Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
HD 200.128.884_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens overlast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.128.884/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. S.H.J. van der Linden te Venlo,

tegen

Stichting Woonwenz,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.D.A. Quaedvlieg te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 maart 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Venlo, onder zaaknummer 358271/CV EXPL 12-4034 gewezen vonnis van 20 maart 2013.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 11 maart 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 16 juli 2014;

  • -

    de processen-verbaal van de contra-enquête van 1 oktober 2014 en 14 januari 2015;

  • -

    de memorie na enquête van Stichting Woonwenz met producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

7 De verdere beoordeling

7.1.

De raadsheer mr. C.E.C.J. Ponsioen die het tussenarrest heeft meegewezen, kan dit arrest door een beëindiging van functie niet meewijzen.

7.2.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Stichting Woonwenz toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] structurele ernstige overlast aan omwonenden van de eerder door hem gehuurde woning aan de [adres 1] heeft veroorzaakt.

7.3.

Stichting Woonwenz heeft ter uitvoering van de aan haar gegeven bewijsopdracht vier getuigen doen horen, te weten mevrouw [getuige 1], bewoonster van [adres 2], de heer en mevrouw [getuige 3 en 4], bewoners van [adres 3] en mevrouw [getuige 4] die van 2000 tot 2013 woonachtig is geweest in de woning [adres 4].

Deze getuigen hebben, in verschillende bewoordingen, bevestigd dat [appellant] structurele ernstige overlast heeft veroorzaakt door agressief gedrag, bedreiging, dronkenschap en frequente geluidsoverlast door harde muziek en/of blazen op een trompet.

7.4.

Stichting Woonwenz heeft verder bij memorie na enquête een groot aantal producties in het geding gebracht, waaronder:

- een groot aantal klachtbrieven van een zevental met name genoemde omwonenden, betrekking hebbend op door [appellant] veroorzaakte overlast;

- een verzoek, gericht aan Stichting Woonwenz om stappen jegens [appellant] te ondernemen wegens aanhoudende overlast, welk verzoek door acht met name genoemde omwonenden is

onderteken;

- een vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg d.d. 24 maart 2014 waaruit blijkt dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld wegens bedreiging van mevrouw [getuige 1] voornoemd met enig misdrijf tegen het leven gericht op 5 juni 2012;[getuige 1]

- een politierapport waaruit blijkt dat [appellant] in de periode april 2010 tot en met 2013 meermaals met de politie in aanraking is geweest in verband met openbare dronkenschap, bedreiging en lokaal/huisvredebreuk.

7.5.

Naar het oordeel van het hof heeft Stichting Woonwenz, met de voormelde getuigenverklaringen en de overgelegde stukken, thans toereikend bewijs geleverd van haar stelling dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan structurele ernstige overlast aan omwonenden.

Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [appellant] hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter voornoemd en door de omstandigheid dat het voornoemde politierapport vertrouwelijke gegevens bevat die volgens [appellant] niet aan Stichting Woonwenz verstrekt hadden mogen worden.

Naar het oordeel van het hof wordt het door Stichting Woonwenz geleverde bewijs in onvoldoende mate weerlegd door de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen, waarbij het hof mede in de beoordeling betrekt dat de getuige [getuige 5] slechthorend is en de Nederlandse taal slecht beheerst, dat de getuige [getuige 6] in een ander flatgebouw woont op ruime afstand van het gebouw waarin de woning van [appellant] was gelegen en dat de getuige [getuige 7] elders woont en op onregelmatige tijdstippen bij de heer [getuige 8] op het adres [adres 5] verblijft. De verklaring van de heer [getuige 8], onder meer inhoudende dat hij slechts éénmaal iets van overlast door [appellant] heeft gemerkt, acht het hof minder geloofwaardig aangezien hij zich eerder tot Stichting Woonwenz heeft gewend met het verzoek om stappen jegens [appellant] te ondernemen wegens aanhoudende overlast.

7.6.

Het hof acht voor de beoordeling verder van belang dat, zoals volgt uit de reeds in het tussenarrest vastgestelde feiten, [appellant] door Stichting Woonwenz (herhaaldelijk) tevergeefs is aangeschreven om aan de overlast een einde te maken en dat [appellant] tot twee maal toe niet heeft gereageerd op een uitnodiging van Stichting Woonwenz om op gesprek te komen in verband met de overlastklachten.

7.7.

Naar het oordeel van het hof moet de conclusie zijn dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder. Deze tekortkoming is zodanig ernstig dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst en de gevolgen daarvan rechtvaardigt. Het woonbelang van [appellant] moet hiervoor wijken.

7.8.

De slotsom is dat de grieven van [appellant] falen, dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Stichting Woonwenz worden begroot op € 683,- aan verschotten en op € 2.682,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraad