Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2113

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
20-002931-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:5511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting in Eindhovens studentenhuis. Twee jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24c, 36f
Wetboek van Strafrecht 37a, 37b, 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002931-14

Uitspraak : 11 juni 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-865042-14 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

thans verblijvende in Huis van Bewaring te Roermond.

Hoger beroep

Bij het beroepen vonnis is aan de verdachte ter zake van verkrachting een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.

De rechtbank heeft tevens beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Voor het geval het hof niet tot een vrijspraak komt, heeft hij een voorwaardelijk verzoek gedaan om het onderzoek te heropenen en aangeefster [slachtoffer] ter terechtzitting als getuige te horen. Voor het geval het hof oplegging van terbeschikkingstelling overweegt, heeft de raadsman verzocht het onderzoek te heropenen en de mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden nader te onderzoeken. Hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de duur van een eventueel op te leggen gevangenisstraf en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, maar zich verzet tegen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich grotendeels verenigen met het beroepen vonnis. Nu het hof echter tot een andere bewezenverklaring komt – anders dan de rechtbank acht het hof niet bewezen dat er ook sprake is geweest van bedreiging met geweld of andere feitelijkheden – dient het vonnis te worden vernietigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 maart 2014 te Eindhoven door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) mevrouw [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- meermalen, althans eenmaal, het naakte lichaam van [slachtoffer] betast en/of

- meermalen, althans eenmaal, één of meer van zijn vinger(s) in de vagina van [slachtoffer] gebracht en/of

- [slachtoffer] gekust op de wang, mond, nek en/of

- getracht zijn penis in de vagina van [slachtoffer] te brengen,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- [slachtoffer] heeft belet de kamer te verlaten en/of

- [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en/of

- tegen [slachtoffer] gezegd heeft "je gaat nergens naartoe, ik ben een psychopaat" en/of

- heeft geëist dat [slachtoffer] al haar kleren uit zou doen en/of

- [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en/of [slachtoffer] in haar gezicht heeft geslagen,

en/of (aldus) voor [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 maart 2014 te Eindhoven door geweld en een andere feitelijkheid mevrouw [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte:

- het naakte lichaam van [slachtoffer] betast en

- meermalen vingers in de vagina van [slachtoffer] gebracht en

- [slachtoffer] gekust op de wang, mond en nek en

- getracht zijn penis in de vagina van [slachtoffer] te brengen,

en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:

- [slachtoffer] heeft belet de kamer te verlaten en

- [slachtoffer] met kracht heeft vastgepakt en

- tegen [slachtoffer] gezegd heeft "je gaat nergens naartoe, ik ben een psychopaat" en

- heeft geëist dat [slachtoffer] al haar kleren uit zou doen en

- [slachtoffer] aan haar haren heeft getrokken en [slachtoffer] in haar gezicht heeft geslagen,

en aldus voor [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, opgenomen in bijlage A bij het vonnis. Deze bijlage is in afschrift aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De paginanummering bij de aanduiding van de bewijsmiddelen verwijst naar de doorgenummerde pagina’s 1-137 van het dossier van de politie, Eenheid Oost-Brabant, nr. BVH 2014035071, sluitingsdatum 9 april 2014.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende overtuigend bewijs zou zijn voor de ten laste gelegde verkrachting. Daartoe is – op gronden als nader in de pleitnota verwoord – het volgende aangevoerd.

i.

Volgens de verdachte was er sprake van een vrijwillige vrijage met aangeefster [slachtoffer]. Zij had een motief om niet naar waarheid te verklaren over de vrijwilligheid van het seksueel contact in verdachtes kamer in het studentenhuis, aangezien tijdens dat contact haar vriend aanbelde en de vrijage verstoorde. Aangeefster werd dus betrapt op overspel. Schaamte en schuldgevoelens kunnen haar hebben doen besluiten om plotsklaps schreeuwend naar buiten te rennen en vervolgens een draai aan het verloop van de gebeurtenissen te geven.

ii.

Aangeefster is niet in haar moedertaal (Koreaans), maar in het Engels gehoord en er bestaat aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van haar beheersing van de Engelse taal.

iii.

De politie heeft bij aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat de twee enveloppen, waarin de twee bij de verdachte afgenomen DNA-monsters afzonderlijk zijn verpakt, abusievelijk zijn verwisseld. Het is echter net zo goed mogelijk dat de barcodes op de buisjes zijn verwisseld in plaats van de opschriften op de enveloppen. Dit betekent dat het gehele DNA-onderzoek onbetrouwbaar is.

iv.

