Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:2011

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
HD 200.081.950_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:915. Betreft schades in verband met bodemvervuiling op verkocht perceel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/105 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.081.950/01

arrest van 2 juni 2015

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats 2],

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant 1] en [appellant 2],

advocaat: mr. H.A. Pasveer te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 Beheermaatschappij [handelsonderneming] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

advocaat mr. J.W. de Rijk te Helmond,

2. Aveco [Aveco] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [handelsonderneming] en Aveco,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 maart 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 122208 en rolnummer HA ZA 05-378 gewezen vonnis van 3 november 2010.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 17 maart 2015;

  • -

    de akte in principaal en incidenteel appel van Aveco.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

In de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco

Naar aanleiding van grief II in incidenteel hoger beroep en grief 2 in principaal hoger beroep: de kosten van bodemsanering

6.1.1. In de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco heeft het hof Aveco in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stelling van [appellant 1] en [appellant 2] dat het gestelde eerste deel van de saneringskosten ad € 30.000,-- is betaald uit een depot bij de notaris (rov. 3.9.3 en 3.9.4 van het tussenarrest). Aveco heeft bij de door haar na tussenarrest genomen akte de betreffende stelling van [appellant 1] en [appellant 2] gemotiveerd betwist. Het hof komt op dit punt thans tot het volgende oordeel.

6.1.2. [appellant 1] en [appellant 2] hebben ter staving van de door hen gestelde saneringskosten in eerste aanleg vier aan hen gerichte facturen van A&G Milieutechniek overgelegd. Deze facturen kennen als omschrijving “Inzake grondwatersanering [straatnaam] [nr B] te [vestigingsplaats 1]”. De vier facturen betreffen respectievelijk:

 Termijn 1 d.d. 20 juni 2005 ad € 14.154,04 incl. btw;

 Termijn 2 d.d. 22 augustus 2005 ad € 2.989,42 incl. btw;

 Termijn 3 d.d. 7 november 2005 ad € 2.357,22 incl. btw;

 Termijn 4 d.d. 19 december 2005 ad € 2.992,97 incl. btw.

De facturen belopen tezamen € 22.494,65 inclusief btw (en dus niet exclusief btw zoals abusievelijk is vermeld in rov. 3.9.2 van het tussenarrest).

6.1.3. Ter staving van hun stelling dat zij deze kosten hebben betaald uit een depot bij de notaris hebben [appellant 1] en [appellant 2] de hierna te melden stukken overgelegd. Uit het gestelde op blz. 10 van de twee leveringsaktes van 2 juni 2004 die [appellant 1] en [appellant 2] als prod. 3 bij de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep hebben overgelegd, blijkt dat van de aan hen toekomende koopsommen tweemaal € 15.000,--, dus in totaal € 30.000,--, in depot is gehouden op een kwaliteitsrekening van de notaris en dat dit depot is bestemd om te worden aangewend voor de kosten in verband met de sanering.

Als prod. 4 bij de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep is een overzicht overgelegd van de mutaties die op de genoemde kwaliteitsrekening hebben plaatsgevonden in de periode vanaf de storting van het bedrag van € 30.000,-- (4 augustus 2004) tot en met 7 januari 2008. In deze periode zijn vanaf de rekening de volgende betalingen gedaan:

 € 21.493,65 € 21.493,65 naar tegenrekening [rekeningnummer 1] op 13 februari 2006;

 € 21.493,65 € 880,10 naar tegenrekening [rekeningnummer 1] op 16 juni 2006;

 € 21.493,65 € 1.079,78 naar tegenrekening [rekeningnummer 2] op 25 oktober 2006.

Deze drie betalingen belopen tezamen € 23.453,53.

6.1.4. Aveco heeft erop gewezen dat de in rov. 6.1.3 genoemde bedragen en de betaaldata niet corresponderen met de data van en bedragen op de in rov. 6.1.2 genoemde facturen en dat op de facturen een ander bankrekeningnummer is vermeld dat de bankrekeningen waarop de betalingen vanaf de kwaliteitsrekening hebben plaatsgevonden. Aveco verbindt daar de gevolgtrekking aan dat niet is komen vast te staan dat de gefactureerde saneringskosten ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] zijn gekomen.

6.1.5. Naar het oordeel van het hof doen de door Aveco genoemde ongerijmdheden inderdaad enige twijfel ontstaan over de vraag welk bedrag aan saneringskosten nu exact ten laste van het depot, en daarmee ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] is gebracht. Daar staat echter tegenover dat het depot uitdrukkelijk was bestemd voor de voldoening van de saneringskosten. Verder staat als onbetwist vast dat de sanering heeft plaatsgevonden en dat daarvoor de in rov. 6.1.2 genoemde bedragen in rekening zijn gebracht. Kennelijk is de betaling via de in rov. 6.1.3 genoemde rekening [rekeningnummer 1] gelopen en zijn de bedragen na facturering daarvan in beperkte mate aangepast. Het hof acht dus voldoende aangetoond dat ter zake saneringskosten € 22.373,75 (het totaal van de twee naar rekening [rekeningnummer 1] overgeboekte bedragen) ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] is gekomen. Dat ook de overboeking naar rekening [rekeningnummer 2] betrekking heeft op ten laste van [appellant 1] en [appellant 2] gekomen saneringskosten acht het hof echter onvoldoende onderbouwd nu [appellant 1] en [appellant 2] geen enkele verklaring hebben gegeven voor het feit dat deze betaling op een andere rekening is gestort dan de andere twee betalingen.

6.1.6. Het voorgaande brengt mee dat van het door [appellant 1] en [appellant 2] ter zake saneringskosten gevorderde (en door de rechtbank toegewezen) bedrag van € 30.000,-- slechts een deel ter grootte van € 22.373,75 toewijsbaar is en dat het restant van het bedrag van € 30.000,-- (€ 7.626,25) wordt afgewezen. Grief II in incidenteel hoger beroep van Aveco heeft dus ten dele doel getroffen.

Nu Aveco niet met een grief is opgekomen tegen de door de rechtbank gehanteerde datum voor de toewijzing van wettelijke rente (20 oktober 2004) zal het hof bepalen dat Aveco over het bedrag van € 22.373,75 wettelijke rente verschuldigd is vanaf 20 oktober 2004.

Conclusie en verder afwikkeling in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco

6.2.1. Het hof heeft in het tussenarrest van 17 maart 2015 in het principaal hoger beroep in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco al geoordeeld:

 dat grief 1 in principaal hoger beroep geen doel treft en dat de vermeerderde eis van [appellant 1] en [appellant 2] ter zake kosten van rechtsbijstand jegens Aveco niet toewijsbaar is (rov. 3.12.7);

 dat grief 2 in principaal hoger beroep in zoverre doel treft, dat [appellant 1] en [appellant 2] eventuele saneringskosten die een bedrag van € 30.000,-- overstijgen, in de schadestaatprocedure aan de orde kunnen stellen (rov. 3.10.3);

 dat grief 3 in principaal hoger beroep geen doel kan treffen (rov. 3.8.2.).

6.2.2. In het incidenteel hoger beroep in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco heeft het hof in genoemd tussenarrest geoordeeld:

 dat grief I in incidenteel hoger beroep geen doel treft (rov. 3.6.4);

 dat grief III in incidenteel hoger beroep wel doel treft (rov. 3.7.4);

 dat grief IV in incidenteel hoger beroep geen doel treft (rov. 3.11.3).

6.2.3. Het voorgaande brengt mee dat het beroepen vonnis, voor zover gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en Aveco als gedaagde, vernietigd moet worden voor zover Aveco bij dat vonnis (hoofdelijk naast [handelsonderneming]) is veroordeeld om aan [appellant 1] en [appellant 2]:

 € 37.240,00 € 37.240,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 37.240,00 een schadevergoeding voor de overige schade te betalen, op te maken bij staat.

Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, Aveco veroordelen om aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen:

 € 22.373,75 ( € 22.373,75 (het hiervoor in rov. 6.1.6 genoemde bedrag aan saneringskosten), vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 22.373,75 ( een schadevergoeding voor de eventuele overige schade, waaronder begrepen eventuele saneringskosten voor zover deze saneringskosten het bedrag van € 30.000,-- te boven gaan, behoudens voor zover het schadeposten betreft die in het onderhavige hoger beroep zijn afgewezen.

Het hof zal in verband met het hoofdelijke karakter van de veroordelingen bepalen dat Aveco niet gehouden is om aan deze veroordelingen te voldoen voor zover de betreffende schades al door [handelsonderneming] zijn vergoed.

6.2.4. Het hof moet nu grief V in incidenteel hoger beroep nog behandelen. Aveco is met die grief opgekomen tegen haar veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg. Het hof zal die grief verwerpen. Gelet op de hiervoor in rov. 6.2.3 gegeven beslissingen heeft Aveco nog steeds te gelden als de in eerste aanleg grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal de veroordeling van Aveco (hoofdelijk, naast [handelsonderneming]) in de kosten van het geding in eerste aanleg daarom bekrachtigen.

6.2.5. In het principaal hoger beroep zijn [appellant 1] en [appellant 2] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal [appellant 1] en [appellant 2] daarom veroordelen in de kosten van het principaal hoger beroep.

6.2.6. In het incidenteel hoger beroep zijn beide partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal de kosten van het incidenteel hoger beroep daarom compenseren tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen.

6.2.7. Het hof zal dit arrest, zoals door beide partijen gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

In de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming]

6.3.1. In de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming] heeft de advocaat van [handelsonderneming] zich in een laat stadium van de procedure gesteld. [handelsonderneming] heeft vervolgens, na een gegeven termijn en een verleend uitstel, geen memorie van antwoord genomen, waarna het recht van [handelsonderneming] om een memorie van antwoord te nemen vervallen is verklaard. [handelsonderneming] heeft nadien geen proceshandelingen verricht of verzoeken tot het hof gericht. Ook na het tussenarrest van 17 maart 2015, waarin het hof eindbeslissingen heeft genomen in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming], heeft [handelsonderneming] geen proceshandelingen verricht of verzoeken tot het hof gericht.

