Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2094

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
20-003597-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De vrouw op de camerabeelden vertoont onvoldoende gelijkenissen met de verdachte om daarop een herkenning te kunnen baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003597-14

Uitspraak : 10 juni 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 25 november 2014 in de strafzaak met parketnummer 02/189118-14 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1979,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van de diefstal van een portemonnee met daarin onder meer een bankpas alsmede de gekwalificeerde diefstal van € 410,-- veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, aangezien het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 10 januari 2014 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een portemonnee (met inhoud, waaronder een bankpas en/of ID-kaart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte;

2.
zij op of omstreeks 10 januari 2014 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een hoeveelheid geld (€ 410,--), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar verdachte, waarbij zij, verdachte, de/het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten: door het onbevoegde gebruik van een aan die [A] toebehorende pinpas en/of pincode).

Integrale vrijspraak

Het hof zal de verdachte van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken. Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet de overtuiging gekregen dat de verdachte degene is geweest die met de bankpas van aangeefster [A] geld heeft gepind; voor het verwijt dat de verdachte die bankpas (en de portemonnee waarin deze zich bevond) heeft gestolen, ontbreekt zelfs het wettig bewijs.

De andersluidende standpunten van de politierechter en de advocaat-generaal zijn grotendeels gebaseerd op hun eigen waarneming: zij menen op de camerabeelden van de Rabobank zowel de verdachte als haar dochter te herkennen. De politierechter en de advocaat-generaal moet worden nagegeven dat de dochter van de verdachte, die zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, gelijkenissen vertoont met één van de twee vrouwen op de camerabeelden. De raadsman heeft daarbij echter terecht de nuance gemaakt dat de neus van de dochter van aangeefster niet overeen lijkt te komen met de neus van de vrouw op de camerabeelden. Het hof is bovendien van oordeel dat de andere vrouw op de camerabeelden - de vrouw die het geld aan het pinnen was en in de visie van de politierechter en de advocaat-generaal de verdachte zou moeten zijn - onvoldoende gelijkenissen met de verdachte vertoont om daarop een herkenning te kunnen baseren. De verklaringen van de getuigen [B], [C] en [D] kunnen dat niet anders maken. Als deze verklaringen te goede trouw zijn afgelegd - ten aanzien van de verklaringen van [B] en [D] is dat door de verdediging gemotiveerd in twijfel getrokken -, dan geldt nog steeds dat ook zij in hun verklaringen een zekere onzekerheid laten doorklinken.

Waar het vorenstaande op zichzelf al gerede twijfel met zich brengt omtrent de vraag of de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, wordt deze twijfel versterkt door de heftige en stellige ontkenning van de verdachte, die op het hof authentiek is overgekomen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 10 juni 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.