Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2024

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
HD 200.164.580_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak.

Kort geding.

Ontruiming.

Overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.164.580/01

arrest van 2 juni 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. X.H.C. Woodhouse te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.M.S. Moeniralam te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, van 19 december 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 02/290044/KG ZA 14-748)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. [appellant] is op 25 juli 2013 een huurovereenkomst aangegaan met [geïntimeerde] , met ingangsdatum 29 juli 2013. De huur betreft woonruimte (in de zin van artikel 7:233 BW) gelegen aan de [perceel] te [plaats] ( [postcode] ). Een afschrift van de huurovereenkomst met inbegrip van de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden is door [appellant] als productie 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegd.

3.2.

[appellant] vorderde in eerste aanleg, kort gezegd, I. [geïntimeerde] te veroordelen om het gehuurde te ontruimen, II. [geïntimeerde] te veroordelen om in geval hij in gebreke mocht blijven aan de ontruiming te voldoen aan [appellant] een dwangsom te betalen en III. [appellant] te machtigen om zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie de ontruiming ten uitvoer te leggen.

3.3.

[appellant] heeft aan deze vorderingen, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat [appellant] vanaf het najaar van 2013 vanuit verschillende bronnen – de VvE behorende bij het appartementencomplex, buurtbewoners en de politie – talloze klachten heeft ontvangen over ernstige overlast die door zijn huurder [geïntimeerde] worden veroorzaakt. Een groot aantal van deze klachten heeft betrekking op het afspelen van harde muziek in en om de woning, schreeuwen, het luidruchtig en langdurig schelden in en om de woning en het gooien met spullen. [appellant] heeft meermaals contact opgenomen met [geïntimeerde] en zijn begeleider (de heer [autismeconsulent] ) en met de vader van [geïntimeerde] , om de situatie aan te kaarten. Desalniettemin is er geen verandering opgetreden in de overlastsituatie.

[appellant] is van mening dat [geïntimeerde] is tekort geschoten in zijn wettelijke en contractuele (zorg)verplichtingen nu hij ernstige en structurele overlast veroorzaakt in en om het gehuurde. [appellant] verwijst in dit verband naar artikel 7:213 BW en de artikel 13.4 en 13.6 van de algemene voorwaarden behorende bij de huurovereenkomst.

Vooruitlopend op de ontbinding van de huurovereenkomst in een afzonderlijke bodemprocedure heeft [appellant] recht en belang bij ontruiming van het gehuurde in dit kort geding. De overlast in het gehuurde vraagt om een onmiddellijke beëindiging daarvan, aldus [appellant] .

3.4.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat door [appellant] onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van zodanige en ernstige overlast dat dit tot een spoedige ontruiming van het gehuurde moet leiden. Daar komt volgens de rechtbank nog bij dat [geïntimeerde] heeft betoogd en met stukken heeft aangetoond dat hij op zoek is naar andere woonruimte, zodat een vrijwillig vertrek door hem op relatief korte termijn valt te verwachten. Een onmiddellijke voorziening tot ontruiming is daardoor, mede gezien [geïntimeerde] handicaps, nog minder aangewezen.

Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten van [geïntimeerde] veroordeeld, te weten € 604,00 bestaande uit € 77,00 aan griffierecht en € 527,00 aan salaris advocaat alsmede € 196,00 ter compensatie van de aan [geïntimeerde] door de Raad voor Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage. In verband met dat laatste heeft de rechtbank overwogen dat het in de omstandigheden onbillijk is wanneer [geïntimeerde] deze bijdrage uit eigen middelen zou moeten voldoen.

3.6.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.7.

De grieven 1, 2 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof voorop dat de vraag of [appellant] voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening (ontruiming) beantwoord moet worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van dit arrest. Daarbij heeft het hof zich te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, zo die wordt gevoerd.

3.8.

In hoger beroep heeft [appellant] (nader) onderbouwd dat er door [geïntimeerde] (en zijn inwonende vriendin) bij voortduring ernstige overlast op en rondom het gehuurde wordt veroorzaakt. Daartoe heeft [appellant] een afschrift van de brief van de politie d.d. 10 februari 2015 inclusief de politierapporten overgelegd (productie 6 bij de memorie van grieven) en toegelicht. Voorts heeft [appellant] vier verklaringen van omwonenden alsmede een verklaring van hemzelf overgelegd (producties 7, 8, 9, 10 en 11 bij de memorie van grieven). Ten slotte heeft [appellant] erop gewezen dat de overlast door [geïntimeerde] meermaals door hem is erkend.

[appellant] betoogt dat uit het uitgebreide feitencomplex volgt dat er geen twijfel kan zijn over de feitelijke toedracht en de omstandigheden duidelijk een acute voorziening vergen (de stelselmatige overtredingen door [geïntimeerde] waardoor het enkel wachten is op nog verdere escalatie). Gelet daarop is er volgens hem alle aanleiding voor de ingestelde vordering tot ontruiming in kort geding.

[appellant] meent dat de vorderingen van [appellant] redelijkerwijs niet afhankelijk kunnen worden gemaakt van het vinden van alternatieve woonruimte door [geïntimeerde] zoals de rechtbank heeft gedaan. Zijn belang bij onmiddellijke ontruiming dient redelijkerwijs te prevaleren boven het belang van [geïntimeerde] om in het gehuurde te blijven, aldus [appellant] .

3.9.

Het hof volgt [appellant] hierin niet. [geïntimeerde] heeft (slechts) erkend dat hij ruzies met zijn vriendin heeft gehad, waardoor, mede doordat de woningen gehorig zijn, de buren (geluids)overlast hebben gehad.

Voor het overige heeft [geïntimeerde] de feitelijke omstandigheden die [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, betwist. De politierapporten bestaan volgens hem deels uit valse meldingen. Voorts heeft hij aangevoerd dat van een aantal meldingen van overlast niet vast staat dat de overlast door hem (of zijn vriendin) is veroorzaakt. Ook heeft hij de juistheid van de inhoud van de als producties 7, 8, 9, 10 en 11 bij de memorie van grieven overgelegde verklaringen weersproken.

Naar het oordeel van het hof is zonder nader feitenonderzoek niet vast te stellen of, zoal [geïntimeerde] (en/of zijn vriendin) onrechtmatige overlast heeft bezorgd aan omwonenden en aldus tekort is geschoten in zijn verplichtingen als huurder, dit tekortschieten van voldoende gewicht is om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat er een valse melding is geweest op 17 februari 2014, ten bewijze waarvan hij bij brief van zijn advocaat van 2 december 2014 aan de rechtbank stukken heeft overgelegd. [appellant] is op deze stelling niet ingegaan. Ook is van belang dat in het politierapport van 14 februari 2014 is genoteerd dat ‘het (…) gewoon heel erg gehorig in de flat’ is. Dit biedt steun aan de stelling van [geïntimeerde] dat het niet ondenkbaar dat een melder ervan uitgaat dat het lawaai uit de door [geïntimeerde] gehuurde woning kwam, terwijl in werkelijkheid anderen het lawaai veroorzaakten.

Mede gelet op het voorgaande acht het hof de stellingen van [appellant] voorshands onvoldoende aannemelijk om zijn vordering tot ontruiming toe te wijzen. Een kort geding leent zich niet voor bewijslevering, zodat het hof aan het bewijsaanbod van [appellant] voorbij gaat.

3.10

Hier komt bij dat een voorziening als gevorderd met terughoudendheid dient te worden toegepast gelet op de omstandigheid dat de gevolgen van een gedwongen ontruiming voor betrokkene(n) veelal groot zijn. Dit klemt in dit geval te meer nu gegeven de handicaps van [geïntimeerde] – gezien de brief van de begeleider van [geïntimeerde] , de heer [autismeconsulent] , autismeconsulent, van 26 november 2014 (bijlage bij de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 1 december 2014 aan de rechtbank) – het klaarblijkelijk niet eenvoudig is om geschikte alternatieve woonruimte voor hem te vinden.

Het hof merkt nog op dat de meeste politierapporten dateren van eind 2013, begin 2014. Ook gelet op de aard van de gestelde incidenten met omwonenden (vooral schelden en schreeuwen door [geïntimeerde] als hij op zijn gedrag wordt aangesproken) lijkt een voorziening niet acuut gevergd.

De grieven 1, 2 en 3 stranden op het voorgaande.

3.11.

Grief 4 is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het hof deelt het standpunt van [appellant] dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van € 196,00 ter compensatie van de aan [geïntimeerde] door de Raad voor Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage. Gesteld noch gebleken is dat er bij het instellen van de onderhavige vordering sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door [appellant] . Ook anderszins zijn geen termen aanwezig om [geïntimeerde] een vergoeding van in verband met de onderhavige procedure gemaakte kosten toe te kennen boven de forfaitaire vergoeding volgens het liquidatietarief. Dat de kosten van de eigen bijdrage ten koste gaan van het leefgeld van [geïntimeerde] , die – naar gesteld – leeft van een Wajonguitkering, is daarvoor onvoldoende. Ook de door [geïntimeerde] gevorderde veroordeling van [appellant] in de kosten van de eigen bijdrage in hoger beroep van € 143,00 komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. Voor het overige is [appellant] naar het oordeel van het hof gelet op de uitkomst van de procedure terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld.

3.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van € 196,00 ter compensatie van de aan [geïntimeerde] door de Raad voor Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage. Voor het overige dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, begroot volgens het liquidatietarief.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling van € 196,00 ter compensatie van de aan [geïntimeerde] door de Raad voor Rechtsbijstand opgelegde eigen bijdrage;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 311,00 aan griffierecht aan verschotten en op € 894,00 aan salaris advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, J.P. de Haan en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2015.

griffier rolraadsheer