Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2039

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
20-000477-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

poging tot zware mishandeling. Inrijden met auto op beveiligingsmedewerker op parkeerplaats

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000477-14

Uitspraak : 6 mei 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 februari 2014 in de strafzaak met parketnummer 02-665796-13 tegen:

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres en woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot zware mishandeling (het primair ten laste gelegde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit en subsidiair, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust, onder aanvulling/verbetering van de bewijsvoering, waarbij het hof heeft gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen.

Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de rechtbank komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

1. Een proces-verbaal van aangifte, d.d. 2 juli 2011, proces-verbaalnummer PL2221 2011097281-2 (dossierpagina’s 49-52), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [naam]:

(p. 49)

Ik ben als beveiligingsmedewerker werkzaam bij het bedrijf [naam bedrijf]. Ik ben door het bedrijf tewerkgesteld bij de [naam winkelbedrijf] gelegen aan de [straatnaam] te Eindhoven.

(p. 50)

In deze aangifte spreek ik van twee personen:

Persoon 1: man, ongeveer 1.70 m., kleding: spijkerbroek, grijs wit gestreept t-shirt;

Persoon 2: man, ongeveer 1.85 m., kleding: wit trainingsjack.

Op 2 juli 2011 was ik werkzaam op de centrale post van de beveiliging, daar bevinden zich de camera’s van de [naam winkelbedrijf].

Ik zag persoon 1 hard wegrennen in de richting van de parkeerplaats gelegen aan het [straatnaam] te Eindhoven. Ik vermoedde dat de man de tassen had weggenomen en daarom zo hard wegrende. Ik heb daarop direct mijn collega, [naam], via de portofoon opgeroepen dat persoon 1 goederen had weggenomen en welke kant hij op rende. Mijn collega had persoon 1 inmiddels gezien en rende achter de man aan. Tevens heeft hij direct de politie gewaarschuwd. Ik ben via de personeelsuitgang de winkel uitgerend om ook achter persoon 1 aan te rennen en te pogen deze aan te houden voor winkeldiefstal.

Ik rende persoon 1 achterna en zag dat ter hoogte van de winkel [naam winkelbedrijf], gelegen aan het [straatnaam] te Eindhoven, persoon 2 zich bij persoon 1 voegde. Ik zag dat zij samen de parkeerplaats opliepen.

(…)

Zodra ik kon ben ik de weg overgestoken en naar de uitgang van de parkeerplaats gerend.

(p. 51)

Ik zag dat er een personenauto, kleur zwart, merk Audi, sedan uitvoering, met daarin persoon 1 achter het stuur en persoon 2 op de bijrijdersstoel richting de uitgang van de parkeerplaats kwam gereden. Ik ben daarop midden op de weg gaan staan, dit was nog op de parkeerplaats. Ik wilde pogen de auto te stoppen en te kijken wat er aan de hand was. Ik stond op ongeveer 10 meter van de uitgang. Ik stak mijn hand op en maakte een stopteken.

Ik liet daarbij zien dat ik van de beveiliging was. Ik zag dat de Audi met daarin persoon 1 en 2 netjes stopte. Ik zag dat beide personen de autogordel droegen. Ik zag dat beiden de autogordel losmaakten. Ik hoorde dat persoon 1 tegen persoon 2 begon te schreeuwen dat hij uit de auto moest stappen. Ik zag dat persoon 1 met zijn handen zwaaiende bewegingen maakte dat persoon 2 uit de auto moest stappen.

Ik zag dat persoon 2 met tegenzin uit de auto stapte. Ik dacht dat ook persoon 1 uit de auto zou stappen. Ik zag vervolgens dat persoon 1 in de auto bleef zitten. Ik zag dat hij opzettelijk met de auto snel accelereerde. Ik zag dat persoon 1 met de auto recht op mij af kwam gereden. Ik zag dat de portier aan de bijrijderszijde nog volledig openstond. Ik zag dat de persoon geen poging deed om af te remmen noch om een uitwijkmanoeuvre te maken. Ik zag dat de auto recht op mij af kwam gereden en ik zag dat ik geen kant meer op kon enkel nog opzij springen om de auto te ontwijken. Ik ben daarop voor mij naar links gesprongen, richting de geparkeerde auto’s. Als ik niet op tijd was weggesprongen had persoon 1 mij opzettelijk aangereden.

