Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
HD200.094.181_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Verjaring rechtsvordering tot beëindiging bezit. Bestraten en onderhouden klein strookje grond voor eigen woning brengt in de gegeven omstandigheden mee dat naar verkeersopvatting sprake is van bezit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.094.181/01

arrest van 16 juni 2015

in de zaak van

1 [appellante] e.v. [appellant],
wonende te [woonplaats],

2. [appellant],
wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2], e.v. [geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.J.F. Geertsen te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 mei 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 152603/HAZA 10-740 gewezen vonnis van 20 april 2011.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 6 mei 2014;

  • -

    de akte depot van 27 mei 2014, waarbij de procesdossiers van de procedure bij de rechtbank te Maastricht met rol/zaaknr. 45537/HA ZA 99-93 en de procedure van het hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch met rolnr. C03/00389 in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde procesdossiers in het geding te brengen. [appellanten] hebben dat bij de hiervoor genoemde akte gedaan.

7.2.1.

Het hof zal eerst, mede aan de hand van de overgelegde procesdossiers, een beschrijving geven van de situatie op de grens van de percelen van [appellanten] en [geïntimeerden], zodat duidelijk wordt waarop de vorderingen van partijen betrekking hebben.

7.2.2.

In zijn arresten van 4 april en 26 september 2006 in een zaak tussen [geïntimeerden] en (de rechtsopvolgers van) de heer [vorige eigenaar van adres 1] (hierna: [vorige eigenaar van adres 1]), welke [vorige eigenaar van adres 1] vanaf 1 maart 1967 tot 2000 eigenaar is geweest van het perceel van [appellanten], heeft dit hof geoordeeld dat [vorige eigenaar van adres 1] op grond van de beschrijving van de verdeling in de akte van deling uit 1884 (hierna ook genoemd: de akte van deling) de eigendom verkregen heeft van een I-vormige strook grond van één meter breed ten oosten van de in de akte genoemde gebouwen van ‘lot A’ die aan de binnenplaats van de voormalige carréboerderij grenzen. Het hof heeft in die arresten verder geoordeeld dat [vorige eigenaar van adres 1] krachtens verjaring eigenaar is geworden van een strook grond aan de noordzijde van de binnenplaats langs de schuur, welke strook haaks staat op de I-vormige strook grond, door het hof aangeduid als “het kleine zijpootje” van de I-vormige strook.
7.2.3. Het hof heeft in de voornoemde arresten geen oordeel gegeven over de eigendom van het verlengde van de I-vormige strook in de richting van de openbare weg ([het adres ]), of, uitgaande van een L-vormige strook (dus met het kleine zijpootje van de I), het verlengde van de lange poot van de ‘L’.
Het verlengde van de L-vormige strook bestaat, bezien vanuit de binnenplaats, eerst uit grond waarop zich nu een deel van de woon- en badkamer van [geïntimeerden] bevindt, met daarboven een deel van de slaapkamer van [appellanten] en daaronder een deel van de kelder van [geïntimeerden] Dit deel van de strook behoorde tot wat in de akte van deling ‘de ingang’ is genoemd. Voordat deze ingang werd dichtgemetseld gaf deze, zo begrijpt het hof, overdekt toegang tot de binnenplaats van de boerderij vanaf de openbare weg. Partijen zijn het erover eens dat de breedte van die ingang één meter was (zie voor het standpunt van [appellanten] pagina 10 mvg 25 januari 2005 en voor het standpunt van [geïntimeerden] onder meer 3.2 pleitaantekeningen 3 mei 2005), zodat de grond van de voormalige ingang gelijk is aan de strook die het verlengde vormt van de lange poot van de ‘L’.

De vorderingen in conventie sub a en b zien op het verlengde van de voormalige ingang, wederom bezien vanuit de binnenplaats, derhalve de strook vanaf de voorgevel van de gebouwen tot aan de grond van de gemeente langs de openbare weg. Het hof zal deze laatstgenoemde strook in het vervolg aanduiden als ‘strook X’.

eigendom strook X

7.3.

[appellanten] hebben aan de vorderingen in conventie onder a en b ten grondslag gelegd dat zij op grond van de akte van deling dan wel op grond van verjaring eigenaar zijn van strook X. De grieven 1 en 2 richten zich – kort gezegd – tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] geen eigenaar zijn van strook X. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

7.4.

In de akte van deling is niet expliciet vermeld waar de grens is tussen lot A en lot B voor zover dit de grond betreft die zich bevindt tussen de gebouwen van lot A en lot B enerzijds en de openbare weg anderzijds. Uit het bepaalde in de akte dat lot A, gerekend vanaf de openbare weg tot aan het voetpad, wordt begrensd door enerzijds lot B en anderzijds het voetpad (“en te nemen een hoofd, den weg, ander hoofd, voetpad, eene zijde lot B, andere zijde voetpad”), kan niet worden afgeleid of strook X al dan niet bij lot A hoort.

7.5.

Uit de stellingen van beide partijen blijkt dat zij ervan uitgaan dat de akte zo moet worden uitgelegd dat strook X is toegedeeld aan het lot waaraan ook de grond van de voormalige ingang is toegedeeld. Deze uitleg komt het hof redelijk voor. Bij het ontbreken van een expliciete beschrijving van de grens in de akte, is het logisch dat de grens tussen lot A en B vanaf de binnenplaats tot de voorgevel is ‘doorgetrokken’ tot aan de openbare weg.

7.6.

[appellanten] ontlenen hun standpunt dat zij op basis van de verdeling in de akte van deling eigenaar zijn geworden van de grond van de voormalige ingang, met name aan de volgende omschrijving van lot A in de akte: “Lot A bestaande uit (…) een deel der gebouwen en goederen gelegen te [het adres ], bestaande in de kamer en twee kleine kamertjes daarachter met de zijstallen daarachter gelegen langs den tuin als stookhuis, koestal, met een meter oppervlakte langs deze gebouwen naar de zijde van den mesthof van lot B (…)”. Nu de kamer en de twee kleine kamertjes daarachter aan de ingang grenzen, zijn [appellanten] dus eigenaar geworden van de grond van de ingang, zo stellen [appellanten] Volgens hen gaf de toedeling van de grond van de ingang aan lot A, de eigenaar van lot A de mogelijkheid om vanaf de openbare weg over de eigen grond van de ingang de oostelijke zijgevel van zijn gebouwen te bereiken en te onderhouden (p. 10 mvg 25 januari 2005).

7.7.

Het hof volgt deze door [appellanten] gegeven uitleg niet. [geïntimeerden] hebben gewezen op verschillende bepalingen in de akte, waaruit expliciet blijkt dat de ingang is toegedeeld aan lot B. Zo is lot B in de akte omschreven als “het overig deel der gebouwen en goederen gelegen te [het adres ] bestaande in den ingang, de keuken en kamertje daarnaast (…)” [cursivering van het hof]. Daarnaast is onder 3 van de akte vermeld dat “de scheiding in de gebouwen moet geschieden a op den zolder tusschen de loten A en B door eenen muur te plaatsen op het gebind tusschen keuken en den ingang, zoodat de zolder van Lot A zich ook uitstrekt over den ingang toebedeeld aan lot B; b in den kelder tusschen dezche loten A en B door eenen steenen muur te plaatsen midden onder de scheidsmuur tusschen de kamer van lot A en den ingang van lot B (…)” [cursiveringen van het hof]. Dat met de hier beschreven ingang iets anders is bedoeld dan de grond van de ingang, is wel betoogd door [appellanten] – zij stellen dat daarmee “de ingang zelf” is bedoeld –, maar zij hebben niet toegelicht welke concrete zaak anders dan de grond van de ingang aan lot B kan zijn toegedeeld. Het hof verstaat daarom de bewoording van de akte aldus dat met ‘ingang’ in de akte de grond van de ingang is bedoeld.

7.8.

[appellanten] kunnen worden toegegeven dat uit de door hen aangehaalde tekst van de omschrijving van lot A lijkt te volgen dat de strook van een meter tevens betrekking heeft op de kamer en de kleine kamertjes daarachter, en dus mede de grond van de ingang betreft. Nu echter de ingang in de akte op meerdere plaatsen expliciet is toegedeeld aan lot B, brengt een redelijke uitleg mee dat de strook van een meter slechts betrekking heeft op de gebouwen die grenzen aan de binnenplaats van de boerderij, derhalve dat het woord ‘deze’ in de omschrijving van lot A slechts naar die gebouwen verwijst.

7.9.

[appellanten] hebben nog gewezen op het bepaalde onder 4 van de akte van deling, voor zover daar is vermeld: “echter kan lot B de deur aan den ingang uitkomende op den mesthof, onder den dakdrup van lot A, zijner gebouwen blijven laten bestaan en daardoor zijnen in en uitgang naar den mesthof nemen en behouden, waarin hij door den eigenaar van lot A niet mag gehinderd worden.” Met verwijzing naar een als productie 5 bij memorie van antwoord van 25 januari 2005 (in de procedure van [vorige eigenaar van adres 1] tegen [geïntimeerden]) overgelegde tekening, waarin de deur is ingetekend, betogen [appellanten] dat uit deze bepaling blijkt dat de grond van de ingang aan lot A is toebedeeld. Indien de grond van de ingang aan lot B zou zijn toegedeeld, zou er immers geen sprake kunnen zijn van hinder door lot A, zo is de redenering van [appellanten]

7.10.

Naar het oordeel van het hof is deze redenering niet juist. Ook indien de grond van de ingang aan lot B is toegedeeld, dient de eigenaar van lot B een stukje over de grond van lot A te gaan om vanuit de deur, zoals die op de door [appellanten] genoemde tekening is aangeduid, op de binnenplaats te komen. Dat stukje betreft de strook van één meter ten oosten van de gebouwen van lot A aan de binnenplaats, welke strook in het verlengde ligt van de ingang. Het bepaalde onder 4 van de akte biedt derhalve geen steun voor de stelling van [appellanten] dat de grond van de ingang in de akte van deling is toegedeeld aan lot A.

7.11.

De door [appellanten] gestelde bedoeling van de toedeling van de ingang aan lot A (eigenaar van lot A de mogelijkheid geven om vanaf de openbare weg over de eigen grond van de ingang de oostelijke zijgevel van zijn gebouwen te bereiken) blijkt niet uit de bepalingen van de akte van deling in hun onderlinge verband bezien. [appellanten] hebben onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit die bedoeling, in afwijking van de tekst van de akte, dient te volgen. Dat in de akte geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van lot B, acht het hof in dit verband onvoldoende. De slotsom luidt dat de grond van de ingang in de akte niet is toegedeeld aan lot A, zodat [appellanten] op basis daarvan geen eigenaar zijn geworden van strook X.

Verjaring

7.12.

Het hof zal nu beoordelen of [appellanten] eigenaar van die strook grond zijn geworden door verjaring. [appellanten] hebben daartoe naar voren gebracht dat [vorige eigenaar van adres 1] en de heer [vorige-vorige eigenaar van adres 1] (door [appellanten] ook wel [vorige-vorige eigenaar van adres 1] genoemd), welke [vorige-vorige eigenaar van adres 1] vóór [vorige eigenaar van adres 1] eigenaar was van [adres 1], strook X voortdurend in bezit hebben gehad. De grond aan de zijde van de openbare weg die hoort bij [adres 1], inclusief strook X, is beklinkerd en doet dienst als voorterras en goot voor de regenpijpen, terwijl op de grond die hoort bij [adres 2] kiezelstenen liggen. De bestrating is volgens [appellanten] in de jaren vanaf 1967 tot laatstelijk begin jaren ’70 aangebracht door [vorige eigenaar van adres 1] en is door [vorige eigenaar van adres 1] altijd onderhouden. De grens aan de voorzijde van de panden is volgens [appellanten] ook zichtbaar door het verschil in metselwerk van de gevels van [adres 2] en [adres 1] en de naad die zich daartussen bevindt (producties 6 en 6A mvg). Met verwijzing naar een als productie 5 memorie van grieven overgelegde luchtfoto die volgens [appellanten] in het midden van de jaren ’70 is gemaakt en met verwijzing naar als productie 9 bij memorie van grieven overgelegde foto’s, stellen zij dat de strook grond visueel bij [adres 1] hoort en dat die toestand al decennia bestaat. Verder stellen zij dat de visuele grens tussen de percelen door degenen die voor [geïntimeerden] eigenaar waren van het perceel [adres 2] is aanvaard en gerespecteerd. Zij verwijzen in dit verband naar als producties 8 en 8A bij memorie van grieven overgelegde schriftelijke verklaringen van de heer [vorige eigenaar van adres 2] en diens echtgenote mevrouw [vrouw van vorige eigenaar van adres 2], die sinds 1976 eigenaresse was van [adres 2] totdat zij het perceel aan [geïntimeerden] heeft verkocht, alsmede naar verklaringen van [vorige eigenaar van adres 1] en diens echtgenote [vrouw van vorige eigenaar van adres 1].

7.13.

[geïntimeerden] hebben betwist dat het bestraten van strook X als een bezitsdaad is aan te merken. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] [vorige eigenaar van adres 1] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 1] hebben toegestaan strook X te bestraten teneinde onderhoud te kunnen plegen aan hun dakgoot, althans dat zij die bestrating hebben gedoogd. Zij stellen dat [vorige eigenaar van adres 2] dit bij de bezichtiging van het perceel [adres 2] voorafgaande aan het sluiten van de koopovereenkomst tegen [geïntimeerden] heeft gezegd als ook dat hij aan het bestraten de voorwaarde heeft verbonden dat [vorige eigenaar van adres 1] die strook grond nooit in bezit zou kunnen nemen. Daarbij verwijzen [geïntimeerden] naar schriftelijke verklaringen van zichzelf en hun twee zonen (productie 2 tot en met 5 memorie van antwoord). [vorige eigenaar van adres 1] heeft strook X dus bestraat op basis van toestemming/gedogen, zonder de intentie strook X toe te eigenen, zo stellen [geïntimeerden]. [geïntimeerden] betwisten de juistheid van de door [appellanten] overgelegde verklaringen van [vorige eigenaar van adres 1]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 1] en [vorige eigenaar van adres 2]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 2]. Zij wijzen in dit verband ook nog op een tweetal tekeningen betreffende een in 1977 door [vorige eigenaar van adres 2] gerealiseerde verbouwing (producties 7 en 8) en een in opdracht van [vorige eigenaar van adres 2] in 1979 opgemaakte kadastrale vastlegging/reconstructie (productie 9 mva) die volgens [geïntimeerden] in overeenstemming zijn met kadastrale kaarten (producties 10 en 11 mva). Hieruit blijkt volgens [geïntimeerden] dat [vorige eigenaar van adres 2] en zijn echtgenote wisten dat zij eigenaar waren van strook X. Dat strook X bij hun perceel hoort, blijkt volgens [geïntimeerden] ook uit de door het Kadaster tijdens de vorige procedure tussen partijen vastgelegde perceelsgrens (producties 6A, 6B, 6C). Zij wijzen erop dat strook X in het verlengde ligt van de voormalige ingang die aan lot B is toegedeeld en een geheel vormt met de gevel/muur van de woonkamer op de plaats van de voormalige ingang en de daaronder gelegen kelder van [geïntimeerden]

7.14.

Artikel 3:105 lid 1 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering die strekt tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Ingevolge artikel 93 Overgangswet NBW, wordt artikel 3:105 BW één jaar na het tijdstip van het in werking treden van de wet (1 januari 1993) van toepassing met betrekking tot degene die alsdan een goed bezit, indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is voltooid. Volgens artikel 2004 BW (oud) verjaarde die vordering na dertig jaar. Volgens het thans geldende recht (artikel 3:306 BW en artikel 3:314 lid 2 BW) bedraagt de verjaringstermijn van de rechtsvordering twintig jaar en begint deze met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden. Ingevolge artikel 73 lid 1 Overgangswet NBW is hetgeen in artikel 3:306 BW en in artikel 3:314 lid 2 BW omtrent de aanvang, duur en aard van de termijn wordt bepaald, vanaf 1 januari 1993 van toepassing. Op grond van deze regels geldt derhalve dat, wanneer [vorige eigenaar van adres 1] op 1 januari 1993 het bezit had van strook X, hij die strook door verjaring in eigendom heeft verkregen op het moment dat zijn bezit twintig jaar heeft geduurd, omdat de vordering tot beëindiging van dat bezit dan is verjaard (mits die verjaring niet is gestuit).

7.15.

De vraag of (bij [vorige eigenaar van adres 1]) sprake is (geweest) van bezit dient beantwoord te worden aan de hand van de maatstaven als neergelegd in artikel 3:107 BW e.v. Volgens artikel 3:107 lid 1 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Artikel 3:108 BW bepaalt dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de in de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Artikel 3:112 BW bepaalt dat bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende, aldus het tweede lid van artikel 3:113 lid 2 BW. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de inbezitneming van een goed waarvan een ander reeds bezitter is, slechts kan bestaan in een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting de oorspronkelijke bezitter niet meer als zodanig kan gelden. In het bezitsbegrip ligt voorts het vereiste van ‘ondubbelzinnigheid’ besloten. Er is geen sprake van ondubbelzinnig bezit indien de machtsuitoefening met betrekking tot het goed evenzeer kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik krachtens een persoonlijk recht of een beperkt recht. Van niet dubbelzinnig bezit is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat die werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Verjaring dient er toe de rechtstoestand in overeenstemming te brengen met de feitelijke toestand indien deze lang genoeg heeft bestaan.

7.16.

Uit de door [appellanten] overgelegde foto’s (producties 5, 6, 6A en 9 mvg) maakt het hof op dat de in de akte van deling uit 1884 genoemde ingang en de daarboven gelegen ruimte, vanaf [het adres ] gezien, op enig moment daarna visueel onderdeel zijn gaan uitmaken van de woning van [appellanten] Zo zijn de gevelstenen waarmee de in de akte van deling genoemde ingang is dichtgemaakt, dezelfde als die van [adres 1] en wijken deze af van die van [adres 2]. De dakpannen van [adres 1] bevinden zich ook boven de voormalige ingang en wijken af van die van [adres 2]. De goot van de gebouwen van [adres 1] is aangebracht tot over de voormalige ingang en is op een andere hoogte aangebracht dan de goot van [adres 2]. De regenpijpen van deze goten bevinden zich aan weerszijden van de visuele grens tussen de gebouwen.

7.17.

In de als productie 8 overgelegde schriftelijke verklaring van [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] is vermeld dat [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] op 23 februari 1922 geboren is in het huis [adres 2], welk toen eigendom was van haar moeder, mevrouw [moeder van vrouw van vorige eigenaar van adres 2] die later hertrouwd is met de heer [familienaam]. [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] verklaren dat [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] in de woning [adres 2] is blijven wonen tot aan haar huwelijk op 17 oktober 1956 en dat de perceelsgrens toen, naar het hof begrijpt toen zij nog bij haar haar moeder woonde, was zoals deze nu is, zichtbaar aan de dakpannen, voorgevel, regenwaterafvoer en terras. Verder verklaren zij dat zij van 1976 tot 1997 (verkoop aan [geïntimeerden]) eigenaar zijn geweest van de woning [adres 2], dat de perceelsgrens in die periode hetzelfde is gebleven en [vorige eigenaar van adres 1] in die periode altijd onderhoud heeft gepleegd aan “dit (zijn) eigendom”, waarmee zij naar het hof begrijpt strook X bedoelen. In de als productie 8A overgelegde verklaring van [vorige eigenaar van adres 1] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 1] is vermeld dat zij van 1958 tot 1967 als huurders en van 1967 tot 2000 als eigenaars hebben gewoond in de woning [adres 1], totdat de woning is verkocht en, naar het hof begrijpt: geleverd, aan [appellanten] Zij verklaren verder dat de huidige, naar het hof voorts begrijpt, de door [appellanten] gestelde visuele perceelsgrens, al zo was toen zij er in 1958 kwamen wonen en dat met de familie [familienaam] en de latere buren [vorige eigenaar van adres 2]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 2] nooit enig meningsverschil of discussie heeft bestaan over die grens.

7.18.

Anders dan [geïntimeerden] betogen, kan naar het oordeel van het hof niet voorbij worden gegaan aan deze verklaringen omdat slechts kopieën van die verklaringen zijn overgelegd, zonder de originele handtekeningen. Het hof vermag niet in te zien, waarom dit van belang is, nu niet weersproken is dat de handtekeningen afkomstig zijn van degenen die de verklaring hebben afgelegd. Ook de omstandigheid dat die verklaringen, zoals [geïntimeerden] stellen, niet door de ondertekenaars daarvan zijn opgesteld, maar door de raadsman van [appellanten], brengt niet mee dat aan die verklaringen voorbij dient te worden gegaan.

7.19.

[geïntimeerden] hebben de inhoud van de verklaringen betwist “voor zover die van hun stellingname afwijkt”. De verklaringen wijken in zoverre af van de stellingname van [geïntimeerden] dat [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] de door [appellanten] gestelde perceelsgrens als juist hebben geaccepteerd. Niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken is de inhoud van de verklaringen voor zover daaruit volgt a) dat de hiervoor door het hof beschreven visuele grens tussen de panden [adres 2] en [adres 1] in ieder geval al bestond voordat [vorige eigenaar van adres 1] op 1 maart 1967 eigenaar werd van perceel [adres 1] en b) dat tussen enerzijds [vorige eigenaar van adres 1]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 1] en anderzijds de familie [familienaam] die van 1958 tot 1975 eigenaar was van [adres 2], nooit ter discussie heeft gestaan dat strook X bij [adres 1] behoorde en dat die strook in ieder geval toen ook door [vorige eigenaar van adres 1] als ware hij rechthebbende werd onderhouden. Hieruit moet worden afgeleid dat de familie [familienaam], alhoewel zij mogelijk niet wisten dat strook X op grond van de akte aan [adres 2] toebehoorde, uit de gedragingen van [vorige eigenaar van adres 1] ten aanzien van strook X in de gegeven omstandigheden hebben opgemaakt dat hij pretendeerde eigenaar te zijn van strook X.

7.20.

[geïntimeerden] hebben niet weersproken dat [vorige eigenaar van adres 1] strook X en de andere grond voor zijn gebouw aan de zijde van [het adres ] in de jaren vanaf 1967 tot laatstelijk begin jaren ’70 heeft bestraat, zodat het hof dit als vaststaand aanneemt. Gegeven de toen bestaande visuele grens tussen de woningen zoals hiervoor is beschreven en uitgaande van de juistheid van de verklaringen van [vorige eigenaar van adres 1]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 1] en [vorige eigenaar van adres 2]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 2], waaruit, zoals vermeld, moet worden afgeleid dat de familie [familienaam] uit de gedragingen van [vorige eigenaar van adres 1] ten aanzien van strook X heeft opgemaakt dat [vorige eigenaar van adres 1] pretendeerde eigenaar te zijn, moet [vorige eigenaar van adres 1] in de onderhavige situatie geacht worden de strook naar verkeersopvatting vanaf toen voor zichzelf te hebben gehouden.

7.21.

Dat [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] de bestrating door [vorige eigenaar van adres 1] hebben gedoogd toen zij eigenaar waren van [adres 2], heeft op zichzelf geen betekenis voor het voortduren van het bezit of de verjaring van de vordering tot beëindiging daarvan. Dat zelfde geldt indien [vorige eigenaar van adres 2] en zijn echtgenote wisten dat zij eigenaar waren van strook X en met die wetenschap niets hebben gedaan. Dat is anders indien [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] [vorige eigenaar van adres 1] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 1] hebben toegestaan strook X te bestraten en, zo begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerden], [vorige eigenaar van adres 1] het eigendomsrecht van [vorige eigenaar van adres 2]/[vrouw van vorige eigenaar van adres 2] heeft erkend doordat [vorige eigenaar van adres 1] (stilzwijgend) akkoord is gegaan met de door [vorige eigenaar van adres 2] gestelde voorwaarde voor de bestrating van strook X. Zoals hiervoor evenwel is vastgesteld, heeft de bestrating van strook X door [vorige eigenaar van adres 1] plaatsgehad in het begin van de jaren ’70 of eerder, derhalve voordat [vorige eigenaar van adres 2] en [vrouw van vorige eigenaar van adres 2] (in 1975) eigenaar van [adres 2] zijn geworden. Daarmee strookt niet dat [vorige eigenaar van adres 2] een voorwaarde zou hebben gesteld aan de bestrating door [vorige eigenaar van adres 1]. Nu [geïntimeerden] niet hebben gesteld dat [vorige eigenaar van adres 1] strook X hierna nog eens heeft bestraat, hebben zij hun stelling dat [vorige eigenaar van adres 2] aan de bestrating een voorwaarde heeft verbonden onvoldoende onderbouwd en gaat het hof aan die stelling voorbij. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof niet toe.

7.22.

De conclusie luidt dat [vorige eigenaar van adres 1] door verjaring eigenaar is geworden van strook X en dat [appellanten] die eigendom door levering hebben verkregen. [geïntimeerden] hebben niet weersproken dat zij de bestrating van strook X hebben verwijderd, dat zij de regenwaterpijp van [appellanten] hebben verlengd en dat zij strook X hebben ingericht met – blijkens de overgelegde foto’s - kiezels, waaruit het hof afleidt dat [geïntimeerden] strook X in bezit hebben genomen. Door strook X te occuperen, de bestrating te verwijderen en de regenwaterafvoerbuis te verlengen hebben [geïntimeerden] een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [appellanten] en jegens hen onrechtmatig gehandeld. De door [appellanten] gevorderde verklaring voor recht onder a is mitsdien toewijsbaar, waarbij het hof de woorden “de regenwaterafvoerbuis te verwijderen” in het petitum leest als “de regenwaterafvoerbuis te verlengen”.

7.23.

De vordering sub b is eveneens toewijsbaar voor zover [appellanten] vorderen gedaagden te veroordelen c.q. te gebieden om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, de stoornis in de eigendomsrechten van [appellanten] ongedaan te maken, te staken en gestaakt te houden en gedaagden te veroordelen de oorspronkelijke toestand te herstellen, in die zin dat de aanwezige kiezelstenen worden verwijderd en de oorspronkelijke bestrating wordt hersteld, alsmede dat de verlenging van de regenwaterafvoerbuis ongedaan wordt gemaakt. Andere concrete maatregelen tot herstel dan de hiervoor genoemde zijn niet gesteld, zodat de vordering in zoverre moet worden afgewezen. Voor zover is gevorderd “gedaagden te veroordelen de door hen in de strook grond van 1 (een) meter breed, vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van de registergoederen van eisers, te verwijderen en verwijderd te houden” is die vordering onbegrijpelijk, zodat deze in zoverre zal worden afgewezen.

vordering [geïntimeerden] in voorwaardelijke reconventie

7.24.

Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de vordering van [geïntimeerden] in voorwaardelijke reconventie nu die voorwaarde is vervuld. [geïntimeerden] hebben gesteld dat het regenwater van het dak van [appellanten] door middel van de regenwaterafvoerbuis van [appellanten], voordat deze door [geïntimeerden] is verlengd, vrijelijk uitstroomde over strook X, waardoor dat water in de onmiddellijk daaraan grenzende kelder van [geïntimeerden] terecht is gekomen en aldaar schade heeft veroorzaakt. [geïntimeerden] stellen dat zij er recht en belang bij hebben dat [appellanten] hun erf zodanig inrichten dat het van hun daken afkomstige hemelwater niet in de kelder van [geïntimeerden] terechtkomt.

7.25.

[appellanten] betwisten dat water uit hun regenwaterafvoerpijp in de kelder van [geïntimeerden] is gestroomd. Volgens [appellanten] kwam het water uit op een bestrate goot die haaks op de gevel stond en uitmondde in de goot op de openbare weg en werd het water door die goot geleid en afgevoerd in een straatkolk in de weg. Indien [geïntimeerden] bedoelen om de regenafvoer direct aan te sluiten op het gemeentelijk hoofdriool, kunnen [appellanten] daaraan niet voldoen omdat in dat geval toestemming van de gemeente nodig is, zo stellen [appellanten]

7.26.

Het hof oordeelt dat [appellanten] jegens [geïntimeerden] in beginsel onrechtmatig handelen indien, zoals [geïntimeerden] stellen, het water dat via hun afvoerbuis wordt afgevoerd, nadat deze afvoerbuis door [geïntimeerden] in de oorspronkelijke toestand zal zijn gebracht, in de kelder van [geïntimeerden] terechtkomt. Voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerden] die strekt tot het geven van een bevel als bedoeld in artikel 3:296 lid 1 BW is de dreiging van zo’n onrechtmatige daad op zichzelf voldoende.

7.27.

Dat het water via de afvoerbuis van [appellanten] in de kelder van [geïntimeerden] terecht zal komen indien [geïntimeerden] die buis weer heeft ingekort, acht het hof evenwel onvoldoende onderbouwd. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. Voordat [geïntimeerden] wijzigingen hebben aangebracht aan de regenwaterafvoerbuizen van [appellanten] en [geïntimeerden], kwamen beide buizen, naar [geïntimeerden] niet weersproken hebben, uit op de hiervoor genoemde bestrate goot die het water diende af te voeren naar de straatkolk bij de openbare weg. [geïntimeerden] stellen dat zij die situatie aldus hebben gewijzigd dat zij hun regenpijp hebben aangesloten op een eigen regenopvangput en dat zij de buis van [appellanten] hebben verlengd (zie de foto’s 1 en 2 bij het proces-verbaal van de gerechtelijke plaatsopneming van 21 maart 2011) en dat, naar het hof begrijpt nadat [geïntimeerden] die maatregelen hadden genomen, een einde is gekomen aan de wateroverlast in de kelder van [geïntimeerden] Uitgaande van de juistheid van die stellingen is niet uit te sluiten dat de gestelde wateroverlast in de kelder veroorzaakt is door de waterafvoer van het dak van [geïntimeerden] zelf, al dan niet in combinatie met de waterafvoer van het dak van [appellanten] Bij die stand van zaken had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om meer concreet aan te geven waarom de wateroverlast het gevolg is van slechts de afvoer van regenwater door [appellanten] Door dit na te laten hebben [geïntimeerden] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een dreigende onrechtmatige daad als de regenwaterafvoerbuis weer in de oude situatie hersteld wordt.

7.28.

De vordering van [geïntimeerden] dient te worden afgewezen.

scheidsmuur

7.29.

Grief 3 betreft de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [appellanten] om [geïntimeerden] te veroordelen om tezamen met [appellanten] op gezamenlijke kosten een twee meter hoge erfafscheiding op te richten en in stand te houden op de grens van de hiervoor onder 7.2 door het hof omschreven L-vormige strook grond op de binnenplaats (vordering sub c). De rechtbank overwoog daartoe kort gezegd dat [appellanten] daarmee misbruik maken van hun recht. In appel hebben [appellanten] hun vordering vermeerderd door subsidiair te vorderen [geïntimeerden] te veroordelen hen toegang te verlenen tot het perceel van [geïntimeerden] om op de L-vormige strook grond een muur te realiseren langs de grens met het perceel van [geïntimeerden]

7.30.

[geïntimeerden] stellen dat [appellanten] met de vordering misbruik maken van hun recht nu zij daarbij geen enkel belang hebben. Zij voeren aan dat [appellanten] op grond van de akte van deling in de aan de binnenplaats grenzende gevels geen deuren, doorzichtige vensters of openingen mogen hebben en dat [appellanten] de L-vormige strook grond alleen kunnen en mogen gebruiken voor het plegen van onderhoud aan de aan de strook grenzende gevel en daken. [geïntimeerden] hebben er daarentegen belang bij dat zij niet hoeven aankijken tegen een ondoorzichtige erfafscheiding van twee meter hoog op de binnenplaats (“een Berlijnse muur”), zo stellen [geïntimeerden] In hoger beroep hebben zij hieraan toegevoegd dat geen sprake is van een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente als bedoeld in artikel 5:49 lid 1 BW.

7.31.

Volgens artikel 5:49 lid 1 BW kan – voor zover hier van belang – ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, waarbij geldt dat ieder der eigenaars in de kosten van de afscheiding voor gelijke delen bijdraagt. Daarnaast geldt op grond van artikel 5:48 BW dat de eigenaar van een erf bevoegd is om zijn erf af te sluiten.

7.32.

Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Volgens het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

7.33.

[appellanten] stellen dat zij op grond van hun eigendomsrecht recht en belang hebben bij het betreden, benutten en onderhouden van hun eigendom en bij het dienstbaar maken van de strook grond aan het gebruik van hun overige eigendommen. Zij hebben tijdens de comparitie in eerste aanleg naar voren gebracht dat hun belang bij het oprichten van een scheidsmuur is gelegen in het feit dat zij dan, wanneer die muur is geplaatst, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van [geïntimeerden], onderhoud kunnen plegen aan hun eigendom. Nadat een scheidsmuur is opgericht, zijn zij namelijk van plan een deur te maken in de gevel aan de ‘lange poot van de L’ en via deze deur kunnen zij dan hun eigendom op de binnenplaats betreden, zonder zicht te hebben op het perceel van [geïntimeerden] Door de muur wordt het uitzicht op het erf van [geïntimeerden] ontnomen, waardoor zij niet in strijd handelen met artikel 5:50 lid 1 BW door in de gevel een deur te plaatsen. De te plaatsen muur beoogt juist ook de bescherming van de privacy van [geïntimeerden], aldus steeds [appellanten]

7.34.

Het hof overweegt dat in de akte van deling uit 1884 is bepaald dat “lot A moet omspannen en mitsdien dicht maken alle deuren, vensters en openingen uitkomende op den ingang en op den mesthof van lot B (…)”. De ratio daarvan is de bescherming van de privacy van de eigenaren van lot B (thans [geïntimeerden]). Anders dan [appellanten] bepleiten, brengt een redelijke uitleg van het bepaalde in de akte van deling in het licht van deze ratio mee dat die bepaling niet slechts ziet op de in 1884 bestaande ramen en deuren, maar tevens op nieuw aan te brengen deuren. Aangenomen moet worden dat die verplichting ook geldt voor opvolgende eigenaren. [appellanten] hebben dit ook niet weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat. Nu het [appellanten] op grond van de akte uit 1884 niet is toegestaan een deur in hun gevel aan de binnenplaats aan te brengen, komt daarmee het door [appellanten] concreet gestelde belang bij het oprichten van een scheidsmuur te ontvallen.

7.35.

Andere concrete belangen bij het plaatsen van de scheidsmuur hebben [appellanten] niet gesteld. Daar staat tegenover dat [geïntimeerden] er belang bij hebben om niet aan te kijken tegen een scheidsmuur van twee meter hoog op de relatief kleine binnenplaats. De conclusie is daarom dat [appellanten] misbruik maken van hun bevoegdheid door de oprichting van een scheidsmuur te vorderen. Of al dan niet sprake is van een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente als bedoeld in artikel 5:49 lid 1 BW kan onbesproken blijven.

7.36.

Gelet op het voorgaande faalt de grief. De in hoger beroep ingestelde subsidiaire vordering dient op voormelde gronden te worden afgewezen.

toegang L-vormige strook grond

7.37.

Grief 4 ziet op de afwijzing door de rechtbank van de vorderingen sub d en f. De rechtbank overwoog in verband daarmee – kort gezegd – dat [appellanten] onvoldoende concreet hebben gesteld dat [geïntimeerden] niet hebben meegewerkt aan het verlenen van toegang tot de L-vormige strook grond.

7.38.

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerden] [appellanten] op basis van de akte uit 1884 toegang dienen te geven tot de L-vormige strook grond om onderhoud te plegen aan die strook grond en dat [appellanten] het recht hebben om een ladder op het perceel van [geïntimeerden] te plaatsen teneinde onderhoud en reparaties aan de daken van [appellanten] te verrichten. [appellanten] hebben gesteld dat [geïntimeerden] hen geen toegang geven tot de L-vormige strook grond, hetgeen door [geïntimeerden] wordt weersproken.

7.39.

Voor zover [appellanten] – zoals door hen aangevoerd – ten onrechte door de rechtbank niet in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen nader schriftelijk te onderbouwen, overweegt het hof dat – daargelaten de juistheid van deze laatste stelling – zij bij memorie van grieven alsnog daartoe voldoende mogelijkheid hebben gehad. [appellanten] hebben echter ook thans geen concrete datum gesteld waarop [geïntimeerden] hen de toegang tot de L-vormige strook hebben geweigerd. Zij hebben verwezen naar een viertal brieven uit 2004 en 2005 van de raadsman van [appellanten] aan de raadsman van [geïntimeerden] (producties 11, 11A, 11B en 11C mvg). In de brief van 9 september 2004 is vermeld dat het onderhoud dat conform afspraak in de tweede week van juni diende plaats te vinden in verband met een aantal open tuindagen bij [geïntimeerden] rond 29 mei 2004 naar voren is gehaald en door [appellanten] dus eerder is uitgevoerd. Hierin is de gestelde weigering van [geïntimeerden] niet te lezen. In de brief van 10 november 2004 is evenmin te lezen dat [geïntimeerden] toegang hebben geweigerd. In de brief van 17 november 2005 is vermeld dat [geïntimeerden] zich “uiterst star opstellen” door geen gelegenheid te bieden tot onderhoud op 23 en 24 september 2005 en is met zo veel woorden vermeld dat [appellanten] eerder wel flexibel zijn geweest in aanpassing van de afspraken. Ook in deze brief kan geen weigering worden gelezen als door [appellanten] gesteld. Alleen in de brief van 14 december 2004 is een concrete weigering vermeld, waar staat dat [appellanten] conform afspraak op zaterdag 11 december 2004 onderhoud wensten te plegen aan de strook grond en [geïntimeerden] [appellanten] niet hebben toegelaten tot het plegen van dat onderhoud. Het hof acht deze ene weigering, zo daarvan al sprake zou zijn geweest, onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg immers onweersproken naar voren gebracht dat één maal een datum is verplaatst omdat [geïntimeerden] toen echt geen gelegenheid hadden (p. 4 proces-verbaal van comparitie). Van een echte weigering, in die zin dat [geïntimeerden] hun afspraken zonder reden niet nakomen, is daarom geen sprake.

7.40.

Het voorgaande brengt mee dat [appellanten] de door hen gestelde weigering van [geïntimeerden] met de overgelegde brieven onvoldoende hebben onderbouwd. Het hof kan voorbijgaan aan het bewijsaanbod van [appellanten] op dit punt. De rechtbank heeft de vorderingen sub d en f terecht afgewezen.

struiken en bomen

7.41.

Grief 5 heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank van de vordering sub e. [appellanten] stellen dat [geïntimeerden] in strijd met de in de wet genoemde afstanden direct tegen, dan wel kort naast de grens van de L-vormige strook grond – in appel stellen zij op een kortere afstand dan 0,5 meter – bomen en struiken hebben geplant. Daarnaast stellen zij dat die struiken en bomen over de grens heen groeien en dat [geïntimeerden] ondanks diverse sommaties niet bereid zijn geweest om de overhangende takken te verwijderen. Meer concreet noemen [appellanten] een Portugese laurier die volgens [appellanten] hoog opgroeit. De takken van die laurier hangen volgens [appellanten] over de L-vormige strook en komen zelfs tegen de gevel van het pand van [appellanten] De laurier bevindt zich voor de twee ramen in de gevel aan de ‘korte poot’ van de L-vormige strook en neemt licht weg uit de appartementen waartoe de ramen behoren, zo stellen [appellanten]

7.42.

[geïntimeerden] beroepen zich op misbruik van recht. Zij stellen dat de L-vormige strook alleen kan en mag worden gebruikt voor het plegen van onderhoud en dat de Portugese laurier [appellanten] daarbij niet hindert. Daarnaast stellen zij dat de ramen in de gevel van [appellanten] ingevolge de akte van deling uit 1884 in verband met de privacy van [geïntimeerden] geblindeerd zijn en niet kunnen worden geopend. [geïntimeerden] stellen verder dat zij de Portugese laurier regelmatig snoeien zodat er geen takken over de grens groeien. Zij wijzen erop dat [appellanten] gerechtigd zijn om zo nodig zelf overhangende takken te verwijderen.

7.43.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat het beroep op misbruik van recht slaagt. Zij overwoog dat [appellanten] immers geen vensters mogen hebben voor zover deze uitzicht hebben op het erf van [geïntimeerden]. De twee vensters die [appellanten] aan de korte poot van de L-vormige strook grond hebben, zijn ondoorzichtig en geblindeerd, zo overwoog de rechtbank.

7.44.

Met de grief wordt allereerst betoogd dat [appellanten] geen direct belang dienen te stellen voor hun vordering op grond van artikel 5:42 BW omdat de aanwezigheid van de bomen/struiken binnen vijftig centimeter van de perceelsgrens onrechtmatig is. Dit standpunt is onjuist voor zover daarmee wordt betoogd dat de vordering geen misbruik van bevoegdheid kan opleveren als bedoeld in artikel 3:13 BW in verband met het ontbreken van enig belang bij [appellanten] bij verwijdering van de bomen/struiken. Dat kan wel en het hof verwerpt dit standpunt.

7.45.

[appellanten] hebben verder naar voren gebracht dat door het handhaven van de beplanting en door die beplanting te laten opschieten en te laten groeien over het eigendom van [appellanten] een verminderde lichtinval wordt gerealiseerd in de (vakantie)appartementen van [appellanten] De ramen van deze appartementen zijn weliswaar geblindeerd in die zin dat in de ramen geribbeld glas is aangebracht, maar dat betekent niet dat er geen licht door de ramen naar binnen kan, aldus [appellanten] Deze lichtinval is volgens hen noodzakelijk ingevolge bepalingen van het bouwbesluit, de bouwverordening en de appartementenvergunning.

7.46.

Het hof stelt voorop dat [appellanten] geen concrete bomen of struiken hebben genoemd, anders dan de Portugese laurier, zodat het hof ervan uitgaat dat de vordering slechts betrekking heeft op deze struik. Voor zover de vordering ook betrekking heeft op andere bomen/struiken, hebben [appellanten] hun stellingen onvoldoende onderbouwd en dient die te worden afgewezen.

7.47.

Artikel 5:42 BW bepaalt voor zover van belang dat het niet geoorloofd is om een struik binnen een halve meter van de grenslijn van een anders erf te hebben. Dat de Portugese laurier zich binnen een halve meter van de grenslijn van de L-vormige strook van [appellanten] bevindt, is door [geïntimeerden] niet gemotiveerd weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat.

7.48.

De ratio van artikel 5:42 BW, zo blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis ziende op het bepaalde in lid 3, is vooral het voorkomen dat de nabuur licht, lucht of uitzicht wordt ontnomen. [geïntimeerden] hebben niet weersproken dat de ramen van de appartementen bestaan uit geribbeld glas. Weliswaar zijn die ramen in die zin ondoorzichtig en geblindeerd, maar er kan wel licht door de ramen naar binnen vallen. Uit foto’s die bij het proces-verbaal van gerechtelijke plaatsopneming en comparitie in eerste aanleg zijn gevoegd (met name foto nr. 6) en uit de als productie 13 bij memorie van grieven overgelegde foto’s, blijkt dat de takken van de Portugese laurier zich voor de ramen van het onderste appartement bevinden. Daaruit moet worden afgeleid dat de laurier, die zich op korte afstand van die ramen bevindt, ook daadwerkelijk licht ontneemt aan in ieder geval het onderste appartement. De stelling van [geïntimeerden] dat dit niet zo is, acht het hof met de verwijzing naar de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s onvoldoende onderbouwd, zodat die gepasseerd wordt.

7.49.

Gelet op het voorgaande hebben [appellanten] een rechtens te respecteren belang bij verwijdering van de Portugese laurier en faalt het beroep van [geïntimeerden] op misbruik van recht. De vordering van [appellanten] sub e zal alsnog worden toegewezen voor zover die de verwijdering van de Portugese laurier betreft en het vonnis van de rechtbank dient in zoverre te worden vernietigd. Voor zover de vordering het snoeien van takken betreft, hebben [appellanten] daarbij gelet op de toewijzing van de vordering geen belang, zodat die in zoverre dient te worden afgewezen.

conclusie

7.50.

De slotsom van al het voorgaande is dat het vonnis waarvan beroep in conventie moet worden vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van [appellanten] sub a, b en e zijn afgewezen en in reconventie voor zover is geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerden] geen behandeling behoeft en [appellanten] zijn veroordeeld in de proceskosten.

Overeenkomstig de vordering van [appellanten] (sub g) zullen [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van een dwangsom van € 500,00 voor het geval [geïntimeerden] niet (volledig) voldoen aan hetgeen waartoe zij zullen worden veroordeeld, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,00 per veroordeling. Ook in zoverre dient het vonnis van de rechtbank vernietigd te worden.

Opnieuw recht doende zullen de vorderingen van [appellanten] sub a, b, e en g alsnog worden toegewezen als na te melden.

Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in eerste aanleg in conventie aldus worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. In reconventie zullen [geïntimeerden] in de kosten worden veroordeeld. Ook in zoverre zal het vonnis van de rechtbank worden vernietigd. In het feit dat partijen ook in hoger beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding ook de kosten van het hoger beroep te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals verzocht, nu op dit punt geen verweer is gevoerd.

8 De uitspraak

Het hof:

8.1.

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij in conventie de vorderingen van [appellanten] sub a, b, e en g zijn afgewezen en in reconventie is verstaan dat de vordering van [geïntimeerden] geen behandeling behoeft en voor zover [appellanten] daarbij zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten zijn veroordeeld,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [geïntimeerden] jegens [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld en inbreuk hebben gemaakt op de eigendomsrechten van [appellanten] met betrekking tot de aan [appellanten] in eigendom toebehorende strook grond die in dit arrest is aangeduid als ‘strook X’, door deze strook grond te occuperen, de bestrating te verwijderen en de regenwaterafvoerbuis te verlengen;

veroordeelt [geïntimeerden] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest de stoornis door [geïntimeerden] in de eigendomsrechten van [appellanten] ongedaan te maken, te staken en gestaakt te houden en de oorspronkelijke toestand te herstellen, in die zin dat de aanwezige kiezelstenen worden verwijderd en de oorspronkelijke bestrating wordt hersteld, alsmede dat de verlenging van de regenwaterafvoerbuis ongedaan wordt gemaakt;

veroordeelt [geïntimeerden] tot verwijdering van de Portugese laurier;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) voor iedere overtreding dan wel het niet of niet geheel nakomen van c.q. voldoen aan de veroordelingen bij dit arrest, zulks met een maximum van € 25.000,00 per veroordeling;

wijst de vordering van [geïntimeerden] in voorwaardelijke reconventie af;

compenseert de proceskosten in conventie in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie aan de zijde van [appellanten] begroot op € 425,= aan kosten advocaat;

8.2.

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

8.3.

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

8.4.

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.5.

wijst het meer of anders door [appellanten] gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, E.K. Veldhuijzen van Zanten en L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.

griffier rolraadsheer