Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2023

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
03-06-2015
Zaaknummer
HD 200.157.825_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval. Werkgever heeft aangevoerd dat dit ongeval in belangrijke mate het gevolg is van bewuste roekoeloosheid van de werknemer, maar heeft dat niet aangetoond.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/987
JA 2015/116 met annotatie van mr. dr. J.P. Quist
AR-Updates.nl 2015-0531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.157.825/01

arrest van 2 juni 2015

in de zaak van

Aviation Cosmetics B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Aviation,

advocaat: mr. R. Janssen te Helmond,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Zwagerman te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van de volgende uitspraken:

  • -

    de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 gewezen tussen [geïntimeerde] als verzoeker en Aviation als verweerder (zaaknummer 2372701 en rolnummer 13-765);

  • -

    het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2014, gewezen tussen Aviation als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (zaaknummer 2858838 en rolnummer

14-3055).

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de bovengenoemde uitspraken, alsmede naar het tussenvonnis van 10 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met twee bijlagen;

  • -

    de memorie van grieven met dertien bijlagen;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi van 9 april 2015, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft bij vervroeging arrest bepaald op heden. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In de beschikking waarvan beroep van 9 januari 2014 heeft de kantonrechter in de overwegingen 2.1 tot en met 2.7 feiten weergegeven. Deze feitenvaststelling is door Aviation op onderdelen bestreden. [geïntimeerde] heeft hetgeen Aviation in dit verband heeft aangevoerd niet inhoudelijk weersproken. Het hof zal de relevante feiten hierna weergeven, waarbij rekening wordt gehouden met wat Aviation in dit verband heeft aangevoerd en waarbij de feiten op onderdelen zijn aangevuld.

  1. Aviation is een bedrijf dat vliegtuigen van een nieuw uiterlijk voorziet. In dat kader vinden onder meer schilderwerkzaamheden aan de buitenzijde van vliegtuigen plaats.

  2. [geïntimeerde] heeft vanaf 14 mei 2010 via het Britse uitzendbureau Roevin Management Services Ltd. bij Aviation gewerkt. Zijn werk hield onder meer in het verwijderen van oude verflagen van vliegtuigen.

  3. Op vrijdag 24 augustus 2012 is [geïntimeerde] met een collega naar een kroeg gegaan, waar [geïntimeerde] alcohol heeft gedronken en softdrugs heeft gebruikt.

  4. Op zaterdag 25 augustus 2012 is [geïntimeerde] om 09.00 uur met zijn werkzaamheden bij Aviation begonnen. Hij had de opdracht gekregen een vliegtuig met een afbijtmiddel te bespuiten. Hij heeft daarvoor een verfspuit gebruikt. Deze spuit lekte. [geïntimeerde] is via een rolsteiger bij de staart van het vliegtuig op het vliegtuig geklommen. Hij is vervolgens met de verfspuit over de romp naar de neus van het vliegtuig gelopen. [geïntimeerde] is om ongeveer 11.30 uur uitgegleden en is vervolgens van een hoogte van ongeveer vijf meter op de grond gevallen.

  5. Na het ongeval is [geïntimeerde] door de heer [sales manager Aviation], sales manager bij Aviation, naar het ziekenhuis gebracht. [geïntimeerde] heeft daar in het bijzijn van [sales manager Aviation] aan de behandelend anesthesist verteld dat hij de vorige avond/nacht alcohol en drugs had gebruikt.

  6. Bij [geïntimeerde] werden een fractuur van het rechterhielbeen, een fractuur van de linker elleboogknop en een luxatie van de linker elleboog geconstateerd. [geïntimeerde] is aan zijn rechtervoet geopereerd en de breuk van zijn linker pols is vastgezet met platen en schroeven.

  7. Het ongeval is op 26 augustus 2012 door een medewerker van het ziekenhuis gemeld aan de Inspectie SZW (Arbeidsinspectie). De Arbeidsinspectie heeft van het ongeval een boeterapport opgemaakt, gedateerd 21 december 2012. Daarin staat onder meer:

  • -

    Bij de staart van het vliegtuig stond een rolsteiger. [geïntimeerde] is via de rolsteiger op het vliegtuig geklommen. Er was rondom het vliegtuig geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht. Het valgevaar is evenmin tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. Dit is een overtreding van artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet juncto artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

  • -

    De werknemers hadden ten tijde van het ongeval niet de mogelijkheid om zich te zekeren met een veiligheidsharnas en een zogenaamde lifeline.

  • -

    [geïntimeerde] heeft geen voorlichting over de te nemen veiligheidsmaatregelen ontvangen.

  • -

    Ten tijde van het ongeval droeg [geïntimeerde] sneakers, een beschermingspak en een gelaatsmasker.

  • -

    Het toezicht op het veilig werken en het goed gebruik van de rolsteigers en het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen bleek onvoldoende.

  • -

    Aviation heeft in juni 2012 een Risico Inventarisatie en –Evaluatie (RI&E) opgesteld. In het Plan van Aanpak zijn onvoldoende maatregelen opgenomen om het risico van vallen van hoogte te verkleinen.

Op 29 mei 2013 heeft de Inspectie SZW in deze kwestie een definitieve boetebeschikking opgemaakt. Aan Aviation werd een boete van € 8.100,00 opgelegd. Aviation heeft bezwaar tegen deze beschikking aangetekend. Dit bezwaar is op 14 augustus 2013 ongegrond verklaard.

3.2.

[geïntimeerde] is daarna een deelgeschilprocedure (ex artikel 1019 w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) gestart over de aansprakelijkheid voor het ongeval. Bij beschikking van 9 januari 2014 heeft de kantonrechter in die procedure overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van [geïntimeerde] voor recht verklaard dat Aviation aansprakelijk is voor het arbeidsongeval van 25 augustus 2012 en voor de daaruit voortvloeiende schade. Verder heeft de kantonrechter conform het daartoe strekkende verzoek van [geïntimeerde] de kosten van het deelgeschil begroot op € 5.715,00, met veroordeling van Aviation om dit bedrag aan [geïntimeerde] te voldoen.

3.3

Aviation heeft vervolgens in een dagvaardingsprocedure - kort gezegd en voor zover nu nog van belang - een verklaring voor recht gevorderd dat zij niet aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het arbeidsongeval van 25 augustus 2012 heeft geleden. Verder vorderde zij veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van Aviation bij vonnis van 11 september 2014 afgewezen en Aviation in de proceskosten veroordeeld. De door Aviation te vergoeden kosten aan de zijde van [geïntimeerde] werden op € 250,00 vastgesteld.

3.4.

Hoewel in de dagvaarding in hoger beroep niet is vermeld dat het hoger beroep ook is gericht tegen de beschikking van de kantonrechter van 9 januari 2014, blijkt uit de memorie van grieven duidelijk dat het hoger beroep zich zowel tegen het vonnis van 11 september 2014 als tegen de daaraan voorafgaande beschikking van 9 januari 2014 richt. Zo heeft [geïntimeerde] het hoger beroep (terecht) ook opgevat.

3.5.

Aviation heeft in hoger beroep tien grieven tegen de beschikking van 9 januari 2014 en drie grieven tegen het vonnis van 11 september 2014 aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van beide uitspraken en tot het alsnog afwijzen van de vordering (het hof begrijpt: het verzoek) van [geïntimeerde] en het alsnog toewijzen van de door haarzelf gevorderde verklaring voor recht. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3.6

De grieven 1 tot en met 4, gericht tegen de beschikking van 9 januari 2014, hebben betrekking op de feitenvaststelling. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten onder overweging 3.1 ten dele rekening gehouden met de inhoud van de grieven; voor het overige falen deze grieven. De op onderdelen aangepaste feitenvaststelling leidt echter niet tot een andere beslissing.

3.7

De overige grieven tegen de beschikking van 9 januari 2014 betreffen de vraag of Aviation tegenover [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het ongeval van 25 augustus 2012 heeft geleden. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.8

Het staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Aviation is tegenover [geïntimeerde] aansprakelijk voor deze schade, tenzij zij aantoont a) dat zij - kort gezegd - haar zorgplicht als werkgever volledig is nagekomen of b) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. Dit vloeit voort uit artikel 7:658, tweede lid, in samenhang met het vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

3.9

In hoger beroep betwist Aviation niet (langer) dat zij haar zorgplicht niet volledig is nagekomen. De raadsman van Aviation heeft dit tijdens het pleidooi te kennen gegeven. Hij heeft daaraan toegevoegd dat Aviation niets meer tegen het Arbeidsinspectierapport heeft in te brengen. Aviation beroept zich dus niet (meer) op de hiervoor onder a genoemde uitzonderingsgrond.

3.10

Volgens Aviation is het ongeval echter in belangrijke mate het gevolg van bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. Zij beroept zich dus op de hiervoor onder b genoemde uitzonderingsgrond. Ter onderbouwing van haar standpunt stelt zij dat het gebruik van alcohol en drugs door [geïntimeerde] kort voor zijn risicovolle werkzaamheden aan het vliegtuig de hoofdoorzaak van zijn val is geweest (mvg onder 76).

3.11

[geïntimeerde] ontkent niet dat hij alcohol en drugs heeft gebruikt, maar wel dat dit kort voor het ongeval is gebeurd. Volgens [geïntimeerde] heeft hij de avond voor het ongeval in een café drie Desperado’s (bier) gedronken en één joint gerookt en is hij rond 00.30 uur naar huis gegaan. Hij betwist ook het door Aviation gestelde causale verband tussen het alcohol- en drugsgebruik en de val.

3.12

De door Aviation aangevoerde omstandigheden kunnen niet de conclusie dragen dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en drugs was. Aviation heeft in dit verband naar voren gebracht dat een huisgenoot van [geïntimeerde] heeft gemeld dat [geïntimeerde] op 25 augustus 2012 pas rond vijf uur ’s ochtends thuis is gekomen en dat hij toen nog een joint heeft gerookt. Ook als dat zo zou zijn, hoeft dat echter nog niet te betekenen dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval (rond 11.30 uur) nog steeds onder invloed van alcohol en drugs was, zoals Aviation stelt. Hoewel [geïntimeerde] op het moment van het ongeval al ongeveer twee en een half uur aan het werk was, is niet gesteld of gebleken dat zijn leidinggevende of aanwezige collega’s iets hebben waargenomen dat erop zou kunnen duiden dat hij toen onder invloed was. Volgens Aviation blijkt uit het feit dat [geïntimeerde] zijn werkzaamheden niet vanaf steigers heeft gedaan, maar uit eigen beweging op het vliegtuig is geklommen, dat hij wel onder invloed geweest moet zijn. Dit argument kan Aviation niet baten. Volgens [geïntimeerde] was het destijds gebruikelijk dat werknemers hun werkzaamheden zonder steigers, staand op het vliegtuig verrichtten. Hij heeft foto’s overgelegd waarop blijkens de door hem gegeven toelichting, die door Aviation niet is weersproken, diverse werknemers van Aviation te zien zijn die zonder steiger los op de romp van een vliegtuig staan terwijl zij hun werkzaamheden uitvoeren. Dat deze werkwijze vaker werd gehanteerd, wordt bevestigd door de inhoud van een kort voor het incident door een klant van Aviation aan haar gestuurde email waarin ondermeer staat vermeld: ‘At several occassions it was noticed that your staff was working on fuselage [dat wil zeggen: de vliegtuigromp; opmerking hof] and wings without any safety harness attached to them selves.’ (prod 5 bij dagvaarding).

3.13

Als al zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval nog onder invloed van alcohol en/of drugs was, wil dat nog niet zeggen dat het ongeval mede daardoor en juist in belangrijke mate daardoor is veroorzaakt. Mogelijk hebben andere factoren een grote rol gespeeld. Zo heeft Aviation niet betwist dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval met een lekkende verfspuit aan het werk was. De bovenzijde van het vliegtuig was in de eigen woorden van Aviation ‘spekglad’ (mvg 76). [geïntimeerde] heeft tot slot aangevoerd dat hij niet op de grond zou zijn gevallen als hij over valbeschermende voorzieningen had beschikt. In dat verband heeft hij een veiligheidsharnas met lifeline en steigers genoemd. In reactie hierop heeft Aviation slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] waarschijnlijk niet (zo ernstig) zou zijn gevallen als hij steigers had gebruikt. Onweersproken is dat [geïntimeerde] niet op de grond zou zijn gevallen als hij zich met een veiligheidsharnas en een lifeline had gezekerd. Deze mogelijkheid had [geïntimeerde] destijds niet, zoals uit het rapport van de Arbeidsinspectie blijkt.

3.14

De conclusie is dat Aviation niet heeft aangetoond dat het ongeval in belangrijke mate door bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] is veroorzaakt. Aviation heeft geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden en het hof zal daarom geen bewijsopdracht aan haar geven.

3.15

Aviation is dus op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval van 25 augustus 2012 heeft geleden. De grieven tegen de beschikking van 9 januari 2013 waarin de kantonrechter dit voor recht heeft verklaard, treffen geen doel.

3.16

De grieven tegen het vonnis van 11 september 2014 treffen evenmin doel. De eerste grief houdt in dat de kantonrechter tijdig verlof aan Aviation had moeten verlenen om hoger beroep tegen de deelbeschikking in te stellen. De tweede grief houdt in dat de kantonrechter Aviation in die procedure ten onrechte in de proceskosten heeft veroordeeld. Als de kantonrechter eerder verlof voor het hoger beroep had gegeven, zou Aviation in het hoger beroep op grond van al het hiervoor overwogene in het ongelijk zijn gesteld en zou haar vordering uiteindelijk zijn afgewezen. Het eerder verlenen van verlof zou dus niet in een andere beslissing hebben geresulteerd. Aviation is dus ook terecht in de proceskosten veroordeeld. De derde grief is een niet nader toegelichte veeggrief die Aviation niet kan baten.

3.17

Het hof zal Aviation als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 308,00 aan griffierecht en € 2.682,00 (3 punten tarief II) aan advocaatkosten.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep van de rechtbank Oost-Brabant van 9 januari 2014 (zaaknummer 2372701 en rolnummer 13-765);

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2014 (zaaknummer 2858838 en rolnummer 14-3055);

veroordeelt Aviation in de proceskosten, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 308,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, J.F.M. Pols en H. Struik en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2015.

griffier rolraadsheer