Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:211

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
HD 200.129.316_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1735
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst woonruimte. Vordering tot ontbinding huurovereenkomst en ontruiming gehuurde wegens aangetroffen hennepkwekerij. Afwijzing vordering op grond van woonbelang huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.129.316/01

arrest van 27 januari 2015

in de zaak van

het Bewindvoeringskantoor [Bewindvoeringskantoor] BV,

kantoorhoudende te [kantoorplaats],

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen van [appellant],

appellant,

hierna aan te duiden als de bewindvoerder,

advocaat: mr. P.G.C.P. Smits te 's-Hertogenbosch,

tegen

Stichting Woonwijze, voorheen genaamd Woningstichting Ons Bezit,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Woonwijze,

advocaat: mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 10 juni 2014 en 2 september 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, kanton 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 867827/7 en rolnummer 12-11274 gewezen vonnis van 21 maart 2013.

9 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 2 september 2014;

  • -

    de akte d.d. 30 september 2014 van de zijde van de bewindvoerder;

  • -

    de antwoordakte d.d. 28 oktober 2014 van de zijde van Woonwijze;

  • -

    de akte advocaatstelling d.d. 28 oktober 2014 van de zijde van de bewindvoerder.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn bewindvoerder op te roepen in het geding te verschijnen om dit, als formele procespartij, verder ten behoeve van [appellant] te voeren. De bewindvoerder heeft vervolgens op de rol van 30 september 2014 een brief d.d. 23 september 2014 ingediend, waarin de bewindvoerder het hof meedeelt dat hij de onderhavige procedure als formele procespartij namens [appellant] wenst voort te zetten zolang het bewind tijdens deze procedure voortduurt en dat hij zich

aansluit bij de reeds genomen standpunten en /of stellingen die mr. Smits namens [appellant] heeft ingediend. Het hof heeft deze brief aangemerkt als een akte.

10.2.

Bij antwoordakte vraagt Woonwijze zich af of de bewindvoerder op een rechtsgeldige wijze het geding heeft overgenomen, nu de bewindvoerder geen advocaat heeft gesteld. Woonwijze refereert zich ten aanzien van deze vraag aan het oordeel van het hof.

10.3.

Bij akte advocaatstelling stelt de bewindvoerder mr. P.G.C.P. Smits als advocaat en verwijst voor het overige naar de inhoud van de akte van 30 september 2014.

10.4.

Het hof constateert dat de bewindvoerder in de akte van 30 september 2014 heeft verzuimd een advocaat te stellen. Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder dit verzuim heeft hersteld in de akte advocaatstelling van 28 oktober 2014 en dat de bewindvoerder het geding op rechtsgeldige wijze heeft overgenomen. Nu de bewindvoerder de standpunten en/of stellingen van [appellant] heeft overgenomen, is geen nadere stukkenwisseling nodig en kan het hof overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

10.5.

In hoger beroep zijn de volgende feiten van belang. [appellant] heeft met ingang van 28 juni 1994 van (de rechtsvoorgangster van) Woonwijze de woning aan de Veldhoeve 29 te Vught gehuurd. De huur bedroeg laatstelijk € 377,86 per maand.

10.6.

Op 1 oktober 2012 is door de politie Noord-Brabant een inval gedaan in de woning van [appellant]. Daarbij een hennepkwekerij aangetroffen met 37 hennepplanten.

10.7.

In eerste aanleg heeft Woonwijze onder meer ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Zij heeft daartoe gesteld dat [appellant] door het kweken van de hennepplanten ernstig tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.

10.8.

[appellant] en de bewindvoerder hebben de vordering van Woonwijze in eerste aanleg gemotiveerd bestreden. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

10.9.

Bij het vonnis van beroep heeft de kantonrechter:

- de tussen Woonwijze en [appellant] gesloten huurovereenkomst ontbonden;

- [appellant] veroordeeld het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het
vonnis te ontruimen en te verlaten;

- Woonwijze gemachtigd, voor het geval [appellant] met voormelde ontruiming in
gebreke mocht blijven, die ontruiming zelf te doen bewerkstelligen conform artikel
556 lid 1 Rv;

- de bewindvoerder veroordeeld de ontruiming te gedogen en te gehengen;

- [appellant] veroordeeld om aan Woonwijze tegen kwijting te betalen een bedrag van
€ 544,50 (inclusief btw) als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten,
alsmede een bedrag van € 377,86 voor elke maand of deel van een maand dat
vanaf de maand december 2012 het gehuurde niet heeft ontruimd en
verlaten;

- [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

De door Woonwijze gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft de kantonrechter afgewezen.

10.10.

Er zijn twee grieven aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het persoonlijk belang van [appellant] tot behoud van zijn woonrecht niet opweegt tegen het belang van Woonwijze bij ontruiming van het gehuurde. Voorts wordt in de eerste grief aangevoerd dat er geen sprake was van gevaarzetting.

In de tweede grief wordt aangevoerd dat bij afweging van de belangen de ontruiming [appellant] te hard treft. Daartoe wordt onder meer het volgende gesteld. [appellant] bewoont het gehuurde sinds zijn 17e jaar, al 19 jaar, zonder overlast voor omwonenden. [appellant] heeft ADHD en gelet op zijn persoonlijkheid, zijn afhankelijkheid van begeleiding en hulpverlening en zijn geringere aanpassingsmogelijkheden, is hij niet in staat ergens anders snel te wennen en opgenomen te worden. In deze woonomgeving is [appellant] enigermate zelfredzaam gebleken en gedurende lange tijd te handhaven en wordt hij geaccepteerd door de omwonenden. [appellant] gebruikte wiet voor het rustgevende effect in een voor hem zeer stressvolle periode. Omdat hij onder bewind staat en slechts zeer beperkte middelen had, ging hij hennep kweken voor eigen gebruik. Daarbij heeft hij geen overlast voor omwonenden veroorzaakt.

10.11.

Het hof overweegt naar aanleiding van de grieven als volgt. In de grieven wordt onder meer een beroep gedaan op het woonbelang van [appellant]. Voor de beoordeling van het woonbelang van [appellant] zijn van belang het rapport van het psychiatrisch onderzoek van Pro Justitia d.d. 6 januari 2013, dat in eerste aanleg is overgelegd als productie 5 bij de conclusie van antwoord, en het voortgangsverslag omtrent huisvesting van de heer[medewerker van Novadic Kentron] van Verslavingsreclassering Novadic-Kentron [vestigingsplaats] d.d. 21 mei 2013, dat in hoger beroep is overgelegd als productie 3 bij de memorie van grieven.

Het psychiatrisch onderzoek van Pro Justitia heeft plaatsgevonden in het kader van een strafrechtelijke vervolging van [appellant] voor bedreiging. [appellant] is voor dit misdrijf op 14 januari 2013 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze bedreiging heeft geen relatie met de huurovereenkomst tussen partijen. De onderzoekers van Pro Justitia stellen in hun rapport vast dat er bij [appellant] sprake is van ADHD, zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis. Dit maakt dat hij verhoogd impulsief is en de consequenties van zijn handelen niet goed kan overzien. Daarnaast is er sinds 2009 – sinds de auto van [appellant] in vlammen opging, hij zijn werk als ZZP’er niet meer kon uitoefenen en hij na verloop van tijd ook nog eens geconfronteerd werd met een forse schuld – sprake van een opwindingstoestand, die [appellant] verder belemmert in zijn functioneren. Hij verkeert in een voortdurende situatie van controleverlies en is niet meer in staat om zijn leven op eigen kracht op de rails te krijgen. Om de opwindingstoestand te laten verdwijnen adviseren de onderzoekers een interventie waarbij de schulden van [appellant] worden gesaneerd en hij in staat wordt gesteld weer te werken als ZZP’er en zelf zoveel als mogelijk zorg te dragen voor zijn eigen leven.

Ook de heer [medewerker van Novadic Kentron] van Novadic Kentron vermeldt in zijn rapport dat er bij [appellant] sprake is van ADHD, zwakbegaafdheid en een milde persoonlijkheidsstoornis en dat [appellant] door een aantal gebeurtenissen sinds 2009 is vastgelopen. Hij geeft aan dat de vicieuze cirkel waarin [appellant] verkeert moeilijk te doorbreken is wanneer er geen stabiele situatie gecreëerd kan worden en dat voor het creëren van een stabiele situatie huisvesting noodzakelijk is. Hij vermeldt dat [appellant] niet lang genoeg staat ingeschreven bij een woningbouwvereniging om aanspraak te maken op huisvestiging, dat hij niet de financiële middelen heeft om op de particuliere markt en/of anti-kraak te huren en dat hij niet kan terugvallen op familie- en /of vrienden. Deze ontwikkelingen maken dat [appellant] mogelijk op straat of de maatschappelijke opvang terecht zal komen en verder zal afglijden. Het ingezette hulpverleningstraject zal

tevens stagneren wanneer betrokkenen zonder huisvesting komt te zitten, wat een ongunstige uitwerking zal hebben op het recidive- en gevaarsrisico van [appellant].

10.12.

Gelet op de gegevens waarover het hof beschikt (die dateren van ná de politie-inval), is het hof van oordeel dat aan het woonbelang van [appellant] – afgezet tegen de belangen van Woonwijze – een zodanig gewicht moet worden toegekend dat de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen in dit specifieke geval niet gerechtvaardigd is. Weliswaar heeft Woonwijze een zwaarwegend belang bij ontbinding van de huurovereenkomst, namelijk om haar strenge anti-drugsbeleid te handhaven en al haar huurders het huurgenot te verschaffen waartoe zij gehouden is, het hof is van oordeel dat het woonbelang van [appellant] in de onderhavige omstandigheden moet prevaleren. Uit de rapporten van Pro Justitia en de heer [medewerker van Novadic Kentron] blijkt dat [appellant] hulp nodig heeft om zijn leven weer op de rails te krijgen en dat noodzakelijk is dat er een stabiele situatie wordt gecreëerd. Daar wordt kennelijk aan gewerkt. Daarvoor is – naast de begeleiding die [appellant] nu kennelijk krijgt – een stabiele huisvesting van groot belang. Het hof acht het aannemelijk dat ontbinding en ontruiming een zodanig negatieve invloed zal hebben op de begeleiding en op psychische gesteldheid en sociale omstandigheden van [appellant] dat het zal leiden tot een aanzienlijke verslechtering van zijn situatie en hem wellicht in een reddeloze situatie zal brengen.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat niet is betwist dat [appellant] al 19 jaar zonder noemenswaardige problemen in het gehuurde heeft gewoond en geen overlast voor omwonenden heeft veroorzaakt, dat Woonwijze een verhuurder is in de sociale sector waarop [appellant] is aangewezen en dat het aantal aangetroffen hennepplanten (al weer meer dan twee jaar geleden) van bescheiden omvang was.

10.13.

Het hof merkt ten overvloede op dat het voorgaande niet betekent dat [appellant] een vrijbrief heeft om opnieuw over te gaan tot het kweken van hennep. Bij een herhaalde tekortkoming van [appellant] op dit punt dient hij rekening te houden met een andere afweging.

10.14.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven. Het hof zal opnieuw rechtdoende de vorderingen van Woonwijze afwijzen. Voorts zal het hof Woonwijze als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Daarbij laat het hof de kosten van de akten die in hoger beroep genomen zijn buiten beschouwing. Deze akten zien op de discussie over de ontvankelijkheid. Het hof ziet aanleiding de proceskosten die beide partijen in dat kader gemaakt hebben tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

11 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Woonwijze af;

veroordeelt Woonwijze in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke

kosten tot op heden aan de zijde van appellant worden begroot op € 250,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 375,71 aan verschotten en op € 894,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.G.W.M. Stienissen en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 januari 2015.

griffier rolraadsheer