Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2176

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
HD200.123.568_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:32, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Productaansprakelijkheid. Vrachtauto in verkeer gebracht? Ondeugdelijke uitlaat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.568/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

Daf Trucks N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. A.C. van Schaick te Tilburg,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, Handelsrecht, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 16 januari 2013 tussen appellante -Daf- als gedaagde, en geïntimeerde -Achmea- als eiseres.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 5 maart 2013;

  • -

    een memorie van grieven, waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    een memorie van antwoord.

Nadat partijen vervolgens arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 238231 / HA ZA 11-1588)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 16 januari 2013 en naar het door de toenmalige rechtbank ’s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 14 maart 2012.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 16 januari 2013 feiten vastgesteld. Het hof zal van die feiten, voor zover niet bestreden, uitgaan. Verder staan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. De vrachtauto, Trekker (hierna “de auto) merk DAF, type [typenummer] met het latere kenteken [kentekennummer] (de rechtbank heeft per abuis “[nummer 1]” in plaats van “[nummer 2]” vermeld; zie echter het hierna te noemen rapport van [de expert] evenals de hierna te noemen polis) is door DAF in 2003 geproduceerd en geleverd aan Daf Trucks Deutschland GmbH. Deze vennootschap heeft de auto geleverd aan [bedrijf 1] GmbH, welke vennootschap de auto heeft geleverd aan [bedrijf 2] GmbH. [bedrijf 2] GmbH heeft de auto geleverd aan Bemo Bedrijfswagens B.V.

b. Bemo Bedrijfswagens B.V., Bemo B.V. en Loven Trucks Helmond B.V. zijn dochters van Loven Beheer B.V. Loven Beheer B.V. zal hierna worden aangeduid als Loven.

c. Loven heeft met ingang van 1 november 2007 met Achmea als verzekeraar een verzekeringsovereenkomst gesloten via de tussenpersoon Aon betreffende een wagenpark. Op het polisblad (productie 13 antwoordakte Achmea) staat als verzekeringnemer vermeld “Bemo - Loven Beheer B.V.”, een niet bestaande rechtspersoon. Op het polisblad staat onder meer de auto vermeld als verzekerd motorrijtuig.

d. De auto is op 26 februari 2008 in de buurt van [plaats] in brand gevlogen. De oorzaak van de brand was dat zich links onder de cabine vuil had opgehoopt tussen de uitlaatdemper en het spatscherm, dat als gevolg van de hoge uitlaattemperatuur vlam heeft gevat. Op het moment van de brand had Bemo Bedrijfswagens de auto verhuurd aan [de chauffeur], die er stro en compost mee vervoerde.

e. Op 7 maart 2008 heeft [de expert] van CED Bergweg B.V. een rapport van expertise uitgebracht. Daarin schat hij de schade op basis van totaal verlies van de auto op € 29.000,- exclusief btw.

f. Op 7 juli 2008 heeft Achmea via Aon € 26.750,- gestort op de bankrekening van Bemo Bedrijfswagens B.V. waarbij is vermeld “Bemo & Loven Beheer B.V.” (productie 14 antwoordakte Achmea) onder vermelding van Loven als begunstigde. Op het bedrag van de totale schade van € 29.000,- is een bedrag van € 2.250,- wegens eigen risico in mindering gebracht.

g. Bij brief van 9 juni 2010 heeft Achmea Daf voor € 26.750,- aansprakelijk gesteld.

4.2

Achmea heeft in eerste aanleg en na wijziging van eis gevorderd dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad Daf zal veroordelen om aan haar te betalen in totaal € 33.860,23, zijnde de optelsom van een zevental in dat vonnis nader omschreven posten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf verschillende nader vermelde data en proceskosten vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 dagen na het te wijzen vonnis.

