Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2174

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
HD200.122.760_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

reikwijdte van het hoger beroep.

Bewijs toezegging door natuurlijke persoon van terugbetaling van lening door rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.760/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

Fysiotherapeut [fysiotherapeut B.V.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen,

tegen

[oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. drs. S.C. Blommendaal te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen vonnis van 23 januari 2013 tussen appellante -[fysiotherapeut B.V.]- als eiseres, en geïntimeerde -[oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC]- als gedaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 21 februari 2013;

  • -

    een memorie van grieven, waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    een memorie van antwoord;

  • -

    een door [fysiotherapeut B.V.] genomen akte waarbij twee producties zijn overgelegd;

  • -

    een door [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] genomen antwoordakte waarbij een productie is overgelegd.

Vervolgens is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. C/03/164802 / HA ZA 11-723)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis van 23 januari 2013 en naar het daaraan voorafgaande vonnis van 4 januari 2012.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 23 januari 2013 onder “2. De feiten” feiten vastgesteld. Het hof zal van die in hoger beroep niet bestreden feiten, voor zover van belang, uitgaan. Verder staan als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist nog enige feiten vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de vaststaande feiten.

a. Bij overeenkomst van 16 november 2009 (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg, hierna aangeduid als “de geldleningsovereenkomst”) heeft [fysiotherapeut B.V.] als geldgever aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AFTC Europe & Middle East B.V. (hierna: AFTC) als geldlener (kort gezegd) een bedrag van € 100.000,- geleend (art. 1 van de overeenkomst), zulks tegen betaling van een rente van 10 % per jaar over de hoofdsom (art. 2 van de overeenkomst). De lening is geheel opeisbaar op 1 november 2010 (art. 2 lid 4 van de overeenkomst).

Verder houdt de overeenkomst in, voor zover hier van belang:

“ (…)

Artikel 8.

Geldlener is – zolang de onderwerpelijke lening niet (geheel) is afgelost – verplicht:

1. een overzichtelijke bedrijfsadministratie in te richten en bij te houden en daarbij aanwijzingen van geldgever op te volgen;

2. op het eerste verzoek van geldgever een uitdraai van de administratie te verstrekken waaruit kan worden vastgesteld wat de stand van zaken betreffende de financiële positie van geldlener is (naast administratie wordt hieronder ook verstaan de balans en verlies- & winstrekening);

3. aan geldgever alsmede aan de door dezen aan te wijzen personen:

a. alle door hen met betrekking tot de bedrijfsuitoefening gevraagde inlichtingen ten spoedigste te verstrekken;

b. op hun verzoek inzage te geven van boeken en bescheiden en toegang te verlenen tot bedrijfsruimten;

4. jaarlijks, zo spoedig mogelijk nadat de balans en verlies- en winstrekening over het verstr)eken boekjaar is opgemaakt, doch niet later dan drie maanden na afloop van het kalenderjaar, een exemplaar daarvan met een daarbij behorende exploitatierekening aan geldgever te overleggen;

Bij niet nakoming van deze verplichtingen is geldlener in gebreke en treden de in deze overeenkomst overeengekomen boetebepalingen onverkort in werking.”

Artikel 9.

1. Geldlener verklaart hierbij dat hij de ter leen ontvangen gelden enkel zal aanwenden voor de bedrijfsvoering, zijnde de aankoop en verkoop van kleefstoffen. Ingeval de gelden anderszins worden aangewend, bijvoorbeeld voor het ter leen verstrekken van bedragen aan gelieerde of derde partijen of voor de aanschaf van bedrijfsvreemde bedrijfsmiddelen en dergelijke, is geldlener in gebreke en treden de in deze overeenkomst overeengekomen boetebepalingen onverkort in werking.

2. De heren [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] en [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] hof: geïntimeerde) zijn in deze hoofdelijk aansprakelijk, welke aansprakelijkheid door hen middels ondertekening van deze overeenkomst uitdrukkelijk wordt geaccepteerd.

(…)

Artikel 11.

1. Ingeval geldlener in gebreke is zonder dat daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming is verleend door geldgever moet de onderwerpelijke lening onmiddellijk worden afgelost en verbeurt geldlener tevens een onmiddellijk en niet voor matiging vatbare boete ter grootte van 100% van de hoofdsom (...), onverminderd het recht van geldgever schadevergoeding te eisen voor overigens c.q. aanvullend te lijden schade. Alsdan is geen nadere ingebrekestelling door bevel of soortgelijke akte nodig.

2. Naast de hiervoor genoemde boete is geldlener een boete van 10% (...) te rekenen over de hoofdsom per week verschuldigd voor iedere week dat geldlener in gebreke blijft. Een deel van een week wordt daarbij op een hele week gesteld.

Artikel 12.

Onverminderd de voorgaande bepalingen is de hoofdsom inclusief rente en boetes onmiddellijk – en zonder dat enige nadere ingebrekestelling door bevel of soortgelijke akte nodig zal zijn – opeisbaar ingeval geldlener voornoemd:

  1. enige verplichting uit deze overeenkomst niet (stipt) nakomt;

  2. (...)

Geldgever kan de opeisbaarheid zowel schriftelijk alsook mondeling in het bijzijn van een door hem aan te wijzen getuige aan geldlener kenbaar maken. Alsdan dient betaling onmiddellijk plaats te vinden. De boetebepalingen zijn alsdan onverkort van toepassing.

(…)”

De overeenkomst van 16 november 2009 is in opdracht van [fysiotherapeut B.V.] opgemaakt door Bureau [Accountants - Belastingadviseurs], Accountants – Belastingadviseurs (productie B bij door [fysiotherapeut B.V.] genomen akte).

b. [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] en [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] (hierna [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.], zoon van de statutair bestuurder van [fysiotherapeut B.V.]), zijn oprichter(s), grootaandeelhouder(s) en statutair bestuurder(s) van AFTC (nr. 1 conclusie van antwoord).

c. De door [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] en [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] als Managing Directors van AFTC ondertekende brief van 26 augustus 2010 op briefpapier van AFTC (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) aan [fysiotherapeut B.V.] houdt in, voor zover hier van belang:

“(...)

Zoals afgesproken bevestigen wij dat de lening van € 100.000,= (...) op 15 januari 2011 aan u wordt terugbetaald. (...)”

d. Bij in augustus 2010 gesloten overeenkomst van achterstelling (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) komen Schuldeiser [fysiotherapeut B.V.], Kredietnemer AFTC en Kredietverstrekker IFN Finance B.V. (hierna: IFN) het volgende overeen:

“(...)

in aanmerking nemende dat:

- IFN kredietfaciliteiten zal verstrekken dan wel heeft verstrekt aan de Kredietnemer;

- IFN tot één en ander bereid is onder meer onder de voorwaarde dat de vordering van de Schuldeiser, groot EUR 100.000,00 (…), ten laste van de Kredietnemer, blijkens overeenkomst van geldlening d.d. 16-11-2009, zal worden achtergesteld bij die van IFN, zoals hierna is omschreven.

zijn overeengekomen als volgt:

1. De Schuldeiser en de Kredietnemer verbinden zich bij deze tegenover IFN en jegens elkaar om zolang de Kredietnemer bij IFN kredietfaciliteiten geniet of aan IFN iets schuldig is uit welken hoofde ook, zo in als buiten rekening-courant en al of niet binnen de gewone dienstverlening, met betrekking tot voormelde vordering van de Schuldeiser op de Kredietnemer geen (rechts)handelingen te verrichten of na te laten waardoor de vordering:

(i) geheel of gedeeltelijk teniet gaat danwel geheel of gedeeltelijk het vermogen van de Schuldeiser verlaat; (…),

tenzij IFN hiervoor schriftelijke toestemming geeft met inachtneming van door IFN alsdan te stellen voorwaarden.

(...)

4. Tenslotte komen IFN en de Schuldeiser overeen dat, indien de Schuldeiser op enigerlei wijze in strijd handelt met:

- het in artikel 1(i) in deze akte bepaalde, de Schuldeiser ten behoeve van IFN een dadelijk opeisbare boete verbeurt ten belope van het bedrag waarmee de achtergestelde vordering naar het oordeel van IFN geheel of gedeeltelijk teniet is gegaan danwel geheel of gedeeltelijk het vermogen van de Schuldeiser heeft verlaten; (...)”

e. [fysiotherapeut B.V.] heeft zich in de kwestie van de overeenkomst van achterstelling laten bijstaan door haar accountant en belastingadviseur, Bureau [Accountants - Belastingadviseurs] te [vestigingsplaats].

f. Bij deurwaardersexploten van onderscheidenlijk 10 mei, 17 mei, 26 mei, 13 juli en 21 juli 2011 heeft [fysiotherapeut B.V.] aan [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] onder meer (kort gezegd en voor zover thans van belang) laten weten hem uit hoofde van de geldleningsovereenkomst hoofdelijk aansprakelijk te houden (i) voor de terugbetaling van de geleende hoofdsom en (ii) voor betaling van de volgens [fysiotherapeut B.V.] inmiddels verbeurde boetes.

g. Na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, heeft [fysiotherapeut B.V.] op 30 augustus 2011 ten laste van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] conservatoir beslag laten leggen op (i) het appartementsrecht plaatselijk bekend als [appartementsrecht 1] te [plaats], (ii) het appartementsrecht plaatselijk bekend als [appartementsrecht 2] te [plaats] en (iii) alle aandelen in de besloten vennootschap [Investments] Investments B.V.

4.2

[fysiotherapeut B.V.] heeft in eerste aanleg gevorderd (kort gezegd) (a) een verklaring voor recht dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] hoofdelijk aansprakelijk is voor de correcte nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de geldleningovereenkomst van 16 november 2009, (b) veroordeling van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] tot betaling van in totaal € 260.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, waaronder buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vordering afgewezen. Voor zover [fysiotherapeut B.V.] heeft gesteld dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] persoonlijk moet worden veroordeeld omdat hij als bestuurder van AFTC onrechtmatig jegens [fysiotherapeut B.V.] heeft gehandeld, heeft [fysiotherapeut B.V.], aldus de rechtbank, onvoldoende gesteld. Verder blijkt uit de geldleningsovereenkomst van 16 november 2009 niet dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] zich voor meer dan alleen de verplichtingen van art. 9 lid 1 van die overeenkomst in persoon hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [fysiotherapeut B.V.] drie grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 23 januari 2013 en tot toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van [fysiotherapeut B.V.], met veroordeling van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] in de kosten van beide instanties, waaronder tevens de beslagkosten en het (na)salaris (proces)advocaat.

[oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [fysiotherapeut B.V.] in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen vanaf het te wijzen eindarrest.

4.4

De grieven richten zich met zoveel woorden enkel tegen het in r.o. 4.4 gegeven oordeel van de rechtbank dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] niet persoonlijk heeft toegezegd voor terugbetaling te zorgen (grief 1), tegen het in r.o. 4.14 gegeven oordeel dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 9 lid 2 geldleningsovereenkomst slechts ziet op de situatie indien niet aan art. 9 lid 1 van die overeenkomst is voldaan (grief 2) en het in r.o. 4.15 gegeven oordeel dat [fysiotherapeut B.V.] onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat art. 9 lid 1 geldleningsovereenkomst is overtreden (grief 3). Ook overigens begrijpt het hof de stellingen van [fysiotherapeut B.V.] aldus, dat zijn grieven slechts betrekking hebben op voornoemde oordelen van de rechtbank. Dit betekent, anders dan [fysiotherapeut B.V.] in nr. 4 van haar inleiding in haar memorie van grieven heeft opgemerkt, dat de zaak niet in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen en dat dient te worden uitgegaan van de oordelen van de rechtbank, waartegen [fysiotherapeut B.V.] niet heeft gegriefd. Daarbij gaat het onder meer om het in r.o. 4.5 gegeven oordeel dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] niet persoonlijk aansprakelijk is omdat hij bestuurder is van AFTC (‘vereenzelviging’), en het in r.o. 4.6 gegeven oordeel dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] niet persoonlijk aansprakelijk is omdat [fysiotherapeut B.V.] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ten aanzien van het feit dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] als bestuurder van AFTC onrechtmatig zou hebben gehandeld.

4.5

Wat de eerste grief betreft begrijpt het hof uit onder meer de nrs. 7 tot en met 10 onder het hoofd “Voorgeschiedenis en meest belangrijke feiten” in de memorie van grieven dat [fysiotherapeut B.V.] stelt dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] in een in augustus 2010 gevoerd gesprek heeft toegezegd dat [fysiotherapeut B.V.] hoe dan ook de door haar uitgeleende som op 15 januari 2011 zou terugontvangen en dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] in privé mogelijkheden heeft om het geleende bedrag terug te betalen, hetgeen [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] vervolgens mondeling heeft toegezegd te doen. Genoemd gesprek zou zijn gevoerd in aanwezigheid van bestuurder [appellante] van [fysiotherapeut B.V.] , [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] en [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] zelf. Die toezegging van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] is neergelegd, aldus nog steeds [fysiotherapeut B.V.], in de brief van 26 augustus 2010 (zie r.o. 4.1 sub c) en na deze brief heeft [fysiotherapeut B.V.] de achterstellingsovereenkomst (r.o. 4.1 sub d) getekend.

Naar het oordeel van het hof kan één en ander niet worden afgeleid uit de brief van 26 augustus 2010. Die is immers geschreven op briefpapier van AFTC en ondertekend met daaronder de vermelding: “[zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] Raoul [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] Managing Directors AFTC” en ook uit de korte inhoud van die brief blijkt niet dat (één van) de ondertekenaars zich persoonlijk aansprakelijk heeft/hebben gesteld. [fysiotherapeut B.V.] heeft echter voldoende feitelijk aangevoerd dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] heeft toegezegd dat hij in persoon de geldlening zou terugbetalen op uiterlijk 15 januari 2011 om tot bewijs van die stelling te worden toegelaten. Zij heeft hiervan ook bewijs aangeboden, en het hof zal haar in de gelegenheid stellen het bewijs te leveren.

4.6.1

Met haar tweede grief stelt [fysiotherapeut B.V.] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de contractueel overeengekomen hoofdelijke aansprakelijkheid van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] zoals neergelegd in artikel 9 lid 2 van de geldleningovereenkomst alleen ziet op het in artikel 9 lid 1 bepaalde. [fysiotherapeut B.V.] voert aan dat deze hoofdelijke aansprakelijkheid ziet op alle artikelen van die geldleningovereenkomst.

Met deze grief stelt [appellante] aan de orde de wijze waarop de overeenkomst moet worden uitgelegd. Naar vaste rechtspraak komt het bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet aan op een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kon worden verwacht. Op grond van latere jurisprudentie valt hieraan toe te voegen dat in deze zogenoemde “Haviltexnorm” besloten ligt dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval meer of minder gewicht dient te worden toegekend aan de taalkundige betekenis van een contractsbepaling respectievelijk aan de betekenis die partijen daaraan zelf geven.

4.6.2

[fysiotherapeut B.V.] heeft bij haar onderbouwing van grief 2 niet gesteld dat AFTC en [fysiotherapeut B.V.] de gestelde ruime reikwijdte van art. 9 lid 2 van de overeenkomst zijn overeengekomen en/of daarover hebben gesproken bij het opstellen van de overeenkomst. Ook heeft [fysiotherapeut B.V.] niet gesteld dat en waarom zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de gestelde ruime uitleg aan artikel 9 lid 2 mocht toekennen en waarom zij redelijkerwijs van AFTC mocht verwachten dat zij ook deze uitleg daaraan toekende. De gestelde verwijtbare gedragingen van AFTC na het sluiten van de overeenkomst zijn, anders dan [fysiotherapeut B.V.] stelt, niet bepalend voor de wijze waarop de eerder gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd.

Aldus heeft [fysiotherapeut B.V.] geen, in elk geval niet voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, als zij zouden komen vast te staan, zouden leiden tot de conclusie dat [fysiotherapeut B.V.] en [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] zijn overeengekomen dat de persoonlijke aansprakelijkheidstelling van [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] ziet op alle in de geldleningsovereenkomst opgenomen bepalingen. Alleen al om die reden wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Ten overvloede overweegt het hof dat de door [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] aangevoerde beperkte uitleg van art. 9 lid 2 van de overeenkomst naar het oordeel van het hof duidelijk meer voor de hand ligt. Vaststaat dat AFTC en [fysiotherapeut B.V.] duidelijk hebben gesproken over het doel van de lening: het geld mocht alleen worden aangewend voor de aankoop en verkoop van kleefstoffen. Dat was kennelijk zeer belangrijk voor [fysiotherapeut B.V.], zoals ook blijkt uit het schrijven van Bureau [Accountants - Belastingadviseurs] van 9 september 2013 (productie B bij door [fysiotherapeut B.V.] genomen akte). Daarin is immers vermeld dat door Bureau [Accountants - Belastingadviseurs] bewust is opgenomen dat de ter leen verstrekte gelden enkel en alleen door geldnemer aangewend mochten worden voor de aankoop van kleefstoffen. Dit maakt het plausibel dat het tweede lid van art. 9 van de geldleningsovereenkomst alleen betrekking heeft op het eerste lid van dat artikel. [fysiotherapeut B.V.] heeft ook geen verklaring van Bureau [Accountants - Belastingadviseurs] overgelegd waarin wordt toegelicht op welke wijze art. 9 lid 2 volgens haar moet worden gelezen. Dit zou wel logisch zijn geweest, nu vaststaat dat de overeenkomst in opdracht van [fysiotherapeut B.V.] is opgemaakt door Bureau [Accountants - Belastingadviseurs]. Het hof is verder, met de rechtbank, van oordeel dat als een zo belangrijke en allesomvattende persoonlijke hoofdelijke aansprakelijkheid van [zoon van statutair bestuurder van fysiotherapeut B.V.] en [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] zou zijn overeengekomen, het logisch zou zijn geweest als dit in een afzonderlijk artikel zou zijn opgenomen. Tenslotte ligt het niet onmiddellijk voor de hand dat natuurlijke personen zich ook hoofdelijk aansprakelijk stellen voor verplichtingen die typisch behoren bij een rechtspersoon, zoals die zijn genoemd in art. 8 van de geldleningsovereenkomst, zoals het voeren van een overzichtelijke bedrijfsadministratie en het op eerste verzoek van [fysiotherapeut B.V.] verstrekken van uitdraaien van de administratie van AFTC.

In het licht van deze omstandigheden, had het op de weg van [fysiotherapeut B.V.] gelegen om meer concrete feiten en omstandigheden te stellen over de door haar gestelde ruime uitleg van artikel 9 lid 2.

De stelling van [fysiotherapeut B.V.] dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat haar uitleg moet worden gevolgd, is onvoldoende toegelicht, zodat het hof alleen al daarom aan die stelling voorbijgaat.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat grief 2 faalt.

4.7

Bij de beoordeling van de derde grief moet, gelet op het bovenstaande, ervan worden uitgegaan dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] alleen aansprakelijk is als AFTC het geleende geld voor iets anders aanwendt of heeft aangewend dan voor de aankoop en verkoop van kleefstoffen. Het is op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv aan [fysiotherapeut B.V.], die als grondslag van haar vordering aanvoert dat deze gelden voor een ander doel zijn besteed, om te bewijzen dat AFTC de gelden voor een ander doel heeft aangewend. De betreffende stelling van [fysiotherapeut B.V.] is door [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] voldoende gemotiveerd betwist. Het hof wijst bijvoorbeeld op de door [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] bij conclusie van antwoord als productie 18, bijlage 2 en 3 en de bij conclusie van dupliek als productie 27 en 28 overgelegde stukken. Het hof merkt hierbij tevens op dat geld een “genuszaak” is en, nadat het geld op een bankrekening is overgemaakt, niet zonder meer is vast te stellen of juist met dit van [fysiotherapeut B.V.] geleende geld kleefstoffen zijn betaald. Nu [fysiotherapeut B.V.] expliciet heeft aangeboden om te bewijzen dat AFTC heeft gehandeld in strijd met art. 9 lid 1 geldleningsovereenkomst, zal het hof haar tot bewijs daarvan toelaten. Het komt het hof geraden voor om in dit kader een (register-)accountant te benoemen om deze vraag te beantwoorden, en pas tot benoeming over te gaan indien en voor zover [fysiotherapeut B.V.] niet slaagt in het leveren van bewijs van de stelling dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] heeft toegezegd dat hij in persoon de geldlening zou terugbetalen op uiterlijk 15 januari 2011.

4.8

Het hof zal elke andere beslissing aanhouden.

5 De uitspraak

Het hof:

laat [fysiotherapeut B.V.] toe te bewijzen dat [oprichter, grootaandeelhouder en statutair bestuurder van AFTC] heeft toegezegd dat hij in persoon de geldlening zou terugbetalen op uiterlijk 15 januari 2011;

bepaalt, voor het geval [fysiotherapeut B.V.] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Arnoldus-Smit als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 14 juli 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [fysiotherapeut B.V.] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer