Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2116

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
F 200 166 347_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 juni 2015

Zaaknummer : F 200.166.347/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/290815 JE RK 14-2234

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante 1],

en

[appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. S. Bhulai,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie],

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 maart 2015, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover bestreden en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] wederom thuis wordt geplaatst.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 april 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Bhulai. Voor de moeder is mevrouw J. Bensmali opgetreden als tolk in de Marokkaanse taal;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad];

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2].

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 december 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 26 maart 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) geboren.

3.2.

Sinds 7 juni 2005 stond [minderjarige] onder toezicht van de stichting. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd tot 7 juni 2013.

Vanaf 5 februari 2007 is [minderjarige] uithuisgeplaatst. Hij verblijft sinds 13 september 2013 op een behandelgroep van Kompaan en De Bocht (Toermalijn).

3.3.

Bij beschikking d.d. 10 april 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de ouders ontheven van het ouderlijk gezag.

Deze beschikking is door dit hof bij beschikking d.d. 10 oktober 2013 vernietigd.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar, derhalve tot 12 december 2015 en machtiging verleend aan de stichting om hem met ingang van 12 december 2014 tot uiterlijk 12 december 2015 uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De ouders voeren – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de ouders conform artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onmachtig zijn om hun plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. De rapportage van het Ambulatorium is gedateerd en onzorgvuldig opgesteld. Bovendien is dat rapport gebaseerd op de situatie waarin [minderjarige] veilig gehecht was in het toen nog perspectief biedende pleeggezin, dat hem de nodige veiligheid en structuur leek te kunnen bieden.

Hoewel de stichting geacht wordt vooreerst te trachten de ouders in de thuissituatie zodanig te ondersteunen dat zij de opvoeding en verzorging van hun kind weer ter hand kunnen nemen, heeft de stichting nimmer serieus de optie bekeken om [minderjarige] terug te plaatsen. De strijd die de stichting tegen de ouders, althans tegen de moeder voert, staat voorop. De ouders zijn onder druk gezet en onvoldoende begeleid. Men heeft geen aandacht voor de wens van [minderjarige], die al tien jaar onder toezicht staat.

Het contact tussen [minderjarige] en de ouders is recentelijk uitgebreid. [minderjarige] wilde heel graag meer contact met zijn ouders hebben en was zeer gelukkig met begeleide bezoeken bij hen thuis. Hij is vrolijk rondom het contact met zijn ouders en laat bij hen ook minder spanning zien.

Omtrent de moeder heersen bij de stichting vooroordelen. De moeder heeft zich aangemeld bij GGz Breburg. Zij heeft jarenlang machteloos moeten toezien hoe haar zoon werd misbruikt en er gedurende de uithuisplaatsing nog slechter af was dan bij ouders thuis.

De vader ziet het verdriet van de moeder en voert een machteloze strijd tegen de stichting. In het verleden is geconstateerd dat de vader over positieve pedagogische vaardigheden beschikt, kan aansluiten bij de belevingswereld van [minderjarige], hem kan begrenzen en een activiteit kan ‘voorstructureren’. [minderjarige] is zich intussen meer gaan hechten aan de vader en hij heeft een zekere band met hem opgebouwd. De vader staat onder behandeling bij GGz onder meer voor de verwerking van het verlies van zijn oudste zoon en om te praten over de relatie met de moeder. De moeder sluit aan het eind van het gesprek altijd aan.

De traumabehandeling van [minderjarige] is niet gestart. Bij dit besluit zijn de ouders niet betrokken. Zij zijn echter van mening dat, gelet op het seksueel grensoverschrijdende gedrag van [minderjarige] (hetgeen vaker voorkomt bij kinderen die in het verleden zijn misbruikt), deze behandeling wel noodzakelijk is. Vanwege de problematiek van [minderjarige] werd geadviseerd hem in een gezinshuis te laten opgroeien. Volgens de ouders wordt [minderjarige] voor alles gestraft en zijn zijn schoolresultaten slecht. Hij komt vaak te laat op school. De ouders betwijfelen of [minderjarige] wel naar de juiste school gaat, gezien zijn achtergrond. Er is nog altijd onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige].

De ouders wensen dat [minderjarige] thuis wordt geplaatst. De ouders menen dat de hulpverlening voor [minderjarige] ook in een vrijwillig kader kan worden gecontinueerd, dan wel tot stand kan komen.

3.7.

De stichting voert – kort samengevat – het volgende aan.

Voor [minderjarige] werd het sinds begin februari 2015 moeilijker om zich positief op te stellen in de behandelgroep. Hij stelde zich laconiek, opstandig en dreigend op. [minderjarige] is overgeplaatst naar een gezinshuis, eveneens van Kompaan en De Bocht. Recent zijn door Kompaan en De Bocht een aantal eerdere incidenten bekend geworden, die nu pas door groepsgenoten gemeld zijn en welke betrekking hebben op seksueel grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] naar groepsgenoten.

Op school heeft [minderjarige] veel structuur nodig om tot leren te kunnen komen. Hij benadert klasgenoten vaak op een verkeerde manier. Bij creatieve vakken kan [minderjarige] echter intensief en geconcentreerd bezig zijn.

Traumabehandeling van Herlaarhof is niet gestart, omdat in de situatie van [minderjarige] niet aan de voorwaarden (rust, veiligheid en emotionele stabiliteit) voor de behandeling werd voldaan. Het is te verwachten dat door uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en de ouders, op termijn wel aan die voorwaarden zal worden voldaan. Er wordt toegewerkt naar een structureel tweewekelijks weekendbezoek van [minderjarige] bij de ouders, van vrijdagmiddag tot zondagavond. In het weekend van 11 en 12 april 2015 verbleef [minderjarige] al van zaterdagochtend tot zondagmiddag onbegeleid bij de ouders. Bij slechter verloop van de contacten zal gekeken worden hoe dit kan worden verbeterd, waarbij niet gekozen zal worden voor beperking van het contact. Voorts is afgesproken dat [minderjarige] de behandeling blijft volgen die de instelling hem kan bieden.

Men is zoekende naar een goede plek voor [minderjarige] om verder op te groeien. Volgens de stichting behoort thuisplaatsing evenwel op dit moment niet tot de mogelijkheden, omdat de stichting verwacht dat de ouders in de opvoeding van [minderjarige] snel zullen vastlopen, hetgeen de omgang en hun onderlinge band negatief kan beïnvloeden. Bovendien wordt [minderjarige] in de thuissituatie overvraagd en belast met volwassenproblematiek.

De stichting bekijkt de mogelijkheid van een plaatsing op een zorgboerderij van Juzt in [plaats], om in een later stadium eventueel de mogelijkheden van thuisplaatsing te gaan onderzoeken.

De samenwerking van de stichting en de ouders verloopt goed. Tijdens de gesprekken met de gezinsvoogd discussiëren de ouders onderling echter veelvuldig, waarbij de vader de moeder steeds dient te begrenzen.

3.8.

De raad voert ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

Het gaat niet om wie de schuld kan worden gegeven van die dingen die niet goed zijn gegaan. In de allereerste ontwikkeling van [minderjarige] was al sprake van een hechtingsstoornis. Dit was de basis waarop dingen in zijn latere leven niet goed zijn gegaan.

Er is verwarring over de definitie van ‘behandeling’ binnen het gezinshuis. Er zijn voor de opvoeding van [minderjarige] meer vaardigheden nodig dan de gemiddelde ouder in zich heeft.

Vanwege de hechtingsproblematiek is gekozen voor plaatsing in een gezinshuis. Hierbij wordt niet ingespeeld op het gevoel en inzicht van het kind. Tevens wordt niet ingezet op het creëren van een affectieve band, maar op het bieden van structuur en duidelijkheid, in de hoop dat het kind gaat leren dit, als basis, vast te houden. Dat leidt er vaak toe dat het beeld ontstaat dat het kind alleen maar wordt gestraft en taakjes moet doen. Het aanbieden van die structuur is echter de behandeling, waarvan je niet snel het resultaat ziet, hetgeen in deze situatie een complicerende factor is en de ouders frustreert.

De raad verwijst naar verschillende factoren waarmee rekening dient te worden gehouden: het IQ van [minderjarige], de beperkte zelfreflectie van de moeder en het gevoel van de moeder dat het allemaal aan haar ligt, alsmede de conflicten tussen de ouders waar [minderjarige] tussen zit.

Men kan handelen vanuit de emotie die bij iedereen leeft en vanuit de wens van de ouders en [minderjarige] door thuisplaatsing een kans te geven. Als deze thuisplaatsing mislukt, levert dit echter wederom een enorme beschadiging op. Hierin kan volgens de raad niet de veiligheid worden gevonden die men [minderjarige] wilt bieden. Bovendien weet de raad niet welke vorm van ambulante hulpverlening in die situatie passend zou zijn. Daarbij komt dat de kans aanwezig is dat [minderjarige], die zelf naar school fietst, in de verleiding komt om een meisje te betasten. Ook dit zou een onveilige situatie met zich brengen omdat hij daarop in de woonplaats van de ouders zou worden aangekeken, hetgeen wederom stress zou opleveren.

Er is winst geboekt door wat meer omgang en ‘gezamenlijkheid’ tussen de ouders en [minderjarige] te realiseren. De raad maakt zich echter ernstige zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige]. Ten aanzien van de traumatherapie hanteert Herlaarhof het strikte beleid dat zij de behandeling niet starten als er teveel onrust is, terwijl de betrokkenen die rust juist met behulp van Herlaarhof willen creëren.

Het streven op dit moment is dat alle betrokkenen gaan samenwerken en dat [minderjarige] zoveel mogelijk kan profiteren van de affectie van zijn ouders. Nodig is daarvoor wel dat de ouders inzien dat [minderjarige] de huidige behandeling in het gezinshuis nodig heeft.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 18 november 2014 is derhalve artikel 1:254 BW (oud) van toepassing op de onderhavige zaak.

3.9.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 BW (oud) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.9.3.

Het hof stelt vast dat, gelet op de kindeigen problematiek van [minderjarige], onder meer als gevolg van zijn belaste verleden en de traumatische gebeurtenissen gedurende de vele jaren van uithuisplaatsing, hij veel vraagt van zijn opvoeders en de omgeving waarin hij verblijft. [minderjarige] heeft veel structuur, stabiliteit en begrenzing nodig. Het hof stelt vast hem die worden geboden in de groep c.q. het gezinshuis waar hij sinds korte tijd verblijft. Het hof volgt het standpunt van de raad dat het verblijf in een omgeving die aan genoemde voorwaarden voldoet, reeds therapie c.q. behandeling op zich is. De behandeling binnen het gezinshuis is erop gericht dat [minderjarige] de geboden structuur en stabiliteit op enig moment gaat internaliseren.

Uit het gesprek met [minderjarige] voorafgaand aan de zitting en hetgeen de stichting hieromtrent heeft verklaard, maakt het hof op dat [minderjarige] zelf een te gunstig beeld heeft van zijn houding en positie binnen de groep en op school. [minderjarige] vertoont nog altijd zorgelijk gedrag, waaronder seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Het hof is van oordeel dat de ouders, als ouderpaar, onvoldoende kunnen voldoen aan de eisen die [minderjarige] aan zijn opvoedingsomgeving stelt, nu zij niet beschikken over de meer dan gemiddelde opvoedingsvaardigheden die in deze situatie nodig zijn. De moeder heeft reeds enorme moeite om haar eigen houding en gedrag (bijvoorbeeld in het kader van de samenwerking met de stichting) te begrenzen en daarop te reflecteren.

Het hof acht het op grond van het voorgaande voor [minderjarige] van groot belang dat de huidige plaatsing gecontinueerd wordt. Het hof wijst daarbij op de terechte stelling van de raad ter zitting dat, de keuze om de band tussen de ouders en [minderjarige] en hun wens om [minderjarige] thuis te plaatsen te laten prevaleren, meer gebaseerd zou zijn op emotie dan op een objectieve afweging van de (opvoed)factoren. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om een dergelijke beslissing te nemen, gelet op het reële risico dat een thuisplaatsing niet slaagt.

3.9.4.

Het hof acht het zeer wenselijk dat in deze situatie op een zo kort mogelijke termijn een modus wordt gevonden, waarmee alle betrokkenen kunnen leven. Idealiter groeit [minderjarige] op in een omgeving die hem de nodige structuur biedt, maar waarin hij eveneens optimaal kan profiteren van de warmte en de liefde van zijn ouders op de momenten die zich daartoe lenen. De uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de ouders is naar het oordeel van het hof een stap in die richting.

Het hof acht het derhalve van belang dat de ouders zich realiseren hoe belangrijk de huidige behandeling is voor [minderjarige], dat zij aan [minderjarige] emotionele toestemming geven om in het gezinshuis te verblijven en dat zij hun medewerking verlenen aan de therapie die [minderjarige] nodig heeft om zijn trauma’s te verwerken.

De samenwerking met de ouders en niet de strijd tegen ouders dient in dit kader centraal te staan. Van de stichting verwacht het hof derhalve dat begrip wordt getoond voor de situatie waarin de ouders zich al jaren bevinden, waarin er van alles is misgegaan, hetgeen hun weerstand tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft gevoed. De stichting heeft derhalve de taak om te investeren in de communicatie met de ouders. Recent is het gezin een nieuwe gezinsvoogd toegewezen. Ter zitting is gebleken dat deze gezinsvoogd met een brede visie het toekomstperspectief van [minderjarige] zal beoordelen.

3.9.5.

Al het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 december 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, H. van Winkel en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2015.