Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2183

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
HD 200.134.858_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1737
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft huurster wetenschap gehad van de aanwezigheid van hennep in woonwagen op gehuurde standplaats althans heeft zij onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte? Is zij jegens verhuurder aansprakelijk is voor de gedragingen van haar ex-echtgenoot? Nu eindarrest na voorafgaande tussenarresten met nummers ECLI:NL:GHSHE:2014:1737 en ECLI:NL:GHSHE:2014:5671.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.858/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [de vrouw],

advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,

tegen

Woningstichting Maaskant Wonen,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Maaskant Wonen,

advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 10 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1737) en 30 december 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:5671) in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 373567 CV EXPL 13-1731 gewezen vonnis van 17 juli 2013.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 30 december 2014;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2015;

  • -

    de memorie na enquête van [de vrouw];

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van Maaskant Wonen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.1.

Bij het tussenarrest van 30 december 2014 heeft het hof geoordeeld dat vooralsnog toereikend bewijs aanwezig is voor de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    [de vrouw] woonde ten tijde van het aantreffen van de hennep op 13 december 2012 met haar ex-partner [ex-echtgenoot] in gezinsverband in de woonwagen op de gehuurde standplaats;

  • -

    op 13 december 2012 lagen in de woonwagen onder het bed in de ouderlijke slaapkamer: een geweer, een geluiddemper, en telescoopvizier en een zogenaamde schietpen;

  • -

    in een muurkast in de ouderslaapkamer lag een zogenaamde Bibi-gun, geschikt voor bedreiging en afdreiging;

  • -

    in een ruimte onder het bad was een plastic zak met 920 gram hennep verstopt;

  • -

    in een zwarte tas in de badkamer zat 1029 gram hennep;

  • -

    in de voorkamer lagen op de salontafel twee gripzakjes met respectievelijk 10 gram en 1 gram hennep;

  • -

    in de woonwagen werd verder een boksbeugel, een kruisboog en illegaal vuurwerk aangetroffen.

9.1.2.

Het hof heeft voorts geoordeeld:

  • -

    dat op grond van de voormelde feiten en omstandigheden vaststaat dat dat de ex-partner van [de vrouw] zich bezighield met illegale activiteiten waaronder het voorhanden hebben van wapens en bijna twee kilo hennep;

  • -

    dat op grond van het feit dat [de vrouw] met haar ex-partner in gezinsverband woonde en gelet op de veelheid van de aangetroffen illegale zaken, de conclusie gerechtvaardigd is dat [de vrouw] van deze illegale zaken, waaronder het bezit van hennep, op de hoogte was;

  • -

    dat [de vrouw] in ieder geval, mede gelet op de eerdere veroordeling van haar ex-partner voor een hennepdelict, ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van hennepbezit van haar ex-partner en maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat zij dit heeft gedaan.

Het hof heeft [de vrouw] vervolgens toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat zij op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden.

9.1.3.

Ter levering van dit tegenbewijs heeft [de vrouw] vier getuigen laten horen, te weten:

 zichzelf;

 dhr. [ex-echtgenoot], de ex-echtgenoot van [de vrouw];

 mevr. [vriendin van de vrouw], een vriendin van [de vrouw];

 dhr. [voormalig medewerker Nijbod], voormalig medewerker van Nijbod Consultancy B.V.

9.1.4.

De raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigen zijn gehoord, heeft wegens het bereiken van de in artikel 46h lid 3 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde leeftijd van 70 jaar niet aan het wijzen van dit arrest kunnen meewerken.

9.2.1.

[de vrouw] heeft als getuige verklaard, kort samengevat:

  • -

    dat zij op de dag vóór de politie-inval van 13 december 2012 naar het ziekenhuis is gegaan waar haar schoonzus geopereerd moest worden;

  • -

    dat zij haar ex-echtgenoot dhr. [ex-echtgenoot] heeft gevraagd om in haar woning op de kinderen te passen en in verband daarmee in de woning te blijven slapen;

  • -

    dat zij niet wist dat dhr. [ex-echtgenoot] zich bezig hield met hennep en dat zij niet weet waarom hij hennep en een wapen meenam om op de kinderen te passen.

9.2.2.

Het hof stelt voorop dat deze verklaring met de nodige behoedzaamheid moet worden gewaardeerd omdat [de vrouw] een direct belang heeft bij de uitkomst van de onderhavige procedure. Het hof acht deze verklaring op zichzelf onvoldoende om [de vrouw] in de levering van het tegenbewijs geslaagd te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [de vrouw] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van meerdere wapens in haar woning en voor de aanwezigheid van meerdere hoeveelheden hennep, zowel verpakt in handelshoeveelheden als in gebruikershoeveelheden, op verschillende plaatsen in haar woning. De vaststaande feiten omtrent de aangetroffen zaken duiden er geenszins op dat dhr. [ex-echtgenoot] deze zaken slechts bij zich had tijdens zijn bezoek om op de kinderen te passen.