6.3.2. Het hof zal de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming] thans derhalve afdoen overeenkomstig de in het tussenarrest van 17 maart 2015 neergelegde eindbeslissingen. Het hof heeft in dat arrest geoordeeld dat de drie grieven van [appellant 1] en [appellant 2] in de zaak tegen [handelsonderneming] doel treffen. Dat brengt mee dat de door de rechtbank ten laste van [handelsonderneming] uitgesproken veroordeling moet worden vermeerderd met:

 € 33.834,61 € 33.834,61 incl. btw ter zake kosten van rechtsbijstand (grief 1);

 € 33.834,61 € 1.375,-- ter zake btw over de kosten van het bodemonderzoek (grief 3).

[appellant 1] en [appellant 2] hebben aanspraak gemaakt op vergoeding van wettelijke rente over deze bedragen vanaf 20 oktober 2004. [handelsonderneming] heeft daar geen verweer tegen gevoerd en bovendien geen grief gericht tegen deze door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum voor de wettelijke rente, zodat ook deze nevenvordering toewijsbaar is.

Verder zal in verband met grief 2 de door de rechtbank uitgesproken veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat anders worden geformuleerd (rov. 3.7.4 van het tussenarrest).

6.3.3. Het vonnis zal worden bekrachtigd voor zover [handelsonderneming] daarbij (hoofdelijk naast Aveco) is veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.

6.3.4. Het hof zal [handelsonderneming] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant 1] en [appellant 2].

6.3.5. Het hof zal dit arrest, zoals door [appellant 1] en [appellant 2] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco:

vernietigt het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 122208 en rolnummer HA ZA 05-378 gewezen vonnis van 3 november 2010 voor zover gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en Aveco als gedaagde, voor zover Aveco bij dat vonnis (hoofdelijk naast [handelsonderneming]) is veroordeeld om aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen:

 € 37.240,00 € 37.240,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 37.240,00 een schadevergoeding voor de overige schade, op te maken bij staat;

in zoverre rechtdoende: veroordeelt Aveco om aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen:

 € 22.373,75 € 22.373,75 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 22.373,75 een schadevergoeding voor de eventuele overige schade, waaronder begrepen eventuele saneringskosten voor zover deze saneringskosten het bedrag van € 30.000,-- te boven gaan, behoudens voor zover het schadeposten betreft die in het onderhavige hoger beroep zijn afgewezen, op te maken bij staat;

en bepaalt dat Aveco niet gehouden is om aan deze veroordelingen te voldoen voor zover de betreffende schades als door [handelsonderneming] zijn vergoed;

bekrachtigt het vonnis van 3 november 2010 voor zover gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en Aveco als gedaagde, voor zover Aveco bij dat vonnis (hoofdelijk naast [handelsonderneming]) is veroordeeld in de proceskosten;

veroordeelt [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van Aveco tot op heden op € 1.769,00 aan vast recht en op € 1.737,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco uitvoerbaar bij voorraad.

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep tussen de partijen, aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen;

wijst het in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen Aveco meer of anders gevorderde af;

op het hoger beroep in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming]:

vernietigt het door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 122208 en rolnummer HA ZA 05-378 gewezen vonnis van 3 november 2010 voor zover gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en [handelsonderneming] als gedaagde, voor zover [handelsonderneming] bij dat vonnis (hoofdelijk, naast Aveco) is veroordeeld om aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen:

 € 37.240,00 € 37.240,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 37.240,00 een schadevergoeding voor de overige schade, op te maken bij staat;

in zoverre rechtdoende: veroordeelt [handelsonderneming] om aan [appellant 1] en [appellant 2] te betalen:

 € 72.449,61 € 72.449,61 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 oktober 2004;

 € 72.449,61 een schadevergoeding voor de eventuele overige schade, waaronder begrepen eventuele saneringskosten voor zover deze saneringskosten het bedrag van € 30.000,-- te boven gaan, behoudens voor zover het schadeposten betreft die in het onderhavige hoger beroep zijn afgewezen;

en bepaalt dat [handelsonderneming] niet gehouden is om aan deze veroordelingen te voldoen voor zover de betreffende schades als door Aveco zijn vergoed;

bekrachtigt het vonnis van 3 november 2010 voor zover gewezen tussen [appellant 1] en [appellant 2] als eisers en [handelsonderneming] als gedaagde, voor zover [handelsonderneming] bij dat vonnis (hoofdelijk naast Aveco) is veroordeeld in de proceskosten;

veroordeelt [handelsonderneming] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellant 1] en [appellant 2] en begroot die kosten tot op heden op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 649,-- aan vast recht en € 1.631,-- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest in de zaak van [appellant 1] en [appellant 2] tegen [handelsonderneming] uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 juni 2015.

griffier rolraadsheer