Er bestaat een opvallende discrepantie tussen de verklaring van aangeefster bij de politie en haar verklaring bij de rechter-commissaris. Anders dan bij de politie, heeft zij bij de rechter-commissaris slechts in algemene termen verklaard dat er sprake is geweest van dwang of agressiviteit, maar zij heeft verzuimd om concreet aan te geven waaruit die dwang of agressiviteit feitelijk bestond.

Het hof overweegt als volgt.

ad i.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster. Zij heeft in haar aangifte op 16 maart 2014 gedetailleerd verklaard over hetgeen tussen haar en de verdachte is voorgevallen. De inhoud van de aangifte maakt op het hof een authentieke indruk en komt logisch en consistent over, ook wanneer die wordt bezien in relatie tot de verklaring van aangeefster tijdens het zogenaamde zedenintakegesprek bij de politie op 15 maart 2014 en haar verklaring bij de rechter-commissaris op 14 juni 2014.

De verklaringen van aangeefster vinden bovendien steun in objectief bewijsmateriaal, te weten de resultaten van het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het feit dat de ter plaatse gekomen politie heeft waargenomen dat de broek van de verdachte openstond, dat zijn geslachtsdeel zichtbaar was omdat hij geen ondergoed droeg en dat de kleding en de schoenen van aangeefster zich in de kamer van de verdachte bevonden.

Haar verklaringen vinden tevens steun in het door getuigen direct na het ten laste gelegde voorval waargenomen gedrag van aangeefster, te weten het gillend en nagenoeg naakt – zij droeg slechts een jas – het huis uit vluchten, waarna zij heel angstig oogde, trilde en in shock leek te verkeren. Haar verklaringen vinden voorts steun in het fysiek en verbaal agressieve gedrag van de verdachte toen hij kort na aangeefster uit de woning kwam gelopen. De verdachte sloeg de vriend van aangeefster met kracht in het gezicht en riep tegen [getuige]: “Jij bent pot en jouw vrouw neuk ik ook nog.”

Evenals de rechtbank betrekt het hof bovendien in zijn oordeel dat aangeefster ten tijde van het ten laste gelegde een afspraak bij haar school had met haar vriend. Toen zij niet op die afspraak verscheen en evenmin op zijn telefoontjes reageerde – hetgeen voor haar ongewoon was – is haar vriend ongerust naar het studentenhuis gegaan. Het hof acht het volstrekt onwaarschijnlijk dat aangeefster met de verdachte vrijwillig seksueel contact zou hebben in het studentenhuis op een moment dat zij ook een afspraak had met haar vriend.

ad ii.

Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat aangeefster bij aanvang van haar aangifte te kennen heeft gegeven dat zij liever in de Engelse taal wordt gehoord dan in het Koreaans, dat de politie haar heeft voorgehouden dat zij het gewoon moet zeggen als zij een vraag niet begrijpt en dat bij het opnemen van de aangifte gebruik is gemaakt van een verhoortolk in de Engelse taal.

Bij de rechter-commissaris, waar zij eveneens met bijstand van een tolk in de Engelse taal is gehoord, heeft aangeefster verklaard dat zij bij de aangifte ervoor heeft gekozen om in het Engels te verklaren omdat het voor haar makkelijker is om Engels te spreken als het gaat over intieme dingen. Zij heeft bij de rechter-commissaris voorts verklaard dat zij zich bij de politie goed heeft kunnen uitdrukken in het Engels en dat zij haar emoties, gevoelens en de details van de zaak tijdens het verhoor goed heeft kunnen verwoorden.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van de beheersing van de Engelse taal door aangeefster. Het enkele feit dat zij, zoals de raadsman heeft aangevoerd, bij het doen van haar aangifte niet direct op het Engelse woord “experience” kon komen – meer voorbeelden heeft de raadsman niet genoemd – maakt niet aannemelijk dat aangeefster de Engelse taal onvoldoende beheerst en dat zij heeft gegokt met Engelse termen. Het hof acht ook anderszins niet aannemelijk geworden dat het feit dat aangeefster, die in Nederland een studie volgt, niet in haar moedertaal is gehoord, een negatieve invloed heeft gehad op de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Het hof merkt hierbij nog op dat het door de raadsman aangehaalde voorbeeld niet ziet op de door aangeefster beschreven seksuele handelingen, het geweld of de dwang – de kern van het ten laste gelegde – maar op een voor de beoordeling van het ten laste gelegde ondergeschikt punt.

ad iii.