9.2.3.

Dhr. [ex-echtgenoot] heeft als getuige verklaard, kort samengevat:

  • -

    dat hij op verzoek van [de vrouw] op de avond vóór de politie-inval in de woning is gekomen om op de kinderen te passen en om in verband daarmee in de woning te overnachten;

  • -

    dat hij het vuurwapen samen met zijn oudste zoon had gekocht in België, dat deze buks voor de zoon was en dat de zoon deze buks onder het bed van [de vrouw] had gelegd;

  • -

    dat hij de hennep had meegenomen omdat iemand de hennep ’s-avonds laat zou komen ophalen, waarna de afspraak daarvoor werd verzet naar de volgende dag;

  • -

    dat [de vrouw] daar niets van wist.

9.2.4.

Ook deze verklaring moet naar het oordeel van het hof met de nodige behoedzaamheid worden gehanteerd. Dhr. [ex-echtgenoot] heeft immers, onder meer als vader van de kinderen van [de vrouw], evenzeer een belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure. Ook de betrokkenheid van dhr. [ex-echtgenoot] bij meerdere strafbare feiten draagt niet bij aan zijn betrouwbaarheid als getuige. Tegen deze achtergrond acht het hof ook de verklaring van dhr. [ex-echtgenoot] niet toereikend om [de vrouw] in de levering van het tegenbewijs geslaagd te achten.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat met hetgeen dhr. [ex-echtgenoot] als getuige heeft verklaard over de aankoop van een buks voor zijn zoon, geen verklaring is gegeven voor de aanwezigheid in de woning van:

  • -

    een zogenaamde Bibi-gun, geschikt voor bedreiging en afdreiging;

  • -

    een boksbeugel, een kruisboog en illegaal vuurwerk;

  • -

    een geluiddemper, een telescoopvizier en een zogenaamde schietpen.

Bovendien blijkt uit de door [ex-echtgenoot] afgelegde verklaring in het geheel niet hoe lang de genoemde buks al onder het bed van [de vrouw] aanwezig is geweest. Dat [de vrouw] de aanwezigheid van dit wapen (en van de andere wapens) niet redelijkerwijs had moeten opmerken, kan daarom niet gezegd worden.

De verklaring die dhr. [ex-echtgenoot] over de hennep heeft afgelegd, acht het hof niet geloofwaardig. Diens verklaring dat hij de hennep slechts bij zich had omdat iemand deze hennep die avond zou komen ophalen, is niet goed te verenigen met het feit dat de politie niet alleen handelshoeveelheden hennep in de badkamer maar ook gebruikershoeveelheden hennep in twee gripzakjes in de woonkamer heeft aangetroffen. De aangetroffen situatie duidt veeleer op handel in hennep. Dit doet afbreuk aan de verklaring van dhr. [ex-echtgenoot]. Het hof concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat de hennep slechts op 12 en 13 december 2012 in de woning aanwezig is geweest.

9.2.5.

Wanneer de getuigenverklaringen van [vriendin van de vrouw] en [voormalig medewerker Nijbod] in de beoordeling worden betrokken, voert dat niet tot een ander oordeel. Deze verklaringen bevatten naar het oordeel van het hof niet veel relevante informatie. Uit de verklaringen blijkt niet veel meer dan dat [vriendin van de vrouw] en [voormalig medewerker Nijbod] niet op de hoogte waren van de activiteiten die dhr. [ex-echtgenoot] in het gehuurde ontwikkelde.

9.2.6.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat zowel de hennep als de wapens gedurende langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest. Naar het oordeel van het hof brengt dat in de omstandigheden van dit geval mee dat [de vrouw] redelijkerwijs van de aanwezigheid van de genoemde zaken op de hoogte heeft moeten zijn. Als zij daadwerkelijk niet op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van deze zaken, dan is zij naar het oordeel van het hof tekort geschoten in haar verplichting om voldoende toezicht uit te oefenen op de wijze waarop haar ex-echtgenoot gebruik maakte van het gehuurde. Naar het oordeel van het hof moet gelet op de omstandigheden in dit geval worden geoordeeld dat [de vrouw] zich, in het licht van de gedragingen van haar ex-echtgenoot, zelf niet als een goed huurster heeft gedragen. [de vrouw] is in haar zorgplicht voor het gehuurde tekortgeschoten door onvoldoende controle uit te oefenen op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte. Het hof concludeert dat [de vrouw] niet in de levering van het tegenbewijs geslaagd is. De grieven I tot en met VI en IX kunnen daarom geen doel treffen.