Ik zag dat persoon 1 met de Audi, met een zeer hoge snelheid wegreed in de richting van de Fellenoord te Eindhoven. Daarop hebben we persoon 2 aangehouden voor winkeldiefstal.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 2 juli 2011, proces-verbaalnummer PL2206 2011097281-6 (dossierpagina’s 53-55), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [naam]:

(p. 53)

Op 2 juli 2011 was ik werkzaam als beveiliger bij de [naam winkelbedrijf] gelegen aan de [straatnaam] te Eindhoven. Ik ben beveiliger bij [naam bedrijf] en ik word ingehuurd door de [naam winkelbedrijf].

(p. 54)

Ik zag dat mijn collega [naam] voor een personenauto stond. Ik zag dat er een man achter het stuur van deze personenauto zat en ik zag ook dat er een man naast de personenauto stond. Dit was aan de bijrijderszijde. Ik zag dat het bijrijdersportier open stond. Ik herkende beide personen als zijnde de twee personen die verdacht werden van winkeldiefstal.

De man die ik beschreven heb als man 1, blanke man, 1.85 m. wit trainingsjack, stond op dat moment naast de auto. (…) De man die ik beschreven heb als man 2, blanke man, 1.75 m, poloshirt met donker en lichtgrijze strepen, zat als bestuurder in de personenauto.

Ik zag dat de auto een Audi A6 betrof, zwart van kleur (…). Ik heb het kenteken aan de centralist doorgegeven. (…) Ik hoorde dat de motor van het voertuig liep.

Ik liep naar mijn collega toe. Ik zag dat de bestuurder oogcontact maakte met mij. Op dat moment hoorde ik dat de personenauto vol accelereerde en ik zag dat de personenauto met hoge snelheid naar voren reed. De rechter portierdeur stond op dat moment nog open maar klapte dicht door de snelheid waarmee geaccelereerd werd. Ik zag dat mijn collega nog snel aan de kant kon springen op het moment dat de auto op trok. Ik zag dat mijn collega naar links sprong. (…)

Ik zag dat de auto vanuit de uitgang rechtsaf in de richting van de Vestdijktunnel reed. Ik heb niet meer gezien waar de auto vanaf de Fellenoord naar toe is gereden.

Ik en mijn collega zijn op dat moment naar man 1 gelopen, die achtergebleven was op de parkeerplaats. Deze hebben we aangehouden ter zake van winkeldiefstal.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 28 november 2011, proces-verbaalnummer PL2210 2011097281-18 (dossierpagina’s 34-38), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

(p. 35)

Ik heb een Audi A6, kleur zwart.

Op 2 juli 2011 ben ik met [bijrijder] in mijn auto naar Eindhoven gereden.

We zijn samen naar de [naam winkelbedrijf] gelopen.

Toen ik naar de uitgang van het parkeerterrein wilde rijden, zag ik dat er een beveiligingsambtenaar voor mijn auto stond. Ik ben toen gestopt. Ik heb aan

[bijrijder] gevraagd wat dit te betekenen had. Ik hoorde dat [bijrijder] zei: “Ik heb gestolen”. Ik heb [bijrijder] meteen mijn auto uitgegooid. Ik was behoorlijk boos op [bijrijder]. Toen [bijrijder] uit de auto was uitgestapt raakte ik in paniek. Ik was bang dat ik aangehouden zou worden. (…)

Ik heb vervolgens gas gegeven en ben weggereden. Ik heb een automaat en het kan zijn dat de motor toen extra toeren heeft gemaakt.

4. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juli 2011, proces-verbaalnummer PL2206 2011097281-5 (dossierpagina’s 44-48), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [naam], brigadier van politie, en [naam], aspirant van politie:

(p. 44)

Op 2 juli 2011 kregen wij de melding van de meldkamer van de Regiopolitie Brabant Zuid Oost dat een winkeldiefstal had plaatsgevonden in de [naam winkelbedrijf]. Wij zijn direct ter plaatse gegaan. Wij hebben daar een gesprek gehad met aangever [naam] en getuige [naam].

(p. 45)

Zij lieten ons de beelden zien die waren opgenomen. Hierop is te zien dat beide mannen wegrennen. Even later is te zien dat [aangever] de parkeerplaats oploopt en [getuige] op de oprit staat. Even later komt de Audi met hoge snelheid het parkeerterrein afrijden.

5. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, d.d. 18 december 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangever [naam]:

Toen ik de [naam winkelbedrijf] verliet zag ik de verdachten op de parkeerplaats lopen. Ik kon vanwege het verkeer niet direct naar die parkeerplaats lopen. Ik verloor de personen even uit het zicht. Ik besloot toen op de parkeerplaats te gaan wachten en uit te kijken naar de verdachten. Ik stond op de uitgang van de parkeerplaats. Ik zag een zwarte Audi en herkende de beide inzittenden als de verdachten. Ik heb daarop een pasje voor mij gehouden. Ik wilde aan die Audi laten zien dat ik van de beveiliging was. Ik stond verder in een witte blouse en een zwart jasje, daarop staat ook een V’tje van beveiliging. Toen ik dat pasje liet zien zat er ongeveer acht à tien meter tussen mij en de Audi. Ik dacht dat de inzittenden mij begrepen hadden want de Audi ging stilstaan. Ik zag dat de beide personen hun gordel los maakten. Ik zag dat er behoorlijk gediscussieerd werd in de auto. Ik ben daarop een aantal meters naar voren gelopen in de richting van de Audi. Ik stond op een gegeven moment op ongeveer twee à tweeënhalve meter afstand van de Audi. Ik zag dat de bijrijder uitstapte. Vervolgens zag en hoorde ik dat de Audi gas gaf en op mij af kwam rijden. Ik hoorde de motor accelereren. Het bijrijdersportier stond nog open en ik zag dat door de snelheid van de Audi die deur dicht ging. Ik ben daarop naar links gesprongen. De Audi kwam recht op mij afrijden. Het is dus niet zo dat de Audi om mij heen is gereden. Dat kon ook niet want de uitgang is niet breed genoeg om om mij heen te rijden en vervolgens de parkeerplaats te verlaten. Nadat ik naar links was gesprongen hebben mijn collega en ik de persoon die eerder was uitgestapt aangesproken. We hebben die man niet vastgepakt. Hij was rustig en liep rustig met ons mee. Ik weet nog dat hij zei dat hij behoorlijk onder invloed van GHB was.

6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, d.d. 18 december 2013, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van getuige [naam]:

Ik zag op een gegeven moment dat mijn collega op de uitrit van de parkeerplaats stond en dat een auto richting die uitrit reed. (…) Ik zag dat die auto stil ging staan en ik zag dat de passagier uitstapte. Mijn collega stond op korte afstand voor de auto. (…) Ik zag dat de beide personen hun gordel los deden. Ik zag dat de bestuurder naar de bijrijder een gebaar maakte waaruit ik opmaakte dat hij de bijrijder uit de auto wilde hebben. Nadat de passagier was uitgestapt reed de auto ineens weg. Het bijrijdersportier stond nog open. Ik hoorde de auto optrekken. Mijn collega stond voor die auto en sprong voor die auto weg. Ik zag dat hij naar links sprong. Op dat moment was ik ook ter hoogte van de uitgang van de parkeerplaats. U vraagt mij hoe de auto de parkeerplaats verliet. Nadat de bijrijder was uitgestapt trok de auto ineens op. Dat ging heel snel nadat de passagier de auto had verlaten. De auto is rechtdoor gereden. De auto is dus niet om mijn collega heen gereden.

Mijn collega moest weg springen. Daarna hebben we de bijrijder aangesproken

7. De ter terechtzitting van het hof van 22 april 2015 door verdachte afgelegde verklaring inhoudende:

Ik was op 2 juli 2011 samen met [naam bijrijder] op de parkeerplaats aan het [straatnaam] te Eindhoven. Ik had toen een hele snelle Audi A6. Het is een automaat. Als je hem in S zet en gas geeft ben je weg. Het is net een vliegtuig. De auto was ook gechipt. Ik ben toen inderdaad snel weggereden. Het kan goed zijn dat hij even veel toeren heeft gemaakt. Het was mijn auto dus ik weet hoe snel hij was.

[Bijrijder] is uitgestapt, ik ben weggereden. Ik denk dat de portier van de bijrijder nog openstond.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsman heeft in hoger beroep onder andere betoogd dat gezien de uiteenlopende verklaringen van de aangever en zijn collega [naam] niet is komen vast te staan dat aangever zich in de rijrichting van de door verdachte bestuurde Audi bevond.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de Audi A6 van verdachte beschikt over een dermate snelle acceleratie dat, indien aangever op een afstand van 2,5 meter of minder van het voertuig had gestaan, hij nimmer genoeg tijd gehad zou hebben om te reageren en om opzij te kunnen springen. Dit zou, aldus de raadsman, met zich meebrengen dat verdachte ofwel stapvoets gereden heeft ofwel dat aangever niet in de rijrichting van de auto heeft gestaan.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van aangever [naam] en zijn collega [naam] ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris eensluidend zijn en er in de kern op neer komen dat aangever in de nabijheid en aan de voorzijde van de door verdachte bestuurde Audi A6 stond en zich derhalve in de rijrichting van de auto bevond. Hier doet niet aan af dat het proces-verbaal van bevindingen2, opgemaakt door de op 2 juli 2011 ter plaatse gekomen politie, geen duidelijk onderscheid maakt tussen hetgeen de beide beveiligers hebben verklaard dan wel waargenomen, zoals door de raadsman aangevoerd.

Het hof acht de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [aangever] en [getuige] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat beiden er geen belang bij hebben onjuist te verklaren, dit laatste in tegenstelling tot verdachte die bovendien wisselend heeft verklaard over de positie van [aangever] ten opzichte van de auto. Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard3: ”Toen [bijrijder] uit de auto was gestapt, raakte ik in paniek. (...) Ik zag dat de beveiligingsmedewerker naar [bijrijder] liep. Ik heb vervolgens gas gegeven en ben weggereden”. Het voorgaande zou betekenen dat [aangever] zich, gezien vanuit de bestuurder, aan de rechterkant van het voertuig bevond. De door verdachte ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring op 22 april 2015 verhoudt zich hier echter niet mee, nu hij aldaar heeft verklaard: “[bijrijder] is uitgestapt, ik ben weggereden. Ik denk dat de portier van de bijrijder nog openstond. Die portier kon niet tegen de beveiliger op komen, die stond aan de andere kant (het hof begrijpt: links, aan de bestuurderszijde).”

Het hof acht de verklaring van verdachte dat [aangever] zich niet in de rijrichting van de door hem bestuurde auto bevond dan ook niet aannemelijk.

Bijrijder [naam] heeft, nadat hij door aangever is aangehouden voor winkeldiefstal, bij de politie nog verklaard dat hij meteen na het uitstappen werd vastgepakt door de aangever en dat verdachte daarna pas zou zijn weggereden, doch het hof hecht geen waarde aan deze verklaring nu deze weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen en voorts [bijrijder] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard4 dat hij toen zwaar onder invloed van GHB was.

Het hof is derhalve van oordeel dat vaststaat dat aangever zich in de rijrichting van de door verdachte bestuurde auto bevond en wel op een zodanige nabije afstand dat aangever niet rustig kon weg lopen toen verdachte met de door hem bestuurde auto in zijn richting reed; hij moest immers naar links springen. Evenmin stond hij zodanig dicht op de auto dat hij niet meer op tijd weg kon komen voor de snel accelererende auto. Voorts staat vast dat aangever door de auto van verdachte zou zijn geraakt indien hij niet of niet op tijd was weggesprongen. Indien de aangever zou zijn geraakt door de auto van verdachte, was de kans dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen aanmerkelijk. Bij een botsing tussen een snel accelererende personenauto en een persoon bestaat naar algemene ervaringsregels immers een aanmerkelijke kans dat de persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte – het snel accelererend optrekken en het rechtdoor rijden in de richting van aangever – en het feit dat verdachte terdege bekend was met het acceleratievermogen van zijn auto (“als je hem in S zet en gas geeft dan ben je heel snel weg. Het is net een vliegtuig.”5) kan het niet anders zijn dan dat verdachte, als bestuurder van de auto, zich bewust is geweest van die aanmerkelijke kans en die kans bewust heeft aanvaard.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om verdachte zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het verweer wordt verworpen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. H. Eijsenga, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 6 mei 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. H. Eijsenga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Tenzij anders vermeld wordt in deze bewijsmiddelen telkens verwezen naar het eindproces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Regionaal Communicatie- en Informatiecentrum, dossiernummer PL2210 2011097281 (hierna: eindproces-verbaal), sluitingsdatum 30 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 1-55.

2 pagina 44 van het eindproces-verbaal.

3 pagina 35 van het eindproces-verbaal.

4 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] door de rechter-commissaris op 18 december 2013.

5 De ter terechtzitting van het hof van 22 april 2015 door verdachte afgelegde verklaring.