Het door de raadsman bedoelde aanvullende proces-verbaal (nr. PL2200-2014035071-17), op 2 juli 2014 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant], vermeldt gedetailleerd de gang van zaken bij de verpakking van de DNA-monsters. Dit proces-verbaal maakt duidelijk dat de beschermhulzen van de monsters de juiste beschrijvingen bevatten en dat de enveloppen waarin die beschermhulzen met daarin de monsters zijn verpakt abusievelijk door [verbalisant] zijn voorzien van het verkeerde opschrift.

Het hof ziet, mede in aanmerking genomen dat de raadsman dienaangaande niets concreets heeft aangevoerd, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit aanvullende proces-verbaal.

Blijkens het deskundigenrapport van het NFI van dr. A.G.M. van Gorp d.d. 6 juni 2014 (p. 2) zijn in dit rapport door het NFI de beschrijvingen op de beschermhulzen aangehouden, derhalve de juiste beschrijvingen van de monsters.

ad iv.

Het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris vond plaats op verzoek van en in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van de verdachte en vormde een aanvullend verhoor op de verhoren van aangeefster door de politie. Dat een op een later moment in de strafprocedure afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris in het algemeen minder concreet en gedetailleerd zal zijn dan een kort na het ten laste gelegde voorval gedane aangifte, laat zich mede verklaren door het tijdsverloop. Het hof wijst in dit verband op de volgende passage uit het verhoor bij de rechter-commissaris: “U vraagt mij om te beschrijven wat er gebeurde nadat ik naakt was. Dat staat al in mijn verklaring, moet ik het opnieuw zeggen? Ik hoor de raadsman zeggen dat hij graag wil dat ik verder verklaar wat er is gebeurd, en ik hoor hem ook zeggen dat hij begrijpt dat ik bij de politie veel uitvoeriger heb verklaard dan dat ik nu na 3 maanden nog zal kunnen.”

Het hof is van oordeel dat, zo al gezegd kan worden dat aangeefster in het verhoor bij de rechter-commissaris niet concreet heeft verklaard waaruit de dwang of agressiviteit feitelijk bestond, het op de weg van de toenmalige raadsman had gelegen om daarover door te vragen.

Het hof ziet in de inhoud van de verklaring van aangeefster bij de rechter-commissaris geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door haar in de aangifte verstrekte details over de agressiviteit van de verdachte en de door hem uitgeoefende dwang.

Voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefster

Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het als getuige horen van aangeefster [slachtoffer] af, omdat het een dergelijk verhoor niet noodzakelijk acht. De verklaringen van [slachtoffer] vinden, zoals hiervoor overwogen, steun in het overige bewijsmateriaal en zij is in eerste aanleg reeds in het bijzijn van de verdediging gehoord, waarbij de toenmalige raadsman in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt, om haar te bevragen en zodoende haar betrouwbaarheid te toetsen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

verkrachting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en tbs-maatregel

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt verkrachting van een medebewoonster van een studentenhuis. Hij heeft het slachtoffer belet zijn kamer te verlaten, waardoor het slachtoffer zich erg bang en hulpeloos voelde. Pas na geruime tijd is het haar gelukt de kamer te ontvluchten. De verdachte heeft hiermee een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, haar lichamelijke integriteit aangetast en haar vertrouwen in hem ernstig beschaamd. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 april 2015 eerder ter zake van gewelds- en zedendelicten is veroordeeld.

In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde de verdachte in licht verminderde tot verminderde mate kan worden toegerekend, zoals hierna zal worden overwogen. Het hof heeft bij de duur van de op te leggen gevangenisstraf voorts het vrijheidsbenemende karakter van de eveneens op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege betrokken.

Op grond van het vorenstaande acht het hof - evenals de rechtbank en de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren passend en geboden.

Tbs-maatregel

De advocaat-generaal heeft oplegging van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd.

i.

Het hof stelt voorop dat het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zodat in zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

ii.

Drs. M.M.F. van Casteren, GZ-psycholoog, heeft een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte, hetgeen heeft geleid tot een Pro Justitia rapportage d.d. 13 juni 2014.

Dr. R.J. Verkes en drs. C.G. Huisman, beiden psychiater, hebben eveneens een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte. Dit heeft geleid tot een gezamenlijke Pro Justitia rapportage d.d. 16 juni 2014.

iii.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de mate van toerekeningsvatbaarheid overweegt het hof als volgt.

Het rapport van drs. Van Casteren houdt onder meer het volgende in:

“Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische trekken. Deze persoonlijkheidsstoornis bestaat al geruime tijd en was derhalve ook al aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (zodanig dat dat mede daaruit verklaard kan worden)? Ja.

Het lijkt erop dat betrokkene zijn eigen behoefte aan seks op het slachtoffer geprojecteerd heeft en weinig oog had voor haar gevoelens en rechten. Door zijn persoonlijkheidsstoornis is hij geneigd anderen instrumenteel te gebruiken en staat hij nauwelijks stil bij de impact van zijn gedrag op de ander. Mogelijk voelde hij zich afgewezen en gekrenkt door eerdere afwijzingen van het slachtoffer om seks met hem te hebben. Door de overmatig inname van alcohol is de toch al gebrekkige impulscontrole nog verder aangetast. Gezien de doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis in het denken, voelen en handelen van betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde wordt geadviseerd hem als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Bij deze overweging zijn vooral de narcistische kenmerken meegewogen. De alcoholintoxicatie is hierbij niet meegewogen omdat betrokkene geacht wordt op de hoogte te zijn van de ontremmende invloed van alcohol op zijn gedrag.” (p. 17-18)

Het rapport van dr. Verkes en drs. Huisman houdt onder meer het volgende in:

“Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Ja, betrokkene lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met enkele kenmerken van psychopathie. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was er sprake van genoemde persoonlijkheidsstoornis. De antisociale persoonlijkheidsstoornis met enkele kenmerken van psychopathie in combinatie met de alcoholintoxicatie, met als gevolg een verder verminderde impulscontrole, heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde. Dit geschiedde in enige mate. Wij adviseren tot verminderde toerekeningsvatbaarheid. (Wij hanteren hierbij drie mogelijke categorieën: niet, verminderd, of geheel toerekeningsvatbaar.)” (p. 17)

Op grond van de hiervoor weergegeven conclusies van gedragsdeskundigen stelt het hof vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en dat het bewezen verklaarde hem in licht verminderde tot verminderde mate kan worden toegerekend.

iv.

Ten aanzien van het recidivegevaar en de noodzaak tot behandeling van de verdachte overweegt het hof als volgt.

Het rapport van drs. Van Casteren houdt onder meer het volgende in:

“Samenvattend wordt het gevaar op toekomstig (seksueel en andersoortig) delictgedrag ingeschat op hoog. Zwaarwegend daarbij zijn het gebrek aan empathie en berouw, de aanpassingsproblemen die betrokkene laat zien waardoor hij in maatschappelijk opzicht gemarginaliseerd is, het externaliseren van de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en de noodzaak van begeleiding of behandeling niet inzien waardoor eerdere begeleidings- en behandeltrajecten vastgelopen zijn. Betrokkene heeft een lang strafblad en was pas kort uit detentie toen hij voor het huidige ten laste gelegde werd aangehouden.” (p. 16)

“Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

Betrokkenes gebrek aan inzicht in zijn persoonlijkheidsstoornis en gebrek aan inzicht in de noodzaak van behandeling, zijn impulsief, onverantwoordelijk gedrag, de verstoorde gewetensfuncties waardoor hij makkelijk over de grenzen van anderen heen gaat en zonder schuldgevoel instrumenteel gebruik maakt van anderen voor de vervulling van zijn eigen behoeften. Het ontbreken van een woning, dagbesteding en inkomen verhoogt het recidiverisico aanzienlijk. Deze risicofactoren versterken elkaar in negatieve zin.

Bij betrokkene is sprake van een ernstige persoonlijkheidsproblematiek die lastig te behandelen is. Een eerder ingezette ambulante behandeling bij de GGZ Helmond is niet van de grond gekomen omdat betrokkene niet gemotiveerd was en niet op afspraken kwam opdagen. Het ontbreekt betrokkene aan probleembesef en probleeminzicht. Er zal de nodige druk nodig zijn om betrokkene in beweging te laten komen en tot een gedragsverandering aan te zetten. Een klinische behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek lijkt daartoe het meest geschikt. Mocht tot een klinische behandeling besloten worden dan is een gedwongen kader aangewezen gezien de houding van betrokkene.” (p. 18)

Het rapport van dr. Verkes en drs. Huisman houdt onder meer het volgende in:

“Onze klinische inschatting is dat er een substantieel recidiverisico is op een seksueel delict. Ter ondersteuning van deze klinische inschatting hebben ondergetekenden gebruik gemaakt van de Sexual Violence Risk-20 als risicotaxatieinstrument. Concluderend stellen wij op grond van klinisch oordeel aangevuld met de score op de SVR-20 dat er een aanzienlijk risico bestaat op herhaling van een seksueel delict. Daar er sprake is van doorwerking van betrokkenes psychopathologie op het ten laste gelegde is een TBS maatregel, als ultimum remedium inzake reductie van recidiverisico, door Uw College af te wegen.” (p. 16)

v.

Het hof heeft tevens de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht in aanmerking genomen.

Het hof heeft ten slotte de ernst van het begane feit, zoals hiervoor uiteengezet in de strafmotivering, en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijven in aanmerking genomen.

De verdachte werd blijkens genoemd Uittreksel Justitiële Documentatie onherroepelijk veroordeeld ter zake van onder meer - kort gezegd - bedreiging met zware mishandeling, mishandeling, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot verkrachting (veroordeling in 2007), ontucht met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren (veroordeling in 2011) en poging tot zware mishandeling (veroordeling in 2012).

vi.

Gelet op de bij de verdachte gediagnosticeerde pathologie en het hoge/aanzienlijke recidivegevaar is het hof van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk is ter beteugeling van verdere recidive en daarmee ter bescherming van de maatschappij.

Naar het oordeel van het hof eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, daarom oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling. De veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, eist voorts dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Evenals de rechtbank zal het hof derhalve aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen.

vii.

Het door de verdachte begane feit ter zake waarvan de maatregel wordt opgelegd, is een misdrijf dat gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek naar tbs met voorwaarden

Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot nader onderzoek naar de mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden af, omdat het hof dergelijk onderzoek niet noodzakelijk acht.

De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn verzoek verwezen naar een passage uit een reclasseringsrapport (“reclasseringsadvies beknopt zonder diagnose”) d.d. 13 mei 2013 dat in een andere strafzaak is opgemaakt. Uit dat rapport zou blijken dat een eerder hulpverleningstraject geen doorgang vond enkel in verband met ziekte van de betreffende contactpersoon en niet als gevolg van een gebrek aan medewerking bij de verdachte. In de nadien uitgebrachte rapporten zouden de deskundigen vervolgens ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat de verdachte in het verleden geen medewerking heeft verleend aan hulpverlening.

De door de raadsman bedoelde passage in het rapport luidt als volgt:

“Betrokkene is door de reclassering doorverwezen naar de GGz. Betrokkene heeft daar een gesprek gehad, helaas werd kort daarna de medewerker ziek, waardoor er een nieuw contactpersoon moest worden aangewezen. Het contact wordt op korte termijn hervat. Doel van de contacten is allereerst te onderzoeken of betrokkene een passend aanbod kan worden gedaan.” (p. 3)

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt deze enkele passage niet de conclusie van de raadsman dat de deskundigen in de nadien uitgebrachte rapporten ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat de verdachte in het verleden geen medewerking heeft verleend aan hulpverlening. De geciteerde passage houdt immers tevens in dat er een nieuwe contactpersoon moest worden aangewezen en dat het contact op korte termijn wordt hervat. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting van het hof gezegd dat hij het GGZ-traject enkel was ingegaan om op die manier aan passende woonruimte te komen.

Voorts is de mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden in de onderhavige zaak reeds tweemaal onderzocht.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 27 juni 2014 bevolen dat een maatregelrapport zal worden uitgebracht door de reclassering. Dit heeft geleid tot een reclasseringsrapport (“reclasseringsadvies 1.2 Voorbereiding TBS met voorwaarden”) d.d. 19 augustus 2014. Dit rapport houdt onder meer in:

“Geadviseerd wordt om betrokkene niet in aanmerking te laten komen voor TBS met voorwaarden. Betrokkene ontkent een delict gepleegd te hebben en is het niet eens met de gestelde diagnoses in de Pro Justitia rapportages. Hij is niet gemotiveerd voor een klinische opname en weigert hieraan zijn medewerking te verlenen. Bovendien ziet betrokkene geen meerwaarde in een eventueel verplicht reclasseringstoezicht aangezien hij enkel hulpvragen van praktische aard heeft.” (p. 12)

In hoger beroep heeft het hof vervolgens ter terechtzitting van 17 februari 2015 bevolen dat door de reclassering een voorlichtingsrapport zal worden opgemaakt waarin de vraag wordt beantwoord of, gelet op gesprekken met de verdachte en de inhoud van eerder omtrent hem uitgebrachte rapporten, oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden tot de mogelijkheden behoort. Dit heeft geleid tot een reclasseringsrapport (“reclasseringsadvies ten behoeve van tbs met voorwaarden”) d.d. 8 april 2015. Dit rapport houdt onder meer in:

“Wanneer rapporteur de eerder uitgebrachte rapportages bekijkt, alsmede de responsiviteit vanuit betrokkene (ontkenning van het ten laste gelegde, ontkennen van psychiatrische problematiek en geen heil zien in klinisch traject. Er is in feite sprake van het ontbreken van behandelmotivatie en hij lijkt vanuit opportunisme mee te willen werken aan een ambulant traject waarvoor naar onze inschatting geen indicatie is), zien wij geen mogelijkheden voor een behandeling in het kader van tbs met voorwaarden. In het gesprek met rapporteur geeft betrokkene op enig moment te kennen dat hij “wanneer hij er niet aan ontkomt wel mee wil werken aan een klinische behandeling bij de FPK in Assen”. Vooraf geeft hij echter te kennen dat hij onschuldig vastzit, geen psychische problemen heeft en hooguit baat zal hebben bij een ambulant traject (gericht op praktische ondersteuning). Gezien de voorgeschiedenis en vastgestelde psychopathologie zal betrokkene naar onze inschatting onvoldoende bereid en in staat zijn om openheid van zaken te geven en zich te houden aan de hem opgelegde voorwaarden. Gelet op hetgene dat in onderhavig onderzoek naar voren is gekomen zien wij geen mogelijkheden voor behandeling in het kader van een tbs met voorwaarden.” (p. 8-9)

Nu zowel in eerste aanleg als in hoger beroep reeds onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, hetgeen telkens heeft geleid tot het gemotiveerde standpunt van de reclassering dat zij daarvoor geen mogelijkheden ziet, acht het hof nader onderzoek daarnaar niet noodzakelijk.

Schadevergoeding

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.697,50 (bestaande uit € 97,50 materiële schade en € 3.600,= immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Ten gevolge van een kennelijke misslag in de optelling van de materiële schadeposten vermeldt het voegingsformulier abusievelijk een bedrag van € 101,50 aan materiële schade en een bedrag van € 3.701,50 aan totale schade. Het hof leest de vordering in zoverre verbeterd als hiervoor vermeld.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 3.697,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, en duurt daarom van rechtswege voort in hoger beroep.

De vordering is inhoudelijk niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict.

Schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft aangevoerd dat in verband met verdachtes draagkracht nagenoeg is uitgesloten dat hij het schadebedrag zal kunnen voldoen, zodat hij bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de vervangende hechtenis zal dienen te ondergaan. Oplegging van die maatregel leidt daarom – in strijd met het bepaalde in het EVRM (het hof begrijpt dat de raadsman het oog heeft op artikel 14 van het EVRM) – tot discriminatie op grond van vermogen, aangezien verdachten met voldoende financiële middelen aan een schadevergoedingsverplichting kunnen voldoen, terwijl verdachten met onvoldoende financiële middelen dat niet kunnen en vervangende hechtenis moeten ondergaan, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Een gebrek aan draagkracht kan onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarvan kan echter slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis.1

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier echter naar het oordeel van het hof niet voor.

Daarbij neemt het hof in aanmerking enerzijds dat de raadsman niet meer heeft aangevoerd dan de – niet nader geconcretiseerde – stelling dat het in verband met verdachtes draagkracht nagenoeg is uitgesloten dat hij het schadebedrag zal kunnen voldoen en anderzijds dat het openbaar ministerie op grond van artikel 561, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. Het hof acht daarom niet aannemelijk dat reeds nu al, mede gezien de leeftijd van verdachte, vast staat dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ertoe zal leiden dat de verdachte in verband met zijn draagkracht de vervangende hechtenis zal dienen te ondergaan. Derhalve kan niet worden gezegd dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in strijd is met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 14 van het EVRM.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.697,50 (drieduizend zeshonderdzevenennegentig euro en vijftig cent), bestaande uit € 97,50 (zevenennegentig euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.600,00 (drieduizend zeshonderd euro) immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.697,50 (drieduizend zeshonderdzevenennegentig euro en vijftig cent), bestaande uit € 97,50 (zevenennegentig euro en vijftig cent) materiële schade en € 3.600,00 (drieduizend zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 (zesenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. F. van Es, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 11 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Gink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1812, NJ 2009/293