerderen met nakosten ad € 131,- indien betekening van het te wijzen arrest niet, en € 199,- indien betekening van het te wijzen arrest wel noodzakelijk is.

AB heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 26 februari 2014, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep en van de eerste aanleg, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het te wijzen arrest en -voor het geval voldoening binnen de gestelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen bij niet tijdige betaling, alsmede in de nakosten voor € 131,-, dan wel indien betekening van het arrest (naar het hof begrijpt) plaatsvindt, op € 199,-, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4.4

AB heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de vermeerdering van eis, zodat het hof recht zal doen op de vermeerderde eis.

4.5.1

De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of AB ten tijde van de overdracht van de heftruck aan haar te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 lid 1 BW. [appellante] stelt van niet omdat:

a. AB geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de hoedanigheid van AFR Koeltechniek, de partij die aan AB de heftruck heeft verkocht, terwijl AFR Koeltechniek een aan AB onbekende rechtspersoon was. Ook de heer [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading], de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Koeltechniek, was een onbekende voor AB. Hierbij komt dat de heftruck telefonisch aan AB te koop werd aangeboden;

b. de aan AB aangeboden heftruck nieuw was met slechts enkele (4) draaiuren op de klok;

c. AFR Koeltechniek in haar normale bedrijfsuitoefening niet in heftrucks handelt;

d. de koopprijs van € 28.560,- contant moest worden voldaan.

e. de verkoopfactuur op twee punten niet voldoet aan de wettelijke eisen van art. 35a Wet OB;

f. op de heftruck stickers zitten met contactgegevens van [appellante];

g. het een feit van algemene bekendheid is dat werkmaterieel, waaronder heftrucks, veel worden gestolen.

4.5.2

Het antwoord op de vraag of AB als te goeder trouw kan worden aangemerkt, berust op de waardering van de omstandigheden van het geval. Goede trouw ontbreekt hierbij ook als de verkrijger, in dit geval AB, in de gegeven omstandigheden de beschikkingsonbevoegdheid van degene van wie het bezit is verkregen had behoren te kennen. Een zekere mate van oplettendheid mag worden geëist, en een zekere mate van onderzoek mag worden gevergd. Waar het één en/of het ander ontbreekt of is nagelaten, kan niet tot het oordeel worden gekomen dat de verkrijger te goeder trouw is geweest omtrent de beschikkingsbevoegdheid van degene die het bezit aan de verkrijger heeft verschaft.

In dit geval heeft het volgende te gelden.

AB heeft niet betwist dat AFR Koeltechniek voor haar een onbekende was toen AFR Koeltechniek zich telefonisch bij haar meldde en dat zij nooit eerder zaken met AFR Koeltechniek had gedaan. Enig onderzoek naar AFR Koeltechniek, onder meer naar haar normale bedrijfsuitvoering, heeft AB niet gedaan, zodat AB niet wist of zij bijvoorbeeld kocht van een bedrijf dat dergelijke heftrucks verkocht en/of gebruikte en/of verhuurde. Gesteld noch gebleken is dat AB aan [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading], eveneens een voor AB onbekende persoon, een volmacht heeft gevraagd waaruit bleek dat hij bevoegd was om AFR Koeltechniek te vertegenwoordigen. AB heeft niet gesteld nader onderzoek te hebben gedaan naar de persoon en hoedanigheid van [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading]. AB heeft niet ontkend dat de onderhavige heftruck een nieuwe heftruck betreft die slechts enkele uren had gedraaid, hetgeen het hof feiten acht die aanleiding hadden moeten geven tot het stellen van nadere vragen, in elk geval de vraag waarom een dergelijke heftruck na een zodanig kort gebruik al wordt verkocht. Gesteld noch gebleken is dat dergelijke vragen zijn gesteld. Verder wenste de verkoper, een rechtspersoon met een bankrekening in Nederland (zo blijkt uit de factuur) contante betaling van een toch niet gering te noemen bedrag van € 28.560,- inclusief btw. AB heeft niet betwist dat zich op de heftruck meerdere stickers van [appellante] bevonden. Daar waar zij heeft gesteld de heftruck te hebben geïnspecteerd en de kwaliteit voldoende te hebben bevonden (nr. 51 memorie van antwoord), had van haar een nadere onderbouwing mogen worden verwacht waarom die stickers haar niet zijn opgevallen dan wel daaraan geen aandacht is besteed. Het hof weegt hierbij mee dat de door de rechtbank gehoorde getuige [getuige 1] heeft verklaard na een telefoontje van zijn moeder in de week voor 18 mei 2012 het perceel te hebben bezocht waarop het huis van zijn moeder staat en waarop de heftruck stond, alwaar hij aantrof “(…) een truck in nieuwstaat (..) met daarop stickers van de firma [heftruckcentrum] te [vestigingsplaats] (…)”. Het hof roept hierbij in herinnering dat een zeker mate van oplettendheid mag worden verwacht. Bij gebreke aan enig onderbouwing, houdt het hof het ervoor dat AB die stickers had moeten zien, en dus bij [appellante] navraag had kunnen doen omtrent deze heftruck. Op grond van al het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat AB nader onderzoek had kunnen en moeten doen omtrent de beschikkingsbevoegdheid van AFR Koeltechniek, zodat zij, nu zij dat niet heeft gedaan, niet te goeder trouw is geweest ten tijde van de overdracht.