De rechtbank heeft, met afwijzing van het meer of anders gevorderde, Daf veroordeeld tot betaling van in totaal € 31.187,84, bestaande uit € 26.750,- wegens schade aan de auto (€ 29.000,- min € 2.250,- eigen risico), € 2.250,-, zijnde het genoemde eigen risico dat Achmea in de onderhavige procedure in opdracht van Bemo Bedrijfswagens B.V. op Daf moest verhalen, € 399,84 wegens kosten rapport [de expert] en € 1.788,- wegens buitengerechtelijke incassokosten, een en ander vermeerderd met de wettelijk rente. Daf is verder veroordeeld in de proceskosten.

4.3

Daf vordert in dit hoger beroep onder het voordragen van 9 grieven dat het hof het vonnis van 16 januari 2013 zal vernietigen, de vorderingen van Achmea zal afwijzen en haar zal veroordelen tot terugbetaling aan Daf van € 41.953,34, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van Achmea in de kosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten van € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 205,- (met betekening) en met de wettelijke rente over deze kosten als ze niet binnen 14 dagen na de dag van uitspraak van het arrest zijn voldaan.

Achmea heeft alle grieven behoudens de eerste bestreden.

4.4

In haar eerste grief bestrijdt Daf de juistheid van enkele door de rechtbank onder 2.2 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis opgenomen vaststaande feiten. Achmea heeft in haar memorie van antwoord erkend dat de rechtbank die feiten ten onrechte als vaststaand heeft opgenomen. Het hof heeft hiervoor in r.o. 4.1 die feiten voor zover onjuist niet vermeld, en verder de juiste feiten wel opgenomen. Het hof merkt voor de volledigheid nog op dat het hof begrijpt dat Daf niet betwist dat “Bemo - Loven Beheer B.V.” en/of “Bemo & Loven Beheer B.V.” “werktitels” zijn voor Loven. Daf heeft niet gesteld of erkend dat de verklaring voor deze werktitel zou zijn dat dochter Bemo B.V. de administratie van Loven verzorgde.

4.5

In haar tweede grief stelt Daf aan de orde, kort gezegd, dat Achmea ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg geen rechthebbende was van de vordering van € 26.750,-. Voor zover Achmea door middel van cessie rechthebbende is geworden van de vordering van € 26.750,-, is dit geschied in juli 2012, dus na het uitbrengen van de dagvaarding op 11 oktober 2011. Verder blijkt uit de dagvaarding in eerste aanleg niet dat Achmea als gemachtigde van Bemo Bedrijfswagens B.V. optrad voor wat betreft de vordering van € 2.250,-. Ook de opdracht tot inning van het bedrag van € 2.250,- is gegeven bij akte van juli 2012, dus eveneens na het uitbrengen van de dagvaarding. Dit betekent, aldus Daf, dat Achmea ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geen belang had. Deze omissie kan niet worden hersteld door een latere cessie en/of opdracht. Verder betoogt Daf in deze grief dat Achmea niet is gesubrogeerd in de rechten van Bemo Bedrijfswagens B.V.

Het hof oordeelt als volgt.

Achmea heeft haar vordering ter zake het bedrag van € 26.750,- bij dagvaarding in eerste aanleg gegrond op de stelling dat zij is gesubrogeerd, en dat die vordering om die reden tot haar vermogen behoort. Gelet daarop was Achmea vanaf de aanvang van de procedure ontvankelijk. Vervolgens heeft Achmea bij conclusie van repliek gesteld dat de vordering ad € 26.750,- tevens krachtens cessie tot haar vermogen is gaan behoren, met als cedent Loven Beheer B.V. en Bemo Bedrijfswagens B.V. Daarmee heeft zij in het kader van art. 130 Rv slechts de grondslag van haar vordering uitgebreid, waarbij het hof erop wijst dat Achmea in het hoofd van haar conclusie van repliek tevens heeft vermeld “akte wijziging eis”. Een dergelijke uitbreiding is niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, ook niet indien deze cessie is geschied nadat de dagvaarding reeds is uitgebracht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat Achmea de vordering voor wat betreft het bedrag van € 26.750,- reeds in eerste aanleg op twee verschillende grondslagen heeft doen steunen, en dus in elk geval op grond van de gestelde cessie voor inhoudelijke beoordeling in aanmerking komt. De vraag of Achmea al dan niet ook krachtens subrogatie met succes de onderhavige vordering kan instellen, hoeft daarmee niet te worden beantwoord.

Ter zake de vordering van het bedrag van € 2.250,- heeft Achmea bij de dagvaarding in eerste aanleg in nr. 15 vermeld dat zij tevens de schade vordert die voor rekening van Bemo Loven Beheer bleef, waarbij Achmea als productie 9 bij dagvaarding heeft overgelegd een door Bemo & Loven Beheer B.V. verleende volmacht om het eigen risico van € 2.250,- dat “voor rekening van Bemo bleef inzake de schadegebeurtenis (…) waarbij de (…) auto (…) door brand beschadigd raakte, te verhalen”. Uitleg van een en ander aan de hand van strenge eisen (zie HR 22 oktober 2004, NJ 2004, 202) brengt het hof tot het oordeel dat reeds bij dagvaarding in eerste aanleg voldoende duidelijk was dat Achmea tevens optrad in de hoedanigheid van gevolmachtigde van een conglomeraat zich noemende Bemo & Loven Beheer B.V., waartoe in elk geval behoorde Bemo, zijnde Bemo Bedrijfswagens B.V. De rechtbank heeft Achmea dan ook terecht in haar vordering ontvangen, zodat de tweede grief faalt.

4.5

In haar derde grief voert Daf aan dat zij de auto niet in het verkeer heeft gebracht. Zij heeft de auto aan Daf Trucks Deutschland GmbH overgedragen om deze GmbH in staat te stellen de auto te verkopen, en niet om deze GmbH in staat te stellen de auto te gebruiken. Het verkoopproces is dus pas aangevangen bij Daf Trucks Deutschland GmbH, aldus Daf.

Vaststaat dat Daf de auto volledig heeft geproduceerd en zodanig heeft afgemaakt dat zij zonder noemenswaardige toevoegingen aan het publiek kon worden aangeboden, waarbij het ook de bedoeling was om de auto aan het publiek aan te bieden. Het antwoord op de vraag of Daf vervolgens de auto rechtstreeks zelf aan het publiek heeft aangeboden, dan wel de auto aan een derde heeft aangeboden, in dit geval Daf Trucks Deutschland GmbH, met het doel dat deze derde de auto aan het publiek zou aanbieden en verkopen doet niet af aan het feit dat Daf de auto volledig heeft geproduceerd met de bedoeling dat deze direct dan wel via een verkoopkanaal bij het publiek terecht zou komen. Daarmee heeft Daf de auto zodanig in het verkeer gebracht dat dit onder het bereik van art. 6:162 BW valt, waarmee de derde grief faalt.

4.6

De vierde en zesde grief van Daf lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. In deze grieven voert Daf aan dat de rechtbank een te algemene en te zware maatstaf heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag op welke wijze een auto als de onderhavige geconstrueerd dient te zijn en dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het gestelde onrechtmatig handelen aan Daf kan worden toegerekend.

Het hof overweegt als volgt.

Het in het verkeer brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het is bestemd, schade veroorzaakt, is onrechtmatig. Een product behoort de veiligheid te bieden die de gebruiker gerechtigd is te verwachten, alle omstandigheden in aanmerking nemende. Een zaak behoort verder die eigenschappen te bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.

De onderhavige zaak betreft een auto die is bedoeld voor het vervoer van (uiteenlopende soorten) lading over de openbare weg. Gesteld noch gebleken is dat de auto, een trekker, niet aan de te laden aanhangwagen gekoppeld mag blijven op het moment dat die aanhangwagen wordt geladen. Gelet daarop mogen hoge veiligheidseisen worden gesteld, onder meer wat betreft de kwaliteit van te treffen maatregelen die voorkomen dat resten van lading en/of ander vuil zich ophopen op brandgevaarlijke plekken. De gebruiker van zo’n auto mag verwachten dat bij de constructie daarvan rekening is gehouden met het feit dat de auto in het gebruik, dus ook tijdens het laden van de aanhangwagen, vervuild raakt met (brandbare) losse deeltjes van de lading en/of ander vuil en dat de auto zodanig is geconstrueerd dat bij normaal gebruik daarvan brandbare materialen passend bij normaal gebruik zich niet kunnen ophopen nabij hete onderdelen van de auto (in casu was de oorzaak van de brand het feit dat zich links onder de cabine vuil had opgehoopt tussen de uitlaatdemper en het spatscherm, welk vuil als gevolg van de hoge uitlaattemperatuur vlam heeft gevat, zie r.o. 4.1 sub d). In elk geval mag worden verwacht dat eventueel contact tussen dit brandbaar materiaal en hete onderdelen van de trekker niet tot brand kan leiden. Vaststaat dat de onderhavige brand is ontstaan doordat brandbaar vuil zich kon ophopen onder de cabine tussen de uitlaatdemper en het spatscherm. Naar het oordeel van het hof mag een gebruiker echter van een producent als Daf verwachten dat de door Daf gemaakte auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan - het na belading vervoeren van onder meer droge en brandbare producten - nodig is, en niet dat opgehoopt vuil, al dan niet afkomstig van de lading van de auto als gevolg van de constructie in brand kan raken.

Het hof begrijpt dat Daf van mening is dat geen sprake is geweest van normaal gebruik omdat brandgevaarlijke lading tijdens het laden en lossen in grote hoeveelheden terecht is gekomen op plaatsen die niet voor het vervoer van die lading waren bestemd, en daar niet is weggehaald. Dat doet aan het vorenstaande niet af. Niet alleen omdat laden en lossen een gebruikelijke bezigheid is bij auto’s als de onderhavige, maar ook omdat juist als een auto wordt gebruikt voor het vervoeren van allerlei soorten vracht van een producent mag worden verwacht dat maatregelen worden genomen die voorkomen dat zich grote hoeveelheden brandbare lading kunnen ophopen op brandgevaarlijke plaatsen, nog daargelaten dat Daf onvoldoende concreet heeft gesteld wat zij verstaat onder “grote hoeveelheden”.

Het hof neemt verder in aanmerking dat DAF kennelijk al voor 2008 aanleiding heeft gezien haar dealers in te lichten omtrent de eventuele brandgevaarlijkheid in de omgeving van het uitlaatsysteem bij (onder meer) vrachtauto’s van het type [typenummer] (zie productie 3 en 4 bij inleidende dagvaarding en productie 7 conclusie van antwoord). Voorts heeft DAF blijkens de net genoemde producties haar dealers geschreven om klanten de mogelijkheid te bieden een afdekplaat te laten monteren op kosten van Daf. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de afgeleverde auto niet die veiligheid heeft geboden die de gebruiker, met inachtneming van alle omstandigheden, gerechtigd is te verwachten en/of niet die eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. De stelling van Daf dat zich bij slechts 0,03% van de door haar geproduceerde auto’s schroei- of brandschade heeft voorgedaan, maakt dit niet anders, alleen al niet omdat het hof begrijpt dat het antwoord op de vraag of zich dergelijke schade voordoet, mede afhangt van de aard van de lading en dus niet elke auto wordt geladen met zaken als stro of ander licht ontvlambaar materiaal waarvan (kleine) deeltjes bij het laden kunnen wegwaaien.

Het hof gaat verder voorbij aan de stelling van Daf dat de gebruiker heeft gezien en heeft laten gebeuren dat tijdens het laden of lossen van stro, brandbaar materiaal, zoveel materiaal is geknoeid dat het zich heeft opgehoopt in de nabijheid van een hittebron als de uitlaatdemper omdat die stelling niet, niet voldoende feitelijk is onderbouwd. Het enkele feit dat zichtbaar moet zijn geweest dat er een brandgevaarlijke situatie bestond, zoals Daf heeft aangeboden te bewijzen, doet hier evenmin aan af, omdat een dergelijk feit onverlet laat het vereiste dat een gebruiker niet hoeft te verwachten dat zich nabij een potentiële brandhaard als een uitlaatdemper, zodanig veel vuil kan ophopen dat brand ontstaat. Het hof gaat dan ook voorbij aan dit aanbod als niet relevant. Daf heeft in het kader van deze grieven nog verwezen naar een bij dupliek door haar overgelegde getuigenverklaring van [directeur transportbedrijf], directeur van een transportbedrijf. Die verklaring leidt niet tot een ander oordeel. [directeur transportbedrijf] heeft weliswaar verklaard dat je een domoor bent als je na lezing van de technische instructie (TI) controleren uitlaatsysteem er vervolgens niets mee doet. Gesteld noch gebleken is echter dat [de chauffeur] en/of Bemo Bedrijfswagens B.V. deze TI hebben ontvangen en gelezen. Verder blijkt uit zijn verklaring dat ook hij het onderhavige probleem niet eerder onderkende dan nadat er al brand was geweest. Hij heeft immers verklaard “Ter plaatse van het spatbord zou het een koud kunstje zijn geweest om met het luchtpistool de zaak schoon te spuiten. Sinds dat we dit probleem weten, na de brand, gebeurt dat ook.”

Dit betekent dat beide grieven falen.

4.7

In haar vijfde grief voert Daf aan dat zij Loven Trucks B.V., een Daf-dealer waarbij Bemo Bedrijfswagens B.V. haar auto’s in onderhoud had, erop heeft geattendeerd dat er in geval van vuilophoping bij de uitlaatdemper een brandrisico ontstond.

Deze grief ziet eraan voorbij dat het in deze zaak niet gaat om de eventueel door Daf getroffen maatregelen richting derden zoals haar dealers. De onderhavige zaak betreft de vraag of Daf een gebrekkig product in de zin van art. 6:162 BW in het verkeer heeft gebracht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bemo Bedrijfswagens B.V., een gebruiker van dit product waarmee Daf, voor zover het dit geschil betreft, geen contractuele band heeft. Zelfs indien Loven Trucks B.V. een dochteronderneming is van Loven, en een zusteronderneming van Bemo Bedrijfswagens B.V. (hetgeen overigens in grief 5 noch in de toelichting daarop wordt aangevoerd), brengt dit nog niet mee dat een mogelijke onzorgvuldigheid in de uitvoering van waarschuwingen en aanbevelingen van Daf aan Loven Trucks B.V. door laatstgenoemde, relevant zijn in de rechtsbetrekking op grond van onrechtmatige daad tussen Daf en Bemo Bedrijfswagens B.V., welke thans aan de orde is. Kort gezegd: er zijn onvoldoende feiten aangevoerd en komen vast te staan op grond waarvan een mogelijk onzorgvuldig gehoor geven aan waarschuwingen en/of het mogelijk onzorgvuldig uitvoeren van aanbevelingen van Daf aan Loven Trucks B.V. geheel of gedeeltelijk voor rekening van Bemo Bedrijfswagens B.V. moet komen. Daarmee faalt ook grief 5.

4.8.1

In grief 7 voert Daf aan dat de schade geheel of gedeeltelijk te wijten is aan eigen schuld van [de chauffeur] en/of Bemo Bedrijfswagens B.V. Er is sprake geweest van onzorgvuldig gebruik omdat de gebruiker zoveel stro onder de cabine tussen de uitlaatdemper en het spatscherm heeft laten ophopen dat er brand is ontstaan die voldoende langdurig en intens was om de auto in brand te laten raken. Verder dient, aldus Daf, de nonchalance van Loven Trucks B.V. voor rekening en risico van haar zuster Bemo Bedrijfswagens B.V. te komen. Loven Trucks B.V. had de auto in onderhoud en is voor de brand al door Daf gewezen op het risico van een brand als de onderhavige.

4.8.2

Het hof overweegt voor wat betreft het verwijt dat de gebruiker stro heeft laten ophopen en niet heeft verwijderd als volgt.

Het hof heeft hiervoor in 4.6 geoordeeld dat de gebruiker van de auto mag verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan - het laden van een oplegger met eventueel droog en brandbaar materiaal terwijl de auto daaraan is gekoppeld en het vervoeren van dat materiaal - nodig zijn en dat opgehoopt vuil afkomstig van (losse deeltjes van) die lading als gevolg van de constructie niet zou ontbranden. Verder is gesteld nog gebleken dat Bemo Bedrijfswagens B.V. de auto niet op gebruikelijke wijze heeft (laten) onderhouden. Evenmin is gesteld of gebleken dat [de chauffeur] en/of Bemo Bedrijfswagens B.V. de auto niet normaal heeft/hebben gebruikt. De stelling van Daf dat voor het ontstaan van de brand een voldoende massa (brandbaar) vuil aanwezig moet zijn geweest, dat de gebruiker dit had kunnen waarnemen en vervolgens had moeten verwijderen, acht het hof niet van belang. De gebruiker van de auto mag er immers van uitgaan dat de auto zodanig is geconstrueerd dat zij veilig en zonder nader te treffen maatregelen aan de oplegger gekoppeld kan blijven bij het laden van droog en brandbaar materiaal als stro, waarna dit zou worden vervoerd. Mogelijk zou dat bij een specifieke, uitdrukkelijke en in niet mis te verstane bewoordingen gegeven waarschuwing anders zijn, maar een dergelijke waarschuwing is aan [de chauffeur] noch aan Bemo Bedrijfswagens B.V. gegeven. Dit verwijt treft dan ook geen doel. Het hof verwijst in dit kader ook nog naar hetgeen hiervoor in de laatste alinea van r.o. 4.6 is vermeld.

4.8.3

Het tweede onderdeel van deze grief faalt omdat Daf zich als producent van een gebrekkige zaak die zij in het verkeer heeft gebracht, in het kader van de aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad jegens een gebruiker, niet kan verschuilen achter waarschuwingen die Daf aan een derde heeft gegeven. Indien die derde niet heeft gehandeld zoals Daf die derde heeft voorgeschreven, dient Daf zelf verhaal te zoeken bij die derde, bijvoorbeeld in een vrijwaringsprocedure. Het hof ziet niet dat het enkele feit dat Daf die waarschuwing heeft gegeven aan een zusteronderneming van Bemo Bedrijfswagens B.V. (Loven Trucks B.V.) anders met zich brengt, alleen al niet omdat van Bemo Bedrijfswagens B.V. niet verwacht hoeft te worden dat zij in het kader van deze procedure bij haar zuster Loven Trucks B.V. navraagt welke mogelijke verweren Loven Trucks B.V. ter zake mogelijk kan voeren.

De slotsom is dat het beroep op het bepaalde in artikel 6:101 BW faalt, en dat grief 7 dus vruchteloos is aangedragen.

4.9.1

In haar achtste grief voert Daf aan dat zij de door Daf Trucks Deutschland GmbH gemaakte exoneratie te eigener behoeve aan Bemo Bedrijfswagens B.V., en dus aan Achmea, kan tegenwerpen.

De grief is gebaseerd op de stelling dat Daf en Daf Trucks Deutschland GmbH vereenzelvigd zijn, zodat ook Daf zich kan beroepen op de beweerdelijk door Daf Trucks Deutschland GmbH gevoerde algemene voorwaarden. Het hof heeft in dit arrest Daf echter niet vereenzelvigd met Daf Trucks Deutschland GmbH, maar geoordeeld dat Daf de auto in het verkeer heeft gebracht op zodanige wijze dat deze daad binnen het bereik van art. 6:162 BW valt, zodat alleen al om deze reden de grief faalt.

4.9.2

Zo er al van uit kan worden gegaan dat Daf zich in zijn algemeenheid kan beroepen op de algemene voorwaarden van Daf Trucks Deutschland GmbH, is het hof van oordeel dat gelet op de grondslag van de vordering van Achmea (Daf heeft een onrechtmatige daad gepleegd omdat zij een ongeschikte zaak in het verkeer heeft gebracht) Daf ten opzichte van Bemo Bedrijfswagens B.V. geen beroep kan doen op deze met een andere partij overeengekomen exoneratie. Het hof komt tot dit oordeel op grond van de volgende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien. Ten eerste is gesteld noch gebleken dat Bemo Bedrijfswagens B.V. op enigerlei wijze vertrouwen heeft opgewekt bij Daf dat zij zich zou kunnen beroepen op haar algemene voorwaarden ten opzichte van Bemo Bedrijfswagens B.V. Van belang is verder dat dat Bemo Bedrijfswagens B.V. niet heeft onderhandeld over de algemene voorwaarden, en dat zij, voor de keus staande om een auto aan te schaffen, misschien voor een ander merk dan Daf zou hebben gekozen gelet op de inhoud van de algemene voorwaarden. Verder geven het stelsel van de wet noch de bepalingen in de wet omtrent koop aanleiding te veronderstellen dat de wetgever in een op art. 6:162 BW gegrond geval als het onderhavige doorwerking van exoneratiebedingen mogelijk heeft willen maken. Titel 7.1 bevat immers geen op bijvoorbeeld art. 8:363 BW gelijkende bepaling. Het hof weegt verder mee dat de wetgever met art. 6:192 BW expliciet heeft bepaald dat de aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van de artikelen 6:184 e.v. BW jegens de benadeelde niet kan worden uitgesloten of beperkt. Tenslotte is gesteld noch gebleken dat eventuele rechten aan de eerste koper, zoals bijvoorbeeld een garantie op de auto, alleen in tijd zijn beperkt en dus ook zonder meer gelden voor alle rechtsopvolgers van de eerste verkrijger van de auto.

4.9.3

Gelet op een en ander faalt ook de achtste grief. Het hof laat dan nog daar dat Daf slechts in algemene woorden heeft verwezen naar art. VIII van de algemene voorwaarden, en bijvoorbeeld onvoldoende heeft geconcretiseerd of sprake is van “Vorsatz oder grober Fahrlässigkeit” dan wel van “leichter Fahrlässigkeit”. Art. VIII lid 1 van die algemene voorwaarden (productie 9 bij conclusie van antwoord) houdt immers in “Bei Vorsatz oder grober Fahrlässigkeit haftet der Verkäufer dem Käufer unbeschränkt”, en “Bei leichter Fahrlässigkeit haftet er beschränkt: Die Haftung besteht nur, soweit der Schaden Leistungen von Versicherungen übersteigt (…) ”.

Het hof laat eveneens in het midden het antwoord op de vraag of en zo ja welke algemene voorwaarden Daf zelf hanteert.

4.10

De laatste grief heeft, ook naar eigen zeggen van Daf, geen zelfstandige betekenis en behoeft dus geen beoordeling, nu met het vorenstaande alle grieven die wel zelfstandige betekenis hebben, zijn verworpen. Voor zover bewijs is aangeboden, is dit niet ter zake dienend en/of onvoldoende concreet en/of heeft dit betrekking op feiten die, als zij komen vast te staan, niet leiden tot een ander oordeel, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

4.11

Het vorenstaande betekent dat het appel faalt, de vorderingen van Daf in dit appel moeten worden afgewezen en het vonnis moet worden bekrachtigd. Daf heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij, zodat zij de kosten van dit hoger beroep dient te dragen. Het hof zal de door Achmea gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen met ingang van 14 dagen, zijnde een redelijke termijn van betaling, na de dag dat dit arrest is uitgesproken.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 16 januari 2013 gewezen vonnis;

veroordeelt Daf in de kosten van dit hoger beroep, voor zover aan de zijde van Achmea gerezen begroot op € 1.862,- aan griffierecht en op € 1.158,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien wel betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met ingang van veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit arrest;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en Th.C.M. Hendriks-Jansen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer