Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2081

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
10-06-2015
Zaaknummer
HD200.116.044_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4457
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2014:4457. Overeenkomsten tussen Vodafone en consument met betrekking tot telefoonabonnementen met "gratis" mobiele telefoons. Vernietiging overeenkomsten voor zover zij zien op de afbetaling van de mobiele telefoons. Staat overeenkomst voor het overige in onverbrekelijk verband met het nietige deel? Onverschuldigde betaling. Vervangende schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.116.044/01

arrest van 9 juni 2015

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W. Kolmans te Eindhoven,

tegen

Intrum Justitia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.R.F. van der Mark te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 oktober 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch, locatie Eindhoven onder zaaknummer 769466 en rolnummer 11/6919 gewezen vonnis van 14 juni 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 oktober 2014;

  • -

    de akte uitlaten van Intrum Justitia;

  • -

    de akte uitlaten van [appellante].

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en in incidenteel hoger beroep

6.1.

Bij genoemd tussenarrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de betekenis van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385 voor de onderhavige zaak.

6.2.

In haar akte is Intrum Justitia op voormeld arrest ingegaan. Zij heeft daarbij de grondslag van haar vordering gewijzigd en zij heeft voorwaardelijk – namelijk voor het geval dat het hof van oordeel is dat de overeenkomsten tussen Vodafone en [appellante] kredietovereenkomsten zijn die door Vodafone niet (rechtsgeldig) zijn ontbonden – haar vordering gewijzigd. Intrum Justitia vordert thans primair dat het hof:

( i) de mobiele telefonie-overeenkomsten voor zover deze zien op de aankoop van de mobiele telefoons op de voet van artikel 44 Wck ontbindt,

(ii) [appellante] veroordeelt om € 754,32 aan Intrum Justitia te vergoeden,

(iii) voor recht verklaart dat Intrum Justitia de mobiele telefoonovereenkomsten ten aanzien van de mobiele telecommunicatiediensten rechtsgeldig heeft ontbonden, en

(iv) [appellante] derhalve gehouden is om in hoofdsom € 1.671,05 aan Intrum Justitia te vergoeden.

Subsidiair, voor zover het hof zou oordelen dat de mobiele telefonie-overeenkomsten voor zover deze zien op de aankoop van de mobiele telefoons niet zullen worden ontbonden, vordert Intrum Justitia dat het hof:

( i) voor recht verklaart dat [appellante] de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de mobiele telefonieovereenkomsten ten aanzien van de mobiele telefoons moet nakomen,

(ii) voor recht verklaart dat Vodafone de mobiele telefonieovereenkomsten ten aanzien van de mobiele telecommunicatiediensten rechtsgeldig heeft ontbonden, en

(iii) [appellante] derhalve gehouden is om € 2.425,37 aan Intrum Justitia te vergoeden.

Het primair en subsidiair gevorderde voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van [appellante] in de buitengerechtelijke incassokosten ad € 300,-- en in de proceskosten.

6.3.

[appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de grondslag van de vordering of tegen de voorwaardelijke wijziging van de eis. Gelet op de bijzondere situatie

– de implicaties van het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 – is een uitzondering gerechtvaardigd op de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie regel en is er ook geen aanleiding de wijziging van de grondslag van de vordering of de voorwaardelijke wijziging van de eis ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Het hof zal recht doen op de gewijzigde grondslag en, indien is voldaan aan de voorwaarde waaronder de eiswijziging is ingesteld, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

6.4.

[appellante] is in haar (antwoord)akte eveneens op voormeld arrest van de Hoge Raad ingegaan. Als nieuw verweer heeft zij aangevoerd dat sprake was van koop op afbetaling, dat de koopprijs van de telefoontoestellen niet in de overeenkomsten was bepaald en dat daarom geen sprake is van rechtsgeldige overeenkomsten van koop op afbetaling. [appellante] beroept zich in rechte op vernietiging van de twee overeenkomsten.

6.5.

Voor dit nieuwe verweer geldt hetzelfde als voor de wijziging van eis: vanwege de bijzondere situatie (zie hiervoor onder rechtsoverweging 6.3) zal het worden toegelaten. Bij deze beslissing weegt mee dat Intrum Justitia in haar akte reeds op dit nieuwe verweer heeft geanticipeerd.

6.6.

Gelet op het hiervoor bedoelde arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2014 wordt bij de beoordeling voorop gesteld dat het bij overeenkomsten als hier aan de orde (telefoonabonnementen inclusief toestel) het meest in overeenstemming is met de financiële en bedrijfseconomische werkelijkheid, de verwachtingen die partijen mogen hebben en de consumentenbeschermende strekking van de in dat arrest bedoelde wettelijke regelingen,

om tot uitgangspunt te nemen dat de overeengekomen, door de consument te betalen maandbedragen niet alleen betrekking hebben op een vergoeding voor de door deze af te nemen telecommunicatiediensten, maar mede strekken tot afbetaling van een koopprijs voor de mobiele telefoon. Intrum Justitia heeft niets gesteld dat het hof noopt tot een ander uitgangspunt. Gelet op het bepaalde in artikel 7A: 1576 BW betekent dit dat de onderhavige overeenkomsten wat betreft het deel dat betrekking heeft op de koop van de mobiele telefoon in de eerste plaats zijn aan te merken als een koop op afbetaling en – nu de overeenkomsten zijn gesloten vóór 25 mei 2011 – als krediettransactie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a sub 2º van de Wet op het consumentenkrediet (Wck [oud]).

Op grond van het tweede lid van artikel 7A:1576 BW zijn overeenkomsten van koop op afbetaling niet van kracht voordat partijen de door de koper te betalen prijs hebben bepaald. Aangezien Intrum Justitia in haar akte heeft erkend dat in de onderhavige overeenkomsten de koopprijs van de telefoons niet is bepaald, is het hof van oordeel dat het beroep op vernietiging van de overeenkomsten van [appellante] slaagt voor zover zij zien op de afbetaling van de mobiele telefoons. Aan de vraag of voor dat deel van de overeenkomsten is voldaan aan de vereisten van de Wck (oud) komt het hof daarom niet toe. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder de (primaire en de subsidiaire) eiswijziging is ingesteld – namelijk voor het geval het hof zou oordelen dat de mobiele telefonie-overeenkomsten kredietovereenkomsten zijn die door Vodafone niet (rechtsgeldig) zijn ontbonden of niet zullen worden ontbonden – niet is vervuld en dat de voorwaardelijke eiswijziging buiten beschouwing moet blijven. Wel zal het hof de gewijzigde grondslag van de vordering beoordelen.

6.7.

De vernietiging van de overeenkomsten voor zover zij zien op de afbetaling van de mobiele telefoons betekent dat Vodafone zonder rechtsgrond aan [appellante] twee mobiele telefoons heeft verstrekt. Intrum Justitia heeft zich voor die situatie op het standpunt gesteld dat [appellante] de aan haar verstrekte mobiele telefoons, type Samsung Jet, in dezelfde staat aan haar dient te retourneren. Voor het geval [appellante] dat niet zou kunnen, maakt Intrum Justitia aanspraak op vervangende schadevergoeding van [appellante] ter hoogte van het nog niet door [appellante] afgeloste deel van de aankoopwaarde van de telefoons, zijnde (naar het hof begrijpt) het aan [appellante] voor beide telefoontoestellen aan schadevergoeding in rekening gebrachte bedrag van € 744,24.

[appellante] heeft betwist dat aan haar twee mobiele telefoons zijn verstrekt van het type Samsung Jet: haar aangifte bij de politie heeft betrekking op twee Nokia toestellen. Verder heeft [appellante] de door Intrum Justitia gestelde waarde van de telefoons betwist. Volgens haar is de (verkoop)waarde van de aan haar verstrekte mobiele telefoons veel hoger.

6.8.

Juist is dat Intrum Justitia wat betreft de mobiele telefoons in beginsel een vordering uit onverschuldigde betaling toekomt, in die zin dat zij de telefoons als onverschuldigd betaald van [appellante] kan terugvorderen (artikel 6:203 BW). [appellante] heeft dit ook niet betwist. Vast staat echter dat [appellante] niet meer over de mobiele telefoons beschikt en dus niet in staat is de mobiele telefoons aan Intrum Justitia af te geven. Dat betekent dat beoordeeld dient te worden of vervangende schadevergoeding (artikel 6:74 BW) kan worden toegewezen. Dat [appellante] niet meer over de telefoons beschikt, omdat deze haar – naar haar eigen zeggen – zijn ontfutseld door ene [betrokkene] levert in de omstandigheden van het geval een tekortkoming op die in de verhouding tot Vodafone (en thans Intrum Justitia) uitdrukkelijk in haar risicosfeer ligt en haar ook kan worden toegerekend (artikel 6:75 BW).

Het hof is verder van oordeel dat [appellante] de omvang van de vervangende schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd heeft betwist door niet toe te lichten op welke wijze een ander merk mobiele telefoons (van het type smartphone) en/of een hogere (verkoop)waarde van deze toestellen (als niet nader gespecificeerd) tot een lagere schadevergoeding zou moeten leiden. De vervangende schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen, echter niet tot het bedrag van € 744,24, maar tot € 556,74 omdat dat het bedrag is dat – aldus Intrum Justitia bij repliek – door Vodafone per saldo ook als schadevergoeding voor de mobiele telefoons bij [appellante] in rekening is gebracht.

Bij het in de akte uitlaten door Intrum Justitia genoemde bedrag van € 744,24 (bedoeld zal zijn € 742,32) is de door Vodafone verstuurde creditnota van 23 november 2010 ad € 185,58 (zie productie 5 bij conclusie van repliek) niet verwerkt. Die creditnota had betrekking op de op 8 april 2010 verstuurde factuur ter hoogte van € 742,32 wegens contract beëindiging en was – aldus begrijpt het hof thans – tevens een factuur voor vergoeding van de verstrekte telefoons. Gesteld noch gebleken is dat deze creditnota, die uit haar aard ook moet hebben gezien op de omvang van de vergoeding voor de telefoons, is komen te vervallen.

6.9.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de overeenkomsten wel geldig zijn voor zover deze betrekking hebben op de overeengekomen, aan [appellante] te leveren telecommunicatiediensten. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest in dat verband opgemerkt dat de overeenkomst, als deze terecht is vernietigd door de consument en als aan de voorwaarden van artikel 3:41 BW is voldaan, in stand kan blijven voor zover de overeenkomst betrekking heeft op de door de consument te benutten telecommunicatiediensten van de aanbieder. Volgens de Hoge Raad geldt dat laatste ook voor zover een telefoonabonnement inclusief toestel ingevolge artikel 7A:1576 lid 2 BW niet van kracht is geworden omdat de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon niet in de overeenkomst is bepaald, zoals in deze zaak.

Artikel 3:41 BW bepaalt dat indien een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling betreft, deze voor het overige in stand blijft, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling, niet in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel.

6.10.

Intrum Justitia heeft betoogd dat er geen onverbrekelijk verband bestaat tussen dat deel van de overeenkomsten dat ziet op de telecommunicatiediensten en dat deel van de overeenkomsten dat ziet op de verkrijging van de telefoons omdat eerstgenoemd deel een voor beide partijen zinvolle regeling te zien geeft waarmee de door partijen nagestreefde doeleinden deels worden gerealiseerd, de overeenkomsten primair zagen op het leveren van telecommunicatiediensten en alle bepalingen van de overeenkomsten hierop betrekking hebben, terwijl de verstrekking van een telefoon voorts niet onlosmakelijk is verbonden met een abonnement op telecommunicatiediensten, waarbij zij verwijst naar de zogenaamde "sim only" abonnementen. Intrum Justitia concludeert dat daarom niets aan partiele vernietiging van de overeenkomsten in de weg staat.

6.11.

[appellante] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat in haar geval de volledige overeenkomsten zoals aangegaan met Vodafone nietig zijn omdat Intrum Justitia niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat de abonnementskosten niet mede strekken tot afbetaling van de telefoons. Verder heeft [appellante] aangevoerd dat in dit geval sprake is van een onverbrekelijk verband tussen het nietige deel van de overeenkomst (de koop op afbetaling) en het overige deel van de overeenkomst (de telecommunicatiediensten) omdat het de crimineel die haar heeft opgelicht en haar de telefoons afhandig heeft gemaakt evident te doen was om het verkrijgen van de twee smartphones en deze geen belang had bij het afnemen van telecommunicatiediensten.

6.12.

Op grond van hetgeen Intrum Justitia heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat geen sprake is van een onverbrekelijk verband tussen het deel van de overeenkomsten dat ziet op de (door Vodafone te verlenen ) telecommunicatiediensten en het nietige deel van de beide overeenkomsten, de koop op afbetaling van de mobiele telefoons. [appellante] heeft niet (gemotiveerd) weersproken dat alle bepalingen van de overeenkomsten betrekking hebben op het leveren van telecommunicatiediensten, noch dat de verstrekking van de telefoons hiermee niet onlosmakelijk is verbonden. Uit het bestaan van sim only abonnementen blijkt voorts dat de telecommunicatiediensten ook met andere apparatuur dan met bij overeenkomsten geleverde mobiele telefoons kunnen worden afgenomen. Dat dat in dit geval anders zou zijn is door [appellante] niet aangevoerd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de overeenkomsten wel geldig zijn voor zover zij betrekking hebben op de overeengekomen, aan [appellante] te leveren, telecommunicatiediensten.

Het verweer van [appellante] dat het de crimineel niet te doen was om de telecommunicatiediensten van Vodafone, maar om het verkrijgen van twee smartphones, leidt niet tot een ander oordeel. De crimineel is immers geen partij bij de overeenkomsten, maar [appellante], en het gaat er om wat Vodafone en [appellante] in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs omtrent elkaars bedoelingen mochten afleiden. Het verweer van [appellante] dat Intrum Justitia heeft nagelaten een reële splitsing te maken tussen de beide delen van de overeenkomsten, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het hof zal die splitsing maken, rekening houdend met de component bedoeld ter vergoeding van de telefoons (volgens Vodafone zelf initieel € 742,32) en de overige gegevens als blijkend uit het dossier.

[appellante] zou voor beide abonnementen exclusief btw betalen – mede vanwege korting gedurende het eerste jaar – 12 x € 39,08 = € 468,96 en 12 x € 62,18 = € 746,16, derhalve in totaal € 1.215,12. Verminderd met de waarde van de telefoons ad € 742,32, resteert een bedrag voor de belcomponent van € 472,80. Dit betekent € 19,70 exclusief btw per maand voor beide abonnementen ter zake van de telecommunicatiediensten.

6.13.

Bij het bespreken van de grieven neemt het hof het voorgaande als uitgangspunt. De vragen die partijen met de grieven in principaal en incidenteel appel aan het hof voorleggen zijn (1) of Vodafone de overeenkomsten al op 25 augustus 2009 had moeten ontbinden in plaats van per 23 maart 2010, (2) of de verbruikskosten op grond van artikel 6:248 lid 2 BW of artikel 6:109 BW (aanzienlijk) gematigd zouden moeten worden (3) of de abonnementskosten over de contractperiode van twee jaar op grond van artikel 6:248 lid 2 BW verder moeten worden gematigd tot een bedrag dat zou passen bij de concreet door Vodafone geleden schade en (4) of de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten alsnog kan worden toegewezen.

6.14.

Vast staat dat Vodafone de aansluitingen van [appellante] op 3 augustus 2009, een dag na de totstandkoming van de overeenkomsten, heeft geblokkeerd vanwege een bombardement sms-berichten. Verder staat op grond van het door Intrum Justitia overgelegde proces-verbaal van aangifte van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost vast dat [appellante] samen met haar begeleidster van Lunet Zorg op 25 augustus 2009 aangifte heeft gedaan van oplichting in verband met de twee in het geding zijnde abonnementen en dat de politie bij die gelegenheid contact heeft gehad met Vodafone. Gelet op de bewijskracht van dit op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, heeft Intrum Justitia met haar blote ontkenning dat op 25 augustus 2009 over deze kwestie contact is geweest tussen de politie en Vodafone, dit contact onvoldoende betwist. Het hof is van oordeel dat Vodafone uit deze omstandigheden had moeten begrijpen dat [appellante] de overeenkomsten niet zou (kunnen) nakomen. In aanmerking genomen de tussen contractspartijen in acht te nemen zorgvuldigheid en de aan de orde zijnde omstandigheden, had op dat moment van Vodafone (thans Intrum Justitia) een ontbinding van de beide overeenkomsten wegens wanprestatie mogen worden verwacht, ook al was op dat moment slechts ten laste van één abonnement sprake van – volgens Intrum Justitia zelf – "hoge verbruikskosten". De niet nader geconcretiseerde stelling van Intrum Justitia dat eerst een onderzoek diende plaats te vinden, is te vaag om tot een ander oordeel te leiden. Een en ander betekent dat ook het hof zal uitgaan van ontbinding van de overeenkomsten per 25 augustus 2009, althans wat betreft dat deel van de overeenkomsten dat geacht wordt geldig te zijn gebleven.

6.15.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of de verbruikskosten op grond van artikel 6:248 lid 2 BW of artikel 6:109 BW (aanzienlijk) gematigd zouden moeten worden, zoals [appellante] heeft aangevoerd. Het hof begrijpt dat het [appellante] gaat om de verbruikskosten voor de sms'jes ad € 1.185,52 exclusief btw die Vodafone op 6 september 2009 aan haar heeft gefactureerd. [appellante] heeft in dit verband aangevoerd dat het redelijk was geweest als in enige mate aansluiting zou zijn gezocht bij het gewijzigd beleid van de OPTA, welk beleid sinds 1 april 2011 inhoudt dat de kosten voor betaalde sms'jes pas in rekening kunnen worden gebracht als de mobiele aanbieder heeft aangetoond dat de consument zich willens en wetens op de sms-dienst heeft geabonneerd. Volgens [appellante] heeft zij geen sms-dienst afgesloten, maar misschien heeft de crimineel dat gedaan.

6.16.

Het hof is van oordeel dat de kosten van de sms-dienst niet op Intrum Justitia kunnen worden afgewenteld, ook niet gedeeltelijk. Aangenomen dat juist is dat [appellante] zich niet op de sms-dienst heeft geabonneerd, zoals zij heeft aangevoerd, dan zal de crimineel dat hebben gedaan. Zoals Intrum Justitia terecht heeft gesteld, komt dit in de gegeven omstandigheden in de relatie tussen Vodafone en [appellante] volledig voor rekening van [appellante]. De gestelde beleidsregels van de OPTA uit 2011 kunnen in deze zaak, die in augustus 2009 heeft gespeeld, geen rol vervullen.

6.17.

Bij de berekening van het bedrag dat [appellante] aan Intrum Justitia dient te voldoen tot en met de datum van ontbinding, 25 augustus 2009, gaat het hof uit van de factuur van 6 september 2009 ad € 1.580,58 inclusief btw, welke factuur als eerste wordt vermeld op de specificatie van de gevorderde hoofdsom (productie 1 bij de inleidende dagvaarding) en die Intrum Justitia bij repliek als productie 6 in het geding heeft gebracht. Met deze factuur heeft Vodafone de volgende kosten bij [appellante] in rekening gebracht: abonnementskosten € 76,88, gebruikskosten spraak € 27,77, gebruikskosten berichten (sms-info en servicenummers) € 1.185,52 (zie hiervoor rechtsoverweging 6.15) en aansluitkosten basisabonnement € 41,18. Behalve over een deel van de gebruikskosten (€ 19,63), is over al deze bedragen 19% btw in rekening gebracht.

De gebruikskosten zijn blijkens de door [appellante] niet betwiste factuur van 6 september 2009 alle verschuldigd geworden vóór 25 augustus 2009, zodat deze kosten volledig voor rekening komen van [appellante]. Dat geldt ook voor de aansluitkosten. De abonnementskosten voor de telecommunicatiediensten is [appellante] verschuldigd tot en met 25 augustus 2009. Het hof berekent deze kosten op 24/31 x € 19,70 = € 15,25 exclusief btw.

Een en ander leidt tot de conclusie dat [appellante] tot en met 25 augustus 2009 aan Intrum Justitia verschuldigd is (€ 15,25 + € 27,77 + € 1.185,52 + € 41,18) € 1.269,72, te vermeerderen met de btw ad € 237,57 (19% over [€ 1.269,72 -/- € 19,63] € 1.250,39), derhalve in totaal € 1.507,29.

6.18.

Het hof komt daarmee toe aan de vraag of, zoals [appellante] heeft aangevoerd, de op artikel 6:277 lid 1 BW gebaseerde schadevergoeding wegens gederfde abonnementskosten over de resterende contractperiode na de ontbinding op grond van artikel 6:248 lid 2 BW verder moeten worden gematigd tot een bedrag dat zou passen bij de concreet door Vodafone geleden schade. Bij de beoordeling is uitgangspunt dat [appellante] als abonnementskosten voor de telecommunicatiediensten voor beide contracten € 19,70 exclusief btw per maand verschuldigd zou zijn geweest.
Uit onderdeel 7 van de memorie van antwoord en de stellingname in eerste aanleg zijdens Intrum Justitia blijkt echter dat het hierboven reeds toegewezen bedrag ad € 556,74 niet alleen ziet op de telefoons maar tevens op het positief contractbelang vanaf april 2010 waarvoor artikel 6:277 lid 1 BW een basis biedt. Nu conform de vordering van Intrum Justitia ter zake de aanspraak krachtens artikel 6:277 lid 1 BW reeds een bedrag toewijsbaar is geoordeeld, komt het hof nog slechts aan beoordeling van de aanspraak toe over de periode 25 augustus 2009 tot en met 31 maart 2010. Dit betreft op basis van bovengenoemd uitgangspunt voor het restant van de maand augustus 2009 een bedrag van 7/31 x € 19,70 = € 4,45 plus voor de periode september 2009 tot en met maart 2010 6 x € 19,70 = € 118,20, derhalve in totaal € 122,65.
Het hof is van oordeel dat [appellante] niets heeft gesteld dat een verdere matiging van dit deel van de in beginsel toewijsbaar geachte vordering rechtvaardigt. Dat zij feitelijk maar één dag van de abonnementen gebruik zou hebben kunnen maken, kan [appellante] Intrum Justitia niet tegenwerpen.

6.19.

Tot slot geldt voor de gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten dat deze alsnog zal worden toegewezen nu [appellante] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomsten niet heeft betwist, er gebleken is van voldoende verrichte activiteiten en Intrum Justitia het gevorderde bedrag heeft beperkt conform de aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II.

6.20.

Resumerend: [appellante] dient als vervangende schadevergoeding voor de twee mobiele telefoons en voor de resterende contractperiode vanaf april 2010 aan Intrum Justitia een bedrag te betalen van € 556,74, als vervangende schadevergoeding voor de periode 25 augustus 2009 tot en met maart 2010 een bedrag van € 122,65, en voor abonnements- en gebruikskosten tot en met de datum van ontbinding van de overeenkomsten een bedrag van € 1.507,29. In het totaal is zij daarmee € 2.186,68 verschuldigd aan Intrum Justitia, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2011 nu voor een eerdere ingangsdatum onvoldoende is gesteld. Tevens zal als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten € 300,-- worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

6.21.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van de beide instanties. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Intrum Justitia zullen tot op heden worden begroot op € 78,81 voor dagvaardingskosten, op € 284,-- voor griffierecht en op € 437,50 voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief (2,5 punten x € 175,--). De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Intrum Justitia zullen tot op heden worden begroot op € 666,-- voor griffierecht en op € 1.264,-- aan salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (1,5 punt voor het principaal hoger beroep en 0,5 punt voor het incidenteel hoger beroep x € 632,--).

7 De uitspraak

Het hof:

in principaal en in incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

vernietigt de overeenkomsten tussen Vodafone en [appellante] van 2 augustus 2009 voor zover zij zien op de afbetaling van de mobiele telefoons;

veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Intrum Justitia te betalen een bedrag van € 2.486,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.186,68 vanaf 10 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Intrum Justitia voor de eerste aanleg worden begroot op € 78,81 voor dagvaardingskosten, op € 284,-- voor griffierecht en op € 437,50 voor salaris gemachtigde en voor het hoger beroep op € 666,-- voor griffierecht en op € 1.264,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.C.J. van Craaikamp en

R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2015.

griffier rolraadsheer