Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1952

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2015
Datum publicatie
01-06-2015
Zaaknummer
F 200.165.779_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 28 mei 2015

Zaaknummer : F 200.165.779/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/288023 / JE RK 14/2032MZ/04

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G. Hagens,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2015, op schrift gesteld op 12 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 februari 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen - naar het hof begrijpt, gelet op de mededeling van de advocaat van de moeder ter zitting: voor zover deze betrekking heeft op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing - en de uithuisplaatsing alsnog te beëindigen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 april 2015, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Hagens;

- de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting].

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De pleegouders, die zijn opgeroepen om als informant door het hof te worden gehoord, zijn evenmin verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen in werking getreden. Op grond van artikel 28 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake een ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór 1 januari 2015 volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 3 december 2014, is derhalve artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dat gold tot 1 januari 2015, in de onderhavige zaak van toepassing.

3.2.

Uit de moeder zijn geboren:

- [zoon 1] (hierna te noemen: [zoon 1]), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats];

- [zoon 2] (hierna te noemen: [zoon 2]), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats].

De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.3.

De kinderen staan sinds 5 februari 2014 onder toezicht van de stichting en zij zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 2 oktober 2014 uithuisgeplaatst.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [zoon 1] en [zoon 2] verlengd tot en met 31 december 2015 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [zoon 1] en [zoon 2] tot 5 augustus 2015 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden tot de zitting van 16 juli 2015, met het verzoek aan de stichting om uiterlijk op 2 juli 2015 de rechtbank nader te informeren omtrent de stand van zaken.

3.5.

De moeder kan zich met de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 5 augustus 2015 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Ter zitting heeft de advocaat van de moeder medegedeeld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. De moeder betwist dat de situatie bij haar thuis voor de kinderen nog steeds onveilig is. De moeder heeft in het belang van de kinderen na de uithuisplaatsing veel geleerd, ook op praktisch gebied. Daar komt bij dat de zorg voor de kinderen minder zwaar is dan voorheen het geval was. Met name de medische situatie van de kinderen is verbeterd.

De moeder ondervindt zelf ook meer rust. De moeder heeft voorts haar eigen netwerk meer ingezet om haar te ondersteunen. De stichting heeft een aantal voorwaarden aan de moeder gesteld. De moeder voldoet aan al die voorwaarden, met name op het punt van de veiligheid. Volgens de moeder was de situatie bij haar thuis niet zodanig dat die een verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk maakte.

De moeder is bovendien van mening dat het Onderzoeks- en Observatietraject (O & O traject) van Oosterpoort, dat op 5 maart 2015 is gestart, niet het juiste traject is. De moeder heeft uit informatie van Oosterpoort begrepen dat de nadruk van dit traject niet ligt op terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. Het traject zou erop gericht zijn te onderzoeken of plaatsing van de kinderen bij de moeder mogelijk is. De rechtbank heeft evenwel overwogen dat de stichting dient toe te werken naar een thuisplaatsing van de kinderen. Ook inhoudelijk is het O & O traject volgens de moeder niet in het belang van de kinderen, nu de kinderen gedurende het traject heen en weer “gesleept” zullen worden tussen het pleeggezin en het huis van de moeder. Een dergelijk traject zal de kinderen alleen maar verder beschadigen. Een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder is het meest in hun belang, aldus de moeder.

Ter zitting is namens de moeder verklaard dat zich tijdens het O & O traject een aantal onveilige situaties heeft voorgedaan tussen de moeder en de kinderen. De moeder heeft die situaties nabesproken met de O & O werker en zij heeft daarin vooruitgang geboekt. Voor het overige verlopen de contacten met de kinderen bij de moeder thuis in het kader van het

O & O traject goed. De moeder vindt wel dat de kinderen weinig tijd hebben om bij de moeder thuis te wennen.

Ter zitting heeft de moeder nog verklaard dat pleegzorg te weinig oog heeft voor de loyaliteitsconflicten die bij de kinderen spelen. De stichting heeft ook onvoldoende aandacht voor de specifieke problemen van de kinderen en de problematiek van de moeder.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan. Het O & O traject, waarin wordt onderzocht of de moeder voldoende vaardigheden heeft ontwikkeld om een veilige terugplaatsing van de kinderen te waarborgen, is van start gegaan met een startgesprek op 5 maart 2015. Het traject duurt zes maanden. Er zijn wekelijkse observaties van de moeder met de kinderen gedurende anderhalf uur gepland.

Op 17 maart 2015 heeft de eerste observatie plaatsgevonden. Bij die observatie zijn drie onveilige momenten gesignaleerd, die door de O & O medewerker met de moeder zijn nabesproken. Dit leverde veel weerstand op bij de moeder. Na overleg binnen de stichting is besloten dat de O & O medewerker meer zal insteken op positieve momenten tussen de moeder en de kinderen. De samenwerking tussen de moeder en de O & O medewerker is hierdoor verbeterd. De stichting is van mening dat er nog veel zorgen zijn zoals bijvoorbeeld het stevig vastpakken van de kinderen. De stichting heeft ook zorgen over de leerbaarheid van de moeder, nu het patroon van stevig vastpakken zich lijkt te herhalen. Op dit moment is onvoldoende duidelijk of de kinderen veilig teruggeplaatst kunnen worden bij de moeder. Met name wanneer de moeder onder spanning staat, escaleert de situatie vaak.

De moeder is voorts erg gefocust op medische problemen bij de kinderen. Wat betreft haar persoonlijkheidsproblematiek heeft de moeder onlangs te kennen gegeven dat definitief is vastgesteld dat bij haar sprake is van autisme en ADHD. De stichting vindt het een positieve ontwikkeling dat de moeder haar netwerk meer inschakelt. De stichting heeft nog wel zorgen over herhaaldelijk optredende lichamelijke ongemakken bij de moeder. Overigens zijn, ondanks die ongemakken, de contacten tussen de moeder en de kinderen steeds doorgegaan.

De kinderen ontwikkelen zich goed bij de pleegouders. De kinderen hebben eens per week een bezoek van de moeder in het pleeggezin. Daarnaast gaan de kinderen eens per week naar de moeder in het kader van het O & O traject.

Een medewerker van Junior care werkt met de moeder aan de veiligheid in huis en aan haar financiële situatie. Het huis van de moeder en haar financiën zijn inmiddels op orde. De betreffende medewerker is gespecialiseerd in autisme spectrum problematiek, ook bij ouders van jonge kinderen. De medewerker van Junior care heeft geen functie in het O & O traject. Er vindt wel afstemming plaats tussen de medewerker van Junior care en de

O & O medewerker. De stichting weet niet of de O & O medewerker ervaring heeft met mensen met autisme.

De O & O medewerker heeft bij de kinderen geen signalen waargenomen die erop zouden wijzen dat de kinderen na aankomst bij de moeder thuis niet genoeg tijd hebben om te wennen.

De stichting is concluderend van mening dat de uithuisplaatsing gehandhaafd moet worden in afwachting van de resultaten van het O & O traject.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 (oud) van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een uithuisplaatsing. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is het hof gebleken dat het, vanwege de aanwezige zorgen over de emotionele veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder, nog immer noodzakelijk is aan de hand van het O & O traject van Oosterpoort te beoordelen of een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder kan worden gerealiseerd. Het hof maakt uit de stukken op dat de moeder - met name vanwege haar persoonlijke problematiek - in het verleden moeite had met de inschatting van wat voor de kinderen noodzakelijk is en bij onvoorziene omstandigheden niet voldoende in staat was om op een adequate manier te reageren. De moeder ondervond dan spanningen, waarop zij te snel en te heftig reageerde, hetgeen voor de kinderen onvoorspelbaar en onveilig is. Het hof is niet gebleken - en dit blijkt ook niet uit de tot nu toe verkregen bevindingen van het O & O traject - dat de situatie inmiddels zodanig is gewijzigd dat de moeder thans wel in staat zou zijn de kinderen voldoende veiligheid in de thuissituatie te bieden. Het hof is dan ook van oordeel dat een thuisplaatsing op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Het hof wijst er hierbij op dat ook de moeder ter zitting heeft beaamd dat de kinderen niet direct weer bij haar kunnen gaan wonen.

Onder deze omstandigheden acht het hof het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing voortduurt totdat aan de hand van de uitkomsten van het O & O traject duidelijkheid is ontstaan over de opvoedmogelijkheden van de moeder en het toekomstperspectief van de kinderen.

3.8.3.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

3.8.4.

Het hof tekent hierbij aan dat, gelet op hetgeen uit de stukken en de behandeling ter zitting naar voren is gekomen, van de stichting mag worden verwacht dat zij - ook in het kader van de uitvoering van het O & O traject - bijzondere aandacht heeft voor het feit dat de moeder kampt met autisme spectrum problematiek. Voorkomen moet worden dat bij de beoordeling van de opvoedmogelijkheden van de moeder voormeld feit onvoldoende wordt meegewogen. Het hof wijst er in dit verband op dat de stichting ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de vraag of de O & O medewerker ervaring heeft met aan autisme gerelateerde problemen op opvoedkundig gebied. Weliswaar is naar zeggen van de stichting de medewerker van Junior care gespecialiseerd op het gebied van autisme, maar het hof stelt vast dat deze medewerker niet of nauwelijks een rol heeft bij de feitelijke observaties van de contacten tussen de moeder en de kinderen in het kader van het O & O traject. Het hof verwacht van de stichting dat zij alsnog onderzoekt of de O & O medewerker voldoende geëquipeerd is om deze moeder met autisme spectrum problematiek bij de contacten met de kinderen te begeleiden en handvaten te bieden.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2015, op schrift gesteld op 12 februari 2015;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L.Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.C. Bijleveld-van der Slikke en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.