AB heeft nog aangevoerd dat zij de identiteit van [de natuurlijke persoon die handelde namens AFR Trading] heeft vastgesteld, dat zij heeft gehandeld conform de in haar branche gebruikelijke gang van zaken (nr. 38 memorie van antwoord), dat vele van haar transacties een eenmalig karakter hebben met telkens andere partijen (nr. 46 memorie van antwoord), dat telefonische aanbiedingen gebruikelijk zijn in de branche (nr. 47 memorie van antwoord), dat zij een redelijke prijs heeft betaald (nr. 9 memorie van antwoord), dat contant betalen voor haar gebruikelijk is (nr. 49 memorie van antwoord), en dat [appellante] zelf de heftruck ongecontroleerd uit haar handen heeft gegeven. Deze stellingen brengen het hof niet tot een ander oordeel. Het gaat in deze zaak immers vooral om de beschikkingsbevoegdheid van AFR Koeltechniek. Het enkele feit dat AB veelal onbekende en kennelijk éénmalige klanten heeft, ontslaat haar niet van haar onderzoeksplicht in een geval als dit, waar de waarde van de zaak niet gering is terwijl is gesteld noch gebleken dat veel en vaak wordt gehandeld in heftrucks als de onderhavige. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ontgaat het het hof waarom alle volgens AB aangevoerde gebruiken in de branche met zich zouden brengen dat geen nader onderzoek hoeft te worden verricht. Het antwoord op de vraag of die gebruiken inderdaad bestaan, kan het hof daarom in het midden laten. Het feit dat een redelijke prijs is betaald, weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen de hiervoor opgesomde omstandigheden die met zich brachten dat AB nader onderzoek had dienen te verrichten. Daar waar een te lage vraagprijs een omstandigheid is die mogelijk meteen wantrouwen dient op te roepen omtrent de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder, betekent een reële vraagprijs niet zonder meer dat de verkoper dus beschikkingsbevoegd is. Zo al kan worden vastgesteld dat [appellante] de heftruck lichtvaardig aan een onbekende heeft verhuurd en daarna verkocht, ziet het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet op welke wijze dat invloed heeft op het vereiste van goede trouw zijdens AB. Dit brengt met zich dat de vordering van [appellante] om voor recht te verklaren dat de heftruck haar in eigendom toebehoort, dient te worden toegewezen en de reconventionele vorderingen van AB moeten worden afgewezen.

4.5.3

AB heeft geen voldoende onderbouwd verweer gevoerd tegen de vordering tot veroordeling van haar tot betaling van de kosten van bewaring en tot betaling van € 800,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, zodat deze vorderingen voor toewijzing gereed liggen.

4.6

De vordering van [appellante] om AB te veroordelen tot betaling van de werkelijke kosten van de procedure is gebaseerd op haar stelling dat AB aantoonbaar in strijd met de waarheid heeft verklaard omtrent de wijze waarop zij het bezit van de heftruck heeft verkregen. Verder hebben, aldus [appellante], de heer [enig bestuurder van AB], enig bestuurder van AB, en [getuige 2] onder ede in strijd met de waarheid verklaard.

Het hof ziet in de door [appellante] overgelegde verklaringen van [enig bestuurder van AB] en [getuige 2] afgelegd tegenover de politie en de verklaringen zoals deze heren ten overstaan van de rechtbank hebben afgelegd inderdaad enige verschillen. Die zijn echter niet van dien aard dat daaruit kan worden geconcludeerd dat zij zich in deze procedure zodanig ten onrechte hebben beroepen op goede trouw in de zin van art. 3:86 BW dat tot het oordeel kan worden gekomen dat AB haar reconventionele vordering en/of conventionele verweer zodanig heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen dat een vordering tot betaling van de werkelijke proceskosten gerechtvaardigd is. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.7

Gelet op al het vorenstaande kunnen de grieven verder onbesproken blijven. Voor zover bewijs is aangeboden, is dit niet ter zake dienend of onvoldoende gespecificeerd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen en opnieuw recht doen zoals hierna in het dictum is vermeld.

AB heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten van de eerste aanleg en van dit hoger beroep dient te dragen. [appellante] heeft aan beslagstukken bij akte overlegging producties in eerste aanleg als productie 7 alleen overgelegd een beslagverlof van 15 juni 2012 en een beslagverlof van 17 augustus 2012. Aan de hand van alleen die stukken kunnen de beslagkosten niet met voldoende zekerheid worden begroot, zodat deze zullen worden afgewezen.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de tussen partijen op 15 maart 2013 en 26 februari 2014 in conventie en reconventie gewezen vonnissen en doet opnieuw recht als volgt:

I. verklaart voor recht dat de heftruck merk Nexen, type FDX35, registratienummer [registratienummer], waarop [appellante] conservatoir beslag tot afgifte heeft laten leggen, aan [appellante] in eigendom toebehoort;

II. veroordeelt AB tot betaling van de kosten van bewaring, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt AB tot betaling van € 800,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst het door AB in reconventie gevorderde af;

veroordeelt AB in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] in conventie worden begroot op € 575,- aan griffierecht, € 81,17 betekening dagvaarding, € 135,- kosten getuigen, € 1.808,- aan salaris advocaat en in reconventie op € 226,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 1.920 aan griffierecht, € 78,02 betekening appeldagvaarding en op € 1.158,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

veroordeelt AB tot terugbetaling aan [appellante] van al hetgeen [appellante] ter uitvoering van het hiervoor vernietigde vonnis van 26 februari 2014 heeft voldaan aan AB, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door [appellante] aan AB tot de dag van de voldoening door AB;

verklaart dit arrest wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer