Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
14-00488
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende parkeert op een plek waar parkeerbelasting is verschuldigd. Bij de parkeermeter staat duidelijk vermeld, dat maximaal 1 uur mag worden geparkeerd en dat het uurtarief € 2 is. Belanghebbende betaalt € 6 en ontvangt een ticket waaruit blijkt dat hij niet meer dan 1 uur mag parkeren. Belanghebbende krijgt een naheffingsaanslag, omdat geconstateerd wordt dat de auto geparkeerd staat later dan het (eerste) uur. Belanghebbende betoogt, dat hij voor de 2 uren na het eerste uur de belasting heeft betaald, zodat (op grond van art. 20 AWR) niet mag worden nageheven. Het Hof beslist, dat het bedrag dat belanghebbende meer heeft betaald (€ 4) dan het eerste uur niet kan worden aangemerkt als betaling van de belasting voor de tijd na het eerste uur (HR 15 maart 2000, nr. 35 201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139). De Heffingsambtenaar mocht naheffen. Het te veel betaalde bedrag van € 4 is onverschuldigd betaald en hiervoor moet belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter wenden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1591
Belastingblad 2015/349 met annotatie van P. de Bruin
FutD 2015-1820
NTFR 2015/2050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00488

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 22 april 2014, nummer AWB 13/2631 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van BsGW Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 58 (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag bestaat uit de kosten van de naheffingsaanslag ten bedrage van € 56 verhoogd met het bedrag van de parkeerbelasting ten bedrage van € 2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd. De Heffingsambtenaar heeft er van afgezien te dupliceren.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 17 april 2015 te ‘s-Hertogenbosch. De Heffingsambtenaar, belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, zoals voorafgaand schriftelijk aangekondigd, niet verschenen.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden, als door de ene partij gesteld, en door de andere niet dan wel onvoldoende weersproken, voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar/gebruiker van een personenauto, een blauwe [A], met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Deze auto is op 4 juli 2013 geparkeerd aan de Geerstraat te Heerlen in een parkeervak waar parkeergeld verschuldigd is.

2.2.

In de gemeente Heerlen is in 2013 de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2013 (hierna: Verordening parkeerbelastingen 2013) van kracht.

2.3.

De Verordening parkeerbelastingen 2013, door de Raad van de gemeente Heerlen vastgesteld op 7/8 november 2012, luidt voor zover hier van belang als volgt:

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders

dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of

uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op

binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of

weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is

verboden;

b. houder:

degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden

beschouwd, met dien verstande dat (…) als houder wordt aangemerkt degene op wiens

naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het

register was ingeschreven;

c. parkeerapparatuur:

parkeermeters, parkeerautomaten (…).

Artikel 2

Belastbaar feit

Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:

1. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

(…)

Artikel 3

Belastingplicht

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a [Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1],

wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

2. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de

belasting te willen voldoen;

b. zolang geen voldoening van de belasting (…) heeft plaatsgevonden: de houder van

het voertuig (…).

Artikel 4

Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij

deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabellen.

Artikel 5

Wijze van heffing

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a [Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1], wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in

werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met

inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gestelde

voorschriften;

(…)

Artikel 6

Ontstaan van de belastingschuld

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a [Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1], is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren;

(…)

Artikel 7

Termijnen van betaling

1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a [Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1], moet worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

(…)

2. Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

(…)

Artikel 9

Kosten naheffingsaanslag

De kosten van een naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2,

onderdeel a [Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1], bedragen € 56.

(…)

Artikel 10

Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot

de heffing en invordering van de parkeerbelastingen.

(…).”

2.5.

In de Tarieventabel behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 2013 is, voor zover van belang, geregeld:

Onderdeel I

Tarief van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a (Hof, bedoeld zal zijn: onderdeel 1), van de belastingverordening.

Bij parkeerapparatuur met een

maximale parkeerduur van:

Eenheid

Tarief

1. een uur:

- in het stadscentrum en ‘t Loon

2. twee uur:

- in het stadscentrum en ’t Loon

- buiten het centrum van de stad

3. twaalf uren

per uur

per uur

per uur

per uur

€ 2,00

€ 2,00

€ 1,80

€ 1,80 met een maximum

van € 5,40

2.6.

Belanghebbende is houder van de auto als bedoeld in artikel 1, onder letter b, van de Verordening parkeerbelastingen 2013.

2.7.

De parkeerapparatuur aan de Geerstraat te Heerlen kent een maximale parkeerduur van een uur. De maximale parkeertijd staat als zodanig op de parkeerapparatuur aangegeven. Het tarief per uur bedraagt ter plaatse € 2.

2.8.

Bij controle van de auto door een parkeercontroleur op 4 juli 2013, omstreeks 20:35, bleek dat op het dashboard van de auto een parkeerticket lag met een geldigheidsduur van een uur en een betaling van € 6. Het parkeerticket vermeldt als betalingstijdstip 18:06 en als vertrektijd 19:06. De parkeercontroleur heeft vervolgens ter plaatse de naheffingsaanslag parkeerbelasting uitgeschreven met een totaal bedrag van € 58 (waarvan € 2 tarief en € 56 naheffing) omdat op het moment van de controle de parkeertijd was verstreken. De naheffingsaanslag vermeldt als belastbaar feit: parkeren bij een parkeerautomaat met kaarten terwijl de parkeertijd is verstreken (feitcode R409b).

2.9.

Aan belanghebbende is met datum 26 juli 2013 door Cannock Chase, een organisatie die voor de gemeente Heerlen het volledige invorderingstraject van het betaald parkeren verzorgt, een duplicaat van de naheffingsaanslag toegezonden. Hierop staat vermeld dat de naheffingsaanslag bestaat uit de kosten van de naheffingsaanslag ten bedrage van € 56 verhoogd met het bedrag van de parkeerbelasting ten bedrage van € 2.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft samengevat het antwoord op de volgende vraag: Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Het geschil bestaat uit het antwoord op de volgende deelvragen:

I. Is het aan parkeerbelasting verschuldigde bedrag voldaan?

II. Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd?

III. Is meer dan één uur parkeerbelasting nageheven?

IV. Is vertrouwen opgewekt dat langer dan een uur kon worden geparkeerd?

Belanghebbende is van mening dat de eerste, de derde en de vierde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en van de naheffingsaanslag, met veroordeling van de Heffingsambtenaar in de proceskosten in alle instanties. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

4.1.

Wettelijk kader

4.1.1.

Ingevolge artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

4.1.2.

Ingevolge art. 233 van de Gemeentewet kan een gemeentelijke belasting, zoals de parkeerbelasting, worden geheven bij wege van voldoening op aangifte.

4.1.3.

Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet wordt als voldoening van parkeerbelasting - voor zover van belang - uitsluitend aangemerkt het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

4.1.4.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) - dat op grond van de artikelen 230, 231, 234 en 236 van de Gemeentewet van toepassing is - kan de te weinig geheven belasting worden nageheven indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald.

4.1.5.

Ingevolge artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet wordt ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan.

4.1.6.

Ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag worden ingevolge artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet kosten in rekening gebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de naheffingsaanslag en worden afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Ingevolge artikel 3 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting (tekst voor het jaar 2013) bedraagt het bedrag dat door gemeenten maximaal aan kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelasting in rekening mag worden gebracht: € 56.

4.2.

Ten aanzien van het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het Hof zal deze vraag behandelen aan de hand van de deelvragen:

I. Is het aan parkeerbelasting verschuldigde bedrag voldaan?

II. Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd?

III. Is meer dan één uur parkeerbelasting nageheven?

IV. Is vertrouwen opgewekt dat langer dan een uur kon worden geparkeerd?

Is het aan parkeerbelasting verschuldigde bedrag voldaan?

4.2.1.

Belanghebbende betoogt dat met de inworp in de parkeermeter van een bedrag van € 6 het, voor drie uur parkeertijd, (maximale) bedrag aan parkeerbelasting is voldaan en reeds om die reden geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd.

4.2.2.

De Heffingsambtenaar betoogt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 15 maart 2000, nr. 35 201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139, heeft bepaald dat daar waar een parkeerduur beperkt is tot een uur belanghebbende slechts voor ten hoogste die tijdsduur parkeerbelasting op aangifte kan voldoen. Het feit dat belanghebbende meer heeft voldaan dan het voor die plek geldende tarief brengt niet mee dat het meerdere geacht kan worden te zijn voldaan voor parkeertijd na afloop van dat uur. Het karakter van de parkeerbelasting met het oog op parkeerregulering, ter plaatse nader ingevuld met parkeerduurbeperking, staat daaraan in de weg. Dat betekent dat belanghebbende na het verstrijken van een uur opnieuw belasting op aangifte had kunnen en moeten voldoen. Door dit na te laten heeft belanghebbende op het moment van constateren daarvan om 20:35 de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan. Door in strijd met de parkeerduurbeperking de auto langer dan een uur te parkeren in de Geerstraat te Heerlen heeft belanghebbende, aldus nog steeds de Heffingsambtenaar (onder verwijzing naar Rechtbank Amsterdam 31 augustus 2010, nr. AWB 09/3113 en Rechtbank Amsterdam 14 februari 2008, nrs. AWB 07/2610, 07/1325 en 07/1320), zichzelf in een positie gebracht dat hij weliswaar parkeerbelasting verschuldigd was omdat het parkeren niet was beëindigd, doch hij deze niet meer kon voldoen.

4.2.3.

Belanghebbende leidt in zijn conclusie van repliek in hoger beroep uit de conclusie of constatering in het betoog van de Heffingsambtenaar “dat betekent dat belanghebbende na het verstrijken van een uur opnieuw belasting op aangifte had kunnen en moeten voldoen”, af dat parkeerregulering ter plaatse in het geheel niet van belang is en dat er enkel een korte parkeertijd wordt gehanteerd, om op die wijze zoveel mogelijk naheffingsaanslagen danwel beschikkingen uit te vaardigen. Uit hetgeen de Heffingsambtenaar stelt, dient volgens belanghebbende immers te worden geconcludeerd dat na het verstrijken van de parkeertijd opnieuw aangifte mag en kan worden voldaan, hetgeen alsdan in strijd is met de parkeerregulering, alsmede het karakter van de parkeerbelasting.

4.2.4.

Het Hof verstaat de hiervoor (onder 4.2.3) genoemde conclusie of constatering in het betoog van de Heffingsambtenaar, mede gelet op de context waarin deze conclusie of constatering tot stand is gekomen, aldus, dat belanghebbende juist met het oog op de parkeerregulering opnieuw had kunnen en moeten parkeren en vervolgens de verschuldigde belasting op de voorgeschreven wijze op aangifte had kunnen en moeten voldoen.

De parkeerbelasting wordt ingevolge art. 5 van de Verordening parkeerbelastingen 2013 geheven bij voldoening op aangifte. De parkeerbelasting kan worden voldaan bij de parkeerapparatuur ter plaatse op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college van burgemeester en wethouders gegeven voorschriften. Aan de Geerstraat geldt ter plaatse een maximale parkeerduur (tevens: belastingtijdvak) van een uur. Hieruit volgt dat na het verstrijken van de maximale parkeerduur aldaar het belastingtijdvak eindigt.

Het door belanghebbende op 3 juli 2013 om 18:06 betaalde bedrag van € 6 kan dan niet ten dele worden aangemerkt als belasting ter zake van parkeren na het verstrijken van de maximale termijn van een uur (zie Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 35 201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139).

4.2.5.

Belanghebbende stelt onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 8 januari 1997, nr. 31 657, ECLI:NL:HR:1997:AA3200, en van 11 januari 2008, nr. 41 262, ECLI:NL:HR:2008:BC1593, dat van belang is of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Gelet op het onder 4.2.4 vermelde arrest van de Hoge Raad 15 maart 2000, nr. 35 201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139 kan het bedrag van € 4 dat door belanghebbende is betaald op 3 juli 2013 om 18:06 bovenop de € 2 niet worden beschouwd als een betaling van de verschuldigde belasting voor de tijd na het eerste uur van parkeren.

Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd?

4.2.6.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op basis van het geconstateerde feit geen naheffingsaanslag opgelegd had mogen worden omdat het geconstateerde feit (feitcode R409b) een feitcode is uit het “Feitenboekje Lijst van feiten betreffende misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen 2013”. Aan belanghebbende had (alsdan) in plaats van een naheffingsaanslag parkeerbelasting een zogenoemde Mulderbeschikking (met een andere rechtsgang) moeten worden opgelegd.

4.2.7.

De Heffingsambtenaar betoogt gemotiveerd dat de naheffingsaanslag in overeenstemming is met de geldende regelgeving.

4.2.8.

Het Hof is van oordeel dat ingevolge artikel 20, eerste lid, AWR - dat op grond van de Gemeentewet van toepassing is (zie hiervoor onder 4.1.4) - kan worden nageheven indien een parkeerbelasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Dat op de naheffingsaanslag een belastbaar feit met feitcode R409b is vermeld maakt niet dat het geschrift niet meer als een naheffingsaanslag zou kunnen worden aangemerkt, terwijl belanghebbende niet heeft gesteld noch is gebleken dat hij door die vermelding niet heeft begrepen dat het ging om een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Van een Mulder-beschikking als sanctie op het niet betalen van verschuldigde parkeerbelasting kan overigens reeds geen sprake zijn, nu de auto geparkeerd stond op een plek waar dat is toegestaan en belanghebbende geen verkeersregel heeft geschonden.

Is meer dan één uur parkeerbelasting nageheven?

4.2.9.

Deze vraag hangt samen met de samenstelling van de naheffingsaanslag. Belanghebbende betoogt dat de Heffingsambtenaar in strijd met de wet meer dan één uur parkeerbelasting heeft nageheven door € 2 aan parkeerbelasting in rekening te brengen en € 56 aan naheffing (parkeerbelasting), waardoor in totaal € 58 aan belasting is nageheven. Dat er geen kosten zijn berekend, laat dit onverlet.

4.2.10.

Uit het aan belanghebbende met datum 26 juli 2013 toegezonden duplicaat van de naheffingsaanslag blijkt dat de naheffingsaanslag bestaat uit de kosten van de naheffingsaanslag ten bedrage van € 56, verhoogd met het tarief van € 2 voor één uur parkeren.

4.2.11.

Met de op (het duplicaat van) de naheffingsaanslag gespecificeerde bedragen is (aldus) geen (wettelijk) voorschrift geschonden. Zie in dit verband tevens artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet, artikel 3 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelasting, artikel 9 van de Verordening parkeerbelastingen 2013 en onderdeel I van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

4.2.12.

Belanghebbende heeft nog betoogd dat het door hem betaalde bedrag van € 6 in mindering had moeten worden gebracht op het bedrag van de naheffingsaanslag. Dit standpunt is onjuist. Het betaalde bedrag heeft voor € 2 betrekking op het tijdvak van een uur waarvoor aangifte is gedaan. Het restant van het bedrag (€ 4) kan zoals hiervoor (onder 4.2.4) vermeld niet worden geacht betrekking te hebben op een tijdvak waarvoor geen aangifte is gedaan. Voor zover dit laatste bedrag onverschuldigd is betaald zal belanghebbende zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

Is vertrouwen opgewekt dat langer dan een uur kon worden geparkeerd?

4.2.13.

Belanghebbende betoogt of suggereert dat het vertrouwen is opgewekt dat langer dan een uur kon worden geparkeerd, omdat, zo begrijpt het Hof, de parkeerapparatuur ter plaatse het mogelijk maakt een hoger bedrag dan € 2 (het tarief voor één uur) te voldoen. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen. De maximale parkeerduur van een uur is ter plaatse duidelijk aangegeven. Bovendien is op het parkeerticket duidelijk een vertrektijd na ommekomst van een uur vermeld. Van enig in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen kan dan ook geen sprake zijn.

4.2.14.

Uit het voorgaande volgt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.3.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd.

4.4.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

4.5.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 5 juni 2015 door P. Fortuin, voorzitter, H.A. Wiggers en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van H.J. van den Helm, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.