Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1958

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
F 200.148.822-01 en F 200.148.825-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1290
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 mei 2015

Zaaknummers: F 200.148.822/01 en F 200.148.825/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/03/183804 / FA RK 13-1909 en C/03/183179 / FA RK 13-173

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.M.J. Graus,

en

[appellant 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant 2] ,

advocaat: mr. P.M.J Graus,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.P.F Rober.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 januari 2014 en voorts naar de beschikking voorlopige voorzieningen van diezelfde rechtbank van 4 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2014 hebben de man en de (sinds [geboortedatum] 2014) jong-meerderjarige zoon van partijen, [appellant 2] - verzocht:

1) voormelde beschikkingen te vernietigen;

2) opnieuw rechtdoende, de zaak terug te verwijzen, primair en bij voorkeur, naar een andere rechtbank dan wel, subsidiair, naar de rechtbank Limburg, maar dan locatie Roermond, zodat de man en [appellant 2] alsnog een volledige en gewaarborgde behandeling in eerste aanleg krijgen;

3) althans, meer subsidiair, de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel alle verzoeken van de vrouw af te wijzen dan wel de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vooralsnog op nihil te stellen;

4) althans alsnog te beslissen dat er een zitting of nader onderzoek dan wel een nadere schriftelijke ronde (of de mogelijkheid daartoe) moet volgen;

5) te bepalen dat de vrouw met ingang van september 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [appellant 2] een bedrag van € 50,- dient te voldoen;

6) de (proces)kosten rechtens, enzovoorts.

Aangezien in het appelschrift onder 1.b. ook de jongmeerderjarige zelfstandig als procespartij wordt opgevoerd gaat het hof er van uit dat voornoemde verzoeken ook mede namens de jongmeerderjarige worden gedaan.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juli 2014, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man alsmede van [appellant 2] af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen en tevens te bekrachtigen de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht zo nodig onder verbetering dan wel aanvulling van de gronden, althans een zodanige regeling te treffen als het hof juist acht. Kosten rechtens.

2.3.

Deze zaken zijn ter griffie ingeschreven onder de zaaknummers F 200.148.822/01 (echtscheiding en nevenvoorzieningen) en F 200.148.825/01 (overige zaken), welke gezamenlijk worden behandeld en beslist.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. Graus,

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Rober.

2.3.1.

Ter zitting heeft mr. Graus meegedeeld dat de man en [appellant 2] niet ter zitting zullen verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennis genomen van het V-formulier met producties van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 12 maart 2015.

3 De beoordeling

3.1.

De man en de vrouw zijn op 7 juni 1991 te Kerkrade met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [appellant 2] , op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] .

[appellant 2] woont bij de vader.

3.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, d.d. 4 oktober 2013 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning met ingang van de datum van die beschikking en heeft de rechtbank bevolen dat de man de woning verder niet betreedt.

3.3.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, d.d. 29 januari 2014 heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking tijdens de procedure in hoger beroep, gelet op het zogenaamde vol appel van de man nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man een bedrag van € 1.250,- aan de vrouw dient te voldoen als bijdrage in haar levensonderhoud.

3.4.

De man kan zich met de beide voormelde beschikkingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Verloop van de procedure in hoger beroep

3.5.

Mr. Graus heeft ter zitting, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, verklaard dat hij met betrekking tot (de inhoud van) het in deze zaak ingediende beroepschrift op 28 oktober 2014 ter verantwoording is geroepen bij de president van dit hof. Mr. Graus heeft voorts verklaard dat de man en [appellant 2] ter zitting niet aanwezig zijn nu mr. Graus een verzoek aan het hof zal doen buiten de aanwezigheid van de man en [appellant 2] .

Verder heeft mr. Graus, kort samengevat, verklaard dat door rechters is geklaagd over de inhoud van het in deze zaken door hem ingediende beroepschrift, dat hij dit beroepschrift met de president van dit hof heeft besproken en dat er ten gevolge van het een en ander thans sprake is van vooringenomenheid van dit hof. Ter zitting heeft mr. Graus het hof verzocht deze zaak te verwijzen naar een ander hof.

Mr. Rober heeft namens de vrouw nadrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het verzoek van mr. Graus en ook tegen de gang van zaken: er was een mondelinge behandeling bepaald, de vrouw rekende op behandeling van de grieven; zij wordt door het optreden van mr Graus nu ernstig benadeeld. Zij wil al twee jaren scheiden. Mr. Rober stelt dat de man misbruik maakt van procesrecht.

Mr. Graus heeft vervolgens verklaard dat hij zich niet in staat acht de grief van de man, gericht tegen de echtscheiding, in te trekken.

De voorzitter heeft partijen medegedeeld dat al hetgeen door de advocaten naar voren is gebracht door het hof in zijn overwegingen zal worden betrokken en de mondelinge behandeling gesloten.

3.6.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.1.

Uit onderzoek na afloop van de mondelinge behandeling is het hof gebleken dat de president van dit hof met mr. Graus op 28 oktober 2014 onder meer over het beroepschrift in deze zaak heeft gesproken. Het feit dat door de president met mr. Graus over de inhoud van het onderhavige beroepschrift is gesproken was de rechters die deze zaak thans behandelen onbekend.

Wat er ook zij van het gesprek van de president met mr. Graus, het hof stelt vast dat mr. Graus zijn verzoek tot verwijzing naar een ander hof pas heeft gedaan tijdens de mondelinge behandeling van 2 april 2015. Mr. Rober heeft ter zitting geprotesteerd tegen de gang van zaken en het verzoek van mr. Graus. Mr. Rober heeft gesteld dat de vrouw, die al ruim twee jaar tot een echtscheiding tracht te komen, met deze gang van zaken ernstig in haar belangen wordt geschaad.

Het hof is van oordeel dat mr. Graus door zijn verzoek tot verwijzing naar een ander hof pas te doen ter zitting van 2 april 2015 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, misbruik maakt van procesrecht nu mr. Graus dat verzoek tot verwijzing naar een ander hof had kunnen en naar het oordeel van het hof had moeten indienen terstond nadat het gesprek met de president van het hof op 28 oktober 2014 had plaatsgevonden, althans had mr. Graus dat verzoek tot verwijzing naar een ander hof met bekwame spoed dienen te doen. Door zolang te wachten als thans het geval is heeft mr. Graus misbruik gemaakt van procesrecht en de belangen van de vrouw op ernstige wijze geschaad. Wat er ook zij van de inhoud van het verzoek tot verwijzing naar een ander hof, het hof verbindt aan de door mr. Graus gevolgde wijze van indienen van zijn verzoek het gevolg dat daaraan voorbij wordt gegaan.

Nu mr. Graus welbewust alleen en niet met zijn cliënten op de mondelinge behandeling is verschenen – en daarmede ook heeft beoogd een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep ter zitting onmogelijk te maken - verbindt het hof daaraan, gelet op de belangen van beide partijen ter zake: dat van de man en [appellant 2] bij een zitting op latere termijn en dat van de vrouw bij onmiddellijke afdoening, de gevolgen die het hof geraden en juist acht. Het hof kent aan het belang van de vrouw bij afdoening zonder een inhoudelijke behandeling ter zitting een groter belang toe dan het belang van de man en [appellant 2] bij een verder uitstel van afdoening. Het hof betrekt daarbij de gang van zaken tijdens de zitting, als hiervoor beschreven, het gegeven dat er na 28 oktober 2014 een zeer lange periode is verstreken en mr. Graus al die tijd voorbij heeft laten gaan zonder het hof of de wederpartij in kennis te stellen van zijn bezwaren tegen behandeling van de zaak door dit hof, en het belang van de vrouw bij ontbinding van het huwelijk binnen een termijn welke niet op onredelijke wijze wordt verlengd, zoals in casu wel dreigt te gebeuren indien er opnieuw een zitting wordtvastgesteld. Het hof acht het derhalve geraden en juist de zaak thans af te doen. Het hof tekent hierbij aan dat partijen ruimschoots de tijd hebben gehad documenten en stukken ter onderbouwing van hun stellingen voorafgaand aan de zitting in te dienen.

Met betrekking tot de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 4 oktober 2013

3.7.

Het hof overweegt dat de man, en [appellant 2] indien en voor zover het hoger beroep ook door [appellant 2] op dit onderdeel ingesteld, niet-ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde hoger beroep nu de wet niet voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep tegen deze beschikking houdende voorlopige voorzieningen.

Met betrekking tot de echtscheidingsbeschikking d.d. 29 januari 2014

Terugverwijzing naar de rechtbank

3.8.

De man en [appellant 2] hebben gesteld, kort samengevat, dat er in eerste aanleg door de rechtbank diverse - procedurele en inhoudelijke - fouten zijn gemaakt en dat de zaak alsnog door de rechtbank dient te worden behandeld, reden waarom de man en [appellant 2] hebben verzocht de zaak naar een andere rechtbank dan wel, subsidiair, naar de rechtbank Limburg, maar dan locatie Roermond, te verwijzen, zodat zij alsnog een volledige en gewaarborgde behandeling in eerste aanleg kunnen krijgen. Het hof wijst dit verzoek af nu het hoger beroep er mede toe dient om eventuele fouten uit de eerste aanleg te herstellen. Wat er ook zij van de door de man en [appellant 2] gestelde fouten in de procedure in eerste aanleg, voor terug verwijzing naar de rechtbank is er naar het oordeel van het hof geen plaats.

Vol appel

3.9.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen. Aangezien het verzoek tot vernietiging niet in omvang beperkt is, is dat verzoek onder meer ook gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding. Nu de man de duurzame ontwrichting weliswaar heeft betwist, doch hij zijn verweer op dat punt niet, althans niet op adequate wijze heeft gemotiveerd noch heeft onderbouwd en de man geen bijzondere omstandigheden

heeft gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, dient het verzoek van de man in zoverre te worden afgewezen en zal de bestreden beschikking in zoverre worden bekrachtigd.

Behoeftigheid van de vrouw

3.10.

De man heeft de behoeftigheid van de vrouw betwist. Gelet op het feit dat de man zijn stelling op dit punt in het geheel niet heeft gemotiveerd noch heeft onderbouwd gaat het hof aan dit verweer van de man voorbij. Het hof volgt de vrouw in haar stelling dat zij geen, althans onvoldoende inkomsten heeft om in haar levensonderhoud te voorzien en stelt de behoefte van de vrouw op een bedrag van € 1.545,- netto per maand, zoals zij heeft aangevoerd.

Draagkracht van de man

3.11.

De man heeft gesteld dat er bij hem sprake is van een negatieve draagkracht, althans dat hem ieder draagkracht ontbreekt. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft de man bij het appelschrift een beperkt aantal financiële gegevens overgelegd, waaronder de aangiftes inkomstenbelasting 2011, 2012 en 2013 en de bijbehorende fiscale rapporten betreffende zijn onderneming ‘ [installatiebedrijf] Installatiebedrijf’. Met betrekking tot zijn lasten in 2013 heeft de man onder meer overgelegd een overzicht van zijn diverse verzekering en twee betalingsverzoeken van CZ betreffende de premie ziektekostenverzekering. Nu de echtscheidingsbeschikking naar verwachting in het jaar 2015 zal worden ingeschreven in de registers van de burgerlijks stand en de draagkracht van de man, gelet op die ingangsdatum, beoordeeld zal moeten worden minimaal aan de hand van de financiële gegevens van de onderneming van de man betreffende de jaren 2014 en 2015 en eventuele prognoses voor toekomstige jaren en de man zulke gegevens in het geheel niet heeft overgelegd, is het hof niet in staat de draagkracht van de man te beoordelen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man in staat moet worden geacht om de door de vrouw verzocht bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.250,- per maand te voldoen. De bestreden beschikking zal op dit punt worden bekrachtigd.

Ouderschapsplan

3.12.1.

De man heeft gesteld dat in eerste aanleg geen ouderschapsplan is overgelegd en dat de vrouw, naar het hof begrijpt, om die reden niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar verzoeken in eerste aanleg. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.12.2.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op het feit dat [appellant 2] op [geboortedatum] 2014 de leeftijd van achttien jaar zou bereiken , heeft de rechtbank in de bestreden beschikking van 29 januari 2014 overwogen dat een gezamenlijk ouderschapsplan geen nut meer had. Weliswaar overwoog de rechtbank daarbij ten onrechte dat dit temeer gold omdat niet te verwachten was dat er een eindbeschikking zou zijn vóór [geboortedatum] 2014 –immers de beschikking werd gegeven op 29 januari 2014- maar het hof verbindt daaraan niet het gevolg dat het inleidende verzoek niet ontvankelijk verklaard moet worden. Het hof constateert dat [appellant 2] thans de achttienjarige leeftijd heeft bereikt zodat het hof aan (vaststelling van) een gezamenlijk ouderschapsplan thans, gelet opde meerderjarigheid van [appellant 2] , niet meer toekomt.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [appellant 2]

3.13.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw met ingang van september 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [appellant 2] een bedrag van € 50,- dient te voldoen. De vrouw heeft die stelling van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat het haar aan draagkracht ontbreekt, althans dat het verzoek van de man tot vaststelling van een door haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [appellant 2] van € 50,- per maand moet worden afgewezen.

3.13.2.

Het hof overweegt dat dit verzoek van de man opgevat moet worden als een zelfstandig verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening bij echtscheiding, welk verzoek de man rechtsgeldig voor het eerst kan doen in hoger beroep zodat hij in dat verzoek ontvankelijk is.

Onder overlegging van onder meer de jaaropgaaf 2014 en een uitkeringsstrook betreffende de maand januari 2015, heeft de vrouw gesteld dat zij een uitkering heeft, in 2014 krachtens de Wet werk en bijstand en met ingang van 1 januari 2015 krachtens de Participatiewet. Gelet op het gemotiveerde en gedocumenteerde verweer van de vrouw, waarop de man niet meer heeft gereageerd, wijst het hof het verzoek van de man tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [appellant 2] ten laste van de vrouw, af. Er is op dit moment bij de vrouw geen draagkracht.

3.14.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de man en [appellant 2] niet-ontvankelijk in hun beroep tegen de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 oktober 2013;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 januari 2014;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.J. van Laarhoven en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.