9.3.1.

Door middel van grief VII voert [de vrouw] aan dat, voor zover aan haar zijde sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, die tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Door middel van grief VIII voert [de vrouw] aan dat een belangenafweging er in dit geval toe moet leiden dat de vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen.

9.3.2.

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient de rechter verder rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. De rechter dient het woonbelang van de huurder in zijn beoordeling te betrekken. Naar het hof begrijpt, wil [de vrouw] met haar grieven VII en VIII betogen dat ontbinding van de huurovereenkomst in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd is.

9.3.3.

Het hof volgt [de vrouw] niet in dat betoog. Het is algemeen bekend dat woningcorporaties zoals Maaskant Wonen een streng anti-hennepbeleid voeren (en volgens rechtspraak kunnen voeren). In dat kader is ook van belang dat handel in hennep diverse nadelige effecten kan hebben zoals een negatieve uitstraling op de woonomgeving en verminderde verhuurbaarheid van woningen in de omgeving. Het hof merkt in dit verband nog op dat in diverse media de laatste jaren ruime aandacht is besteed aan het feit dat woningcorporaties hennepgerelateerde activiteiten niet (kunnen) tolereren. Als gevolg van het feit dat [de vrouw] onvoldoende toezicht heeft gehouden op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte, is Maaskant Wonen geconfronteerd met een politie-inval op het gehuurde, waarbij aanzienlijke hoeveelheden hennep en diverse wapens in beslag zijn genomen. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet van Maaskant Wonen worden gevergd dat zij de huur laat doorlopen. Maaskant Wonen heeft er een gerechtvaardigd belang bij de door haar gevorderde ontbinding omdat die ook een signaal kan zijn ten opzichte van andere huurders die mogelijk betrokkenheid bij hennepgerelateerde activiteiten zouden overwegen. Het "laten passeren" van de onderhavige overtreding van de huurdersverplichtingen zou het tegendeel van de beoogde precedentwerking opleveren: anderen zouden daarvan vermoedelijk met recht de indruk opdoen dat het met de sanctionering van dergelijke overtredingen "wel losloopt".

9.3.4.

Dat de beëindiging van de huurovereenkomst voor [de vrouw] en haar kinderen ingrijpend is, voert evenmin tot het oordeel dat ontbinding in dit geval achterwege moet blijven. Het ligt op de weg van [de vrouw] zelf om maatregelen te treffen om eventuele nadelige gevolgen van een ontruiming zoveel mogelijk te beperken. Voor zover [de vrouw] na ontruiming een wachttijd dient te doorlopen alvorens zij voor een te huren woonruimte in aanmerking kan komen en zij gedurende die wachttijd op inwoning bij anderen of crisisopvang is aangewezen is, is die omstandigheid weliswaar ingrijpend, maar rechtvaardigt deze niet de conclusie dat ontbinding en ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid achterwege zouden moeten blijven. Het is verder aan [de vrouw] om de nadelige financiële gevolgen van de ontruiming zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door de op de gehuurde standplaats aanwezige woonwagen te verkopen en over te dragen aan een nieuwe huurder van de standplaats.

9.3.5.

Om bovenstaande redenen verwerpt het hof de grieven VII en VIII. De door de grieven aangevochten beslissingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling van [de vrouw] tot ontruiming van het gehuurde blijven dus in stand.

9.4.

Door middel van grief X, voor zover in het voorgaande nog niet behandeld, voert [de vrouw] aan dat de ontruimingstermijn van twee weken die de kantonrechter in het beroepen vonnis heeft gehanteerd onredelijk kort is. Bij een beoordeling van deze grief heeft [de vrouw] naar het oordeel van het hof geen belang omdat uit de memorie van grieven niet blijkt dat Maaskant Wonen [de vrouw] aan deze termijn heeft gehouden. Uit de bij de memorie van antwoord overgelegde productie 6 blijkt bovendien dat partijen in overleg een regeling hebben getroffen waarbij aan [de vrouw] een aanzienlijk ruimere ontruimingstermijn is gegund. Het hof verwerpt daarom grief X.

9.5.

Omdat geen van de grieven tot vernietiging van het vonnis van 17 juli 2013 leidt, zal het hof dat vonnis bekrachtigen. Het hof zal [de vrouw] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal deze kostenveroordeling, zoals door Maaskant Wonen gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 373567 CV EXPL 13-1731 tussen partijen gewezen vonnis van 17 juli 2013;

veroordeeld [de vrouw] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Maaskant Wonen tot op heden begroot op 683,-- aan vast recht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer