Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2182

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
HD200.130.117_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen (voldoende duidelijke) grieven

verweer is geen grondslag van de vordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.117/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

[appellant] en [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal appel, geïntimeerden in het incidenteel appel,

advocaat: mr. C.A.D. Oomes te Son en Breugel,

tegen

[erfgename] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

advocaat: mr. C.A.M.H. Vink te ‘s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juni 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, handelsrecht, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 20 maart 2013 (in het hoofd van het vonnis is vermeld “20013”) tussen appellanten -[appellanten]- als eisers, en geïntimeerde -[erfgename]- als gedaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    een memorie van grieven (omvattende eiswijziging);

  • -

    een memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    een memorie van antwoord in incidenteel appel.

Nadat [erfgename] arrest heeft gevraagd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/01/226372 / HA ZA 11-304)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 20 maart 2013 en naar de daaraan voorafgegane vonnissen gewezen door de toenmalige rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector civiel recht van 15 juni 2011 en 23 maart 2011 onder zaaknr/rolnr. 226372 / HA ZA 11-304.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de bezwaren tegen het beroepen vonnis wordt verwezen naar de betreffende memories.

4 De beoordeling in het principaal en incidenteel appel

4.1

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 15 juni 2011 feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten, die niet zijn bestreden, uitgaan. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten voor zover relevant.

a. [appellanten] wonen op het adres [adres] te [plaats] (hierna “de woning”). Zij zijn de ouders van [de zoon] (hierna: [de zoon]). [de zoon] is op [overlijdensdatum] 2006 overleden. [erfgename] is weduwe en erfgenaam van [de zoon].

b. Appellant [appellant] (hierna [appellant]) exploiteerde in de jaren negentig een lasbedrijf. Op 17 mei 1995 verkeerde [appellant] in staat van faillissement. Tot de failliete boedel behoorde de woning met toebehoren.

c. Om ervoor te zorgen dat [appellanten] in de woning konden blijven wonen – ondanks het faillissement –, heeft [de zoon] de blote eigendom van de woning gekocht en is deze op 17 mei 1995 door de curator (met toestemming van de rechter-commissaris) aan [de zoon] geleverd. In de akte van levering, tevens akte van vestiging van het recht van gebruik en het recht van bewoning ex artikel 3:226 BW (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg), is onder meer vermeld:

“(…)

Op zeventien mei negentienhonderdvijfennegentig verschenen voor mij, [notaris], notaris (…):

1. de (…) gevolmachtigde van de heer Mr. Jan van IJperenburg, advocaat, (…) in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [appellant] (…) in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [appellante] (het hof leest “[appellante]”), hierna genoemd: verkoper (…)

2. de heer [de zoon] (…), gehuwd, hierna genoemd: koper.

(…)

Verkoper heeft blijkens een met koper aangegane overeenkomst van koop en verkoop, gedateerd november negentienhonderdvierennegentig, aan koper verkocht onder beding tot voorbehoud van na te melden beperkte zakelijke rechten van gebruik en bewoning, en levert op grond daarvan onder voorbehoud van die rechten aan koper, die (…) van verkoper onder gemeld beding en voorbehoud heeft gekocht en bij deze aanvaardt:

Het woonhuis met berging, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [plaats], [adres] (…)

Koopprijs/kwijting

Het verkochte is (…) gewaardeerd op een onderhandse verkoopwaarde (…) van (…) f. 110.000,00 (…)

waarde rechten van gebruik en bewoning

Gezien de leeftijd van verkoper hebben gemelde beperkte zakelijke rechten van gebruik en bewoning een waarde van (…) 13 x 6% of (…) 78% van (…) f. 110.000,00 of (…) f. 85.800,00.

De koopprijs bedraagt derhalve op grond van het vorenstaande (…) f. 24.200,00, welk bedrag door koper is voldaan door storting op een rekening van de notaris evenals een bedrag ad (…) f. 5.800,00 ter betaling in de boedel van gemeld faillissement.

(…)

Vestiging van de beperkte rechten van gebruik en bewoning

Koper heeft verleend aan verkoper en zijn echtgenote, die zulks hebben aanvaard, het recht van gebruik en het recht van bewoning van het verkochte op de voet van artikel 226 Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

(…)”

d. Het faillissement van [appellant] is in 1995 of 1996 geëindigd.

e. In 2005 hebben [appellanten] € 60.000,- geleend van de Postbank N.V. [appellanten] en [de zoon] hebben ter zekerheid voor deze lening een hypotheekrecht verleend op de woning ten gunste van de Postbank N.V. [appellanten] hebben de woning verbouwd en een nieuwe auto gekocht.

f. Zowel voor als na het verstrekken van het hypotheekrecht in 2005 betaalden [appellanten] de hypotheeklasten en overige kosten verbonden aan de woning.

4.2.1

[appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [erfgename] zal veroordelen om binnen één maand na betekening van het vonnis de blote eigendom van de woning (terug) te leveren aan [appellanten], op straffe van een dwangsom;

II. [erfgename] zal veroordelen om binnen één maand na betekening van het vonnis medewerking te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de woning door middel van het doen verlijden van een notariële akte van transport, ten overstaan van een door [appellanten] aan te wijzen notaris, en [erfgename] te gebieden daartoe te verschijnen op een door de aan te wijzen notaris te bepalen tijd, datum en plaats ten einde aldaar mede te werken aan het passeren van de desbetreffende leveringsakte, met machtiging van deze notaris om indien [erfgename] op genoemde datum, tijd en plaats niet mocht verschijnen, en indien [erfgename] mocht weigeren aan het transport mede te werken, het transport te bewerkstelligen;

III. zal bepalen dat, ingeval [erfgename] niet binnen de hiervoor gestelde termijn voldoet aan haar verplichting om uitvoering te geven aan haar verplichting tot levering van de in de dagvaarding omschreven woning, het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte en dat het vonnis in de plaats treedt van een dergelijke akte tot levering van de in de dagvaarding omschreven blote eigendom van de woning;

IV. [erfgename] zal veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief de beslagkosten.

4.2.2

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 juni 2011 overwogen dat partijen het erover eens zijn dat het de bedoeling was dat [appellanten] na het faillissement de blote eigendom van de woning konden terugkrijgen (r.o. 4.6). Partijen zijn het er, aldus de rechtbank, niet over eens dat [appellanten] en [de zoon] hebben afgesproken dat [appellanten] na het faillissement op eerste verzoek en “met gesloten beurzen” de blote eigendom van de woning teruggeleverd zouden krijgen. De rechtbank heeft vervolgens in het tussenvonnis van 15 juni 2011 [appellanten] opgedragen te bewijzen dat zij met [de zoon] de mondelinge afspraak hebben gemaakt dat zij na beëindiging van het faillissement van [appellant] op hun verzoek de blote eigendom van de woning teruggeleverd zouden krijgen met gesloten beurzen, dat wil zeggen met betaling van de notariskosten, overdrachtsbelasting en andere aan de overdracht verbonden kosten door [appellanten]

Bij eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de te bewijzen mondelinge afspraak niet is komen vast te staan, en heeft zij de vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

4.3

[appellanten] vorderen, na wijziging eis bij memorie van grieven, in dit hoger beroep in het principaal appel vernietiging van het vonnis van 20 maart 2013 en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

Primair:

I. veroordeling van [erfgename] om binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest de blote eigendom van de woning (terug) te leveren aan [appellanten] op straffe van een dwangsom, onder de verplichting voor [appellanten] om bij gelegenheid van de levering de overdrachtsbelasting en kosten van de notaris te voldoen;

II. veroordeling van [erfgename] om binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest medewerking te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de woning;

III. te bepalen dat het te wijzen arrest dezelfde kracht heeft als een opgemaakte akte ingeval [erfgename] niet voldoet aan genoemde verplichtingen;

Subsidiair:

I. Veroordeling van [erfgename] om binnen twee maanden na betekening van het te wijzen arrest de blote eigendom van de woning (terug) te leveren aan [appellanten] op straffe van een dwangsom, onder de verplichting voor [appellanten] om bij gelegenheid van de levering de overdrachtsbelasting en kosten van de notaris te voldoen en om aan [erfgename] te voldoen € 13.613,41 te vermeerderen met een door het hof te bepalen bedrag ter zake van door [erfgename] gederfde bankrente;

II. veroordeling van [erfgename] om binnen een maand na betekening van het te wijzen arrest medewerking te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de woning, doch uitsluitend ingeval van betaling aan [erfgename] van het subsidiair onder I. genoemde bedrag;

III. te bepalen dat het te wijzen arrest dezelfde kracht heeft als een opgemaakte akte ingeval [erfgename] niet voldoet aan genoemde verplichtingen, en met behoud van de verplichtingen van [appellanten] zoals hiervoor onder subsidiair sub I vermeld;

Meer subsidiair:

I. Veroordeling van [erfgename] om binnen twee maanden na betekening van het te wijzen arrest de blote eigendom van de woning (terug) te leveren aan [appellanten] op straffe van een dwangsom, onder de verplichting voor [appellanten] om bij gelegenheid van de levering de overdrachtsbelasting en kosten van de notaris te voldoen en om aan [erfgename] te voldoen een bedrag gelijk aan de waarde van de blote eigendom, die bij gebrek aan overeenstemming wordt vastgesteld door een door het hof aan te wijzen deskundige, en die deskundige gaat uit van a) de vrije verkoopwaarde zonder rekening te houden met de door [appellanten] aangebrachte verbeteringen en b) voor het aandeel van de blote eigendom in de volle eigendom geldt als uitgangspunt de tabel als bedoeld in art. 5 Uitvoeringsbesluit Successiewet, rekening houdend met de leeftijd van [appellanten] op het moment van overlijden van [de zoon], althans op 16 september 2010 en afhankelijk van het leven van de langstlevende van [appellanten];

II. veroordeling van [erfgename] om binnen twee maanden na betekening van het te wijzen arrest medewerking te verlenen aan de levering van de blote eigendom van de woning, doch uitsluitend ingeval van betaling aan [erfgename] van het onder I. meer subsidiair genoemde bedrag;

III. te bepalen dat het te wijzen arrest dezelfde kracht heeft als een opgemaakte akte ingeval [erfgename] niet voldoet aan genoemde verplichtingen, en met behoud van de verplichtingen van [appellanten] zoals hiervoor onder I. meer subsidiair vermeld,

dit alles telkens onder veroordeling van [erfgename] in de kosten van beide instanties en de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

In het incidenteel appel concluderen zij tot niet-ontvankelijkverklaring van [erfgename], althans tot afwijzing van dit appel, met veroordeling van haar in de proceskosten.

4.4

[erfgename] vordert in de door haar genomen memorie dat het hof de aangevallen vonnissen van de rechtbank zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedures in beide instanties en met bepaling dat [appellanten] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn indien deze kosten niet binnen 8 dagen na betekening van het arrest zijn voldaan, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de executie van het te wijzen arrest, te vermeerderen met nakosten à € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 199,- (met betekening).

4.5

[erfgename] heeft in haar memorie niet met zoveel woorden grieven geformuleerd. Het hof leest verder in haar memorie geen voldoende gemotiveerde bezwaren die kunnen worden aangemerkt als grieven of waaruit voldoende duidelijk blijkt tegen welk oordeel of oordelen van de rechtbank [erfgename] bezwaar heeft. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat [erfgename] in haar incidenteel appel geen grieven heeft voorgedragen noch op andere wijze voldoende duidelijk heeft gemaakt welke bezwaren zij tegen een of meer door de rechtbank gegeven oordelen heeft. Het hof zal haar daarom niet-ontvankelijk verklaren in het incidenteel appel. Het hof wijst er in dit verband nog op dat [erfgename] evenmin vernietiging heeft gevorderd van enig door de rechtbank gegeven oordeel. Het hof zal [erfgename] veroordelen in de kosten van het incidenteel appel nu zij in dat appel heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij.

4.6

[erfgename] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerderde eis, zodat het hof, dat ambtshalve evenmin bezwaar heeft, recht zal doen op de door [appellanten] vermeerderde eis.

4.7

[appellanten] hebben evenmin met zoveel woorden grieven voorgedragen. Zij hebben in hun memorie geen, in elk geval niet voldoende duidelijke, bedenkingen geuit tegen enig door de rechtbank in het tussenvonnis van 15 juni 2011 gegeven oordeel, zodat het hof dient uit te gaan van hetgeen in dat tussenvonnis is beslist. [appellanten] hebben evenmin voldoende duidelijk omschreven bedenkingen geuit tegen de waardering van de verklaringen van de door de rechtbank gehoorde getuigen, zodat het hof er eveneens van dient uit te gaan dat hun in eerste aanleg geformuleerde vordering terecht is afgewezen. Gelet op dit alles, dient hetgeen [appellanten] in dit hoger beroep primair vorderen, in elk geval te worden afgewezen. Die primaire vordering is immers een herhaling van hun in eerste aanleg afgewezen vordering, tegen welke afwijzing zij geen, in elk geval niet voldoende duidelijke grieven hebben gericht.

4.8

[appellanten] stellen ook in dit hoger beroep enkel dat zij met [de zoon] zijn overeengekomen dat de teruglevering van de blote eigendom met gesloten beurzen zou geschieden (zie onder meer de nrs. 4.3 en 4.6 van hun memorie van grieven). Aan hun subsidiaire en meer subsidiaire vordering leggen zij niet ten grondslag dat zij met [de zoon] zijn overeengekomen dat hij de blote eigendom zou terugleveren tegen betaling door hen van, subsidiair, € 13.613,41 (de tegenwaarde van fl. 30.000,-) of, meer subsidiair, van de marktprijs. Zij stellen slechts bereid te zijn een en ander aldus te doen indien de gedachte van [erfgename] moet worden gevolgd. Daarmee miskennen zij dat een verweer van [erfgename] niet de grondslag van hun vordering kan vormen. Het is, gelet op hetgeen [appellanten] vorderen, aan hen om een grondslag voor die vordering te stellen. Bij gebreke van een door hen gestelde grondslag waarop hun subsidiaire of meer subsidiaire vordering kan worden toegewezen, dienen ook deze vorderingen te worden afgewezen.

4.9

Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [appellanten] ook in dit hoger beroep moeten worden afgewezen en het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd. Voor zover bewijs is aangeboden, is dit niet ter zake dienend, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

[appellanten] hebben in het principaal appel te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten daarvan dienen te dragen.

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen op 20 maart 2013 gewezen vonnis;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep, voor zover aan de zijde van [erfgename] gerezen begroot op € 683,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat en bepaalt dat [appellanten] de wettelijke rente over de proceskosten zijn verschuldigd indien deze kosten niet binnen 8 dagen na betekening van dit arrest zijn voldaan, en veroordeelt [appellanten] in de kosten van de executie van dit arrest te vermeerderen met de nakosten á € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 199,- (met betekening);

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel hoger beroep:

verklaart [erfgename] niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt [erfgename] in de kosten van dit hoger beroep, voor zover aan de zijde van [appellanten] gerezen begroot op € 447,- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer