Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1898

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
HD 200.133.710_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing van de artikelen 23 en 5 van de EEX-verordening.

Geschil over internationale verkoop van roerende lichamelijke zaken (magneten) die Nederlandse verkoper in China laat maken, aan koper in Ierland. Het forumkeuzebeding waar de Nederlandse verkoper zich op beroept, is zodanig geformuleerd dat daar gelet op art. 23 EEX-Vo geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter uit volgt. Een afspraak dat in Nederland betaald diende te worden, waaruit gelet op art. 5 EEX-Vo zou kunnen volgen dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de koper tot betaling, is niet komen vast te staan. Derhalve is de Ierse rechter bevoegd op grond van de hoofdregel van artikel 2 van de EEX Vo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 4, p. 215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.133.710/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

[Magnetics] Magnetics B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [Magnetics],

advocaat: mr. J.L.M.W. Louwers te Eindhoven,

tegen

1 C & F Tooling Limited,
gevestigd te [vestigingsplaats], Co. Galway, Ierland,

2. C & F Green Energy Limited,
gevestigd te [vestigingsplaats], Co. Galway, Ierland,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna tezamen aan te duiden als C & F c.s. en afzonderlijk als C & F Tooling en C & F Green Energy,

advocaat: mr. M. Teekens te Leiden,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 augustus 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 augustus 2013, gewezen tussen [Magnetics] als eiseres in de hoofdzaak, tevens verweerster in het incident, en C & F c.s. als gedaagden in de hoofdzaak, tevens eiseressen in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/257393, rolnummer HA ZA 13‑30)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de akte van C & F c.s.;

  • -

    de antwoordakte van [Magnetics].

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [Magnetics] houdt zich bezig met de fabricage van en groothandel in magneten en magnetische producten en metaalwaren.

  2. C & F Tooling houdt zich bezig met de ontwikkeling en fabricage van diverse producten. C & F Green Energy houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van windmolens.

  3. [Magnetics] heeft als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding diverse stukken overgelegd. Daarbij bevinden zich “purchase orders” ter zake magneten. Deze purchase orders zijn gesteld op briefpapier van C & F Tooling en gericht aan [Magnetics]. Verder bevindt zich bij prod. 1 een kopie van een e-mail van [Magnetics] aan C & F c.s. van 11 juli 2011, waarin onder meer het volgende staat:

“Quotation is subject tot general sales conditions of [Magnetics] dated 24062010, copy attached”

Bij de opsomming van bijlagen in de kop van de e-mail staat onder meer:

“General sales conditions [pdf].pdf”

[Magnetics] heeft als prod. 9 bij haar akte van 10 april 2013 “purchase orders” ter zake magneten overgelegd, die zijn gesteld op briefpapier van C & F Green Energy en gericht aan [Magnetics].

Bij de als prod. 1 bij de inleidende dagvaarding overgelegde stukken bevinden zich verder onder meer “order confirmations”, gesteld op briefpapier van [Magnetics] en gericht aan “C & F Green Energy C / O C & F Tooling”. Deze stukken dateren uit de jaren 2011 en 2012.

Op de zojuist genoemde order confirmations staat onder meer de volgende tekst:

“All our offers, contracts, deliveries en other legal relations are governed bij the latest version of our sales conditions as filed with the District Court at ’s-Hertogenbosch. The Netherlands. These conditions are available at our offices and will be sent to you at your first request. Applicability of the general conditions of any buyer is rejected explicitly. Chamber of Commerce [vestigingsplaats] No. [KvK-nummer]”

[Magnetics] heeft als prod. 2 bij de inleidende dagvaarding een exemplaar overgelegd van door haar gehanteerde algemene voorwaarden (“GENERAL CONDITIONS OF SALE OF [Magnetics]”). Artikel 14 van deze algemene voorwaarden luidt als volgt:

14. APPLICABLE LAW/COMPETENT JUDGE

14.1

Dutch Law will be applicable on any disputes arising between [Magnetics]

and the other party.

14.2.

Disputes between [Magnetics] and the other party in respect of the

jurisdiction of the District Court, are to be adjudged by the competent judge in which place [Magnetics] has its registered office, unless [Magnetics] prefers the competent judge of the place of residence or established place of the other party.”

h) Tussen partijen is een geschil ontstaan met betrekking tot de levering van de in voornoemde stukken bedoelde magneten door [Magnetics] aan C & F c.s.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [Magnetics] in eerste aanleg, na haar eis bij akte van 10 april 2013 te hebben gewijzigd, hoofdelijke veroordeling van C & F c.s.:

 “ “tot nakoming van de overeenkomst en” betaling van een bedrag ad USD 9.642.800,00 te vermeerderen met de contractuele rente althans de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf de vervaldata van de facturen;

 “ tot betaling van USD 8.152,08 aan buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van C&F c.s. in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente en met waarmerking van het te wijzen vonnis met een EET-waarmerk.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [Magnetics], kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

C & F c.s. hebben bij [Magnetics] magneten besteld. [Magnetics] heeft een deel van de bestelde magneten geleverd. C & F c.s. hebben de daarvoor betaalde bedragen ten onrechte deels onbetaald gelaten. Daarnaast heeft [Magnetics] een aanzienlijke vordering op C & F c.s. ter zake door hen bestelde maar nog niet afgenomen magneten.

3.2.3.

C & F c.s. hebben bij incidentele conclusie tot onbevoegdheid geconcludeerd dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren om van het geschil kennis te nemen aangezien de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft.

3.2.4.

[Magnetics] heeft verweer gevoerd in het incident.

3.3.1.

In het beroepen vonnis van 14 augustus 2013 heeft de rechtbank, kort samengevat, als volgt geoordeeld:

 De vraag naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, moet worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo) omdat C & F c.s. zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie en ook overigens aan de vereisten voor toepassing van de EEX-Vo is voldaan (rov. 2.4).

 Volgens artikel 2 EEX-Vo moeten C & F c.s. in beginsel worden opgeroepen voor een gerecht in Ierland (rov. 2.5).

 Artikel 14.2 van de algemene voorwaarden van [Magnetics] schept geen rechtsmacht voor de Nederlandse rechter om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak (rov. 2.9 tot en met 2.11).

 ook de alternatieve bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Vo creëren in dit geval geen bevoegdheid voor de Nederlandse rechter (rov. 2.12).

3.3.2.

Op grond van deze oordelen heeft de rechtbank:

 zich onbevoegd verklaard om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen;

 bepaald dat de Ierse rechter bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen;

 [Magnetics] in de proceskosten van het incident en in de proceskosten van de hoofdzaak veroordeeld.

3.4.1.

[Magnetics] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [Magnetics] heeft geconcludeerd dat het hof het beroepen vonnis moet vernietigen en zich bevoegd moet verklaren om kennis te nemen van het geschil tussen [Magnetics] en C & F c.s.

3.4.2.

C & F c.s. hebben in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Zij hebben geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het beroepen vonnis.

Naar aanleiding van de grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep: is de Nederlandse rechter bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen op grond van artikel 14.2 van de algemene voorwaarden van [Magnetics]?

3.5.1.

Het hof zal de grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [Magnetics] dat de rechtbank zich op grond van artikel 14.2 van de algemene bepalingen van [Magnetics] bevoegd had moeten verklaren om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.5.2.

Hof stelt voorop dat C & F c.s. hebben betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de gestelde overeenkomsten waar [Magnetics] haar vordering op baseert. Het hof zal de vraag of de algemene voorwaarden van [Magnetics] van toepassing zijn, evenals de rechtbank, in het midden laten. Het hof zal in het navolgende uitgaan van de veronderstelling dat de algemene voorwaarden van [Magnetics] van toepassing zijn.

3.5.3.

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, moet worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, zoals die verordening luidde ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in eerste aanleg (20 november 2012). Het hof zal hierna uitgaan van de tekst van de EEX-vo zoals die op 20 november 2012 gold.

3.5.4.

Volgens de in artikel 2 van de EEX-Vo neergelegde hoofdregel is in beginsel de rechter te Ierland, zijnde het land waar C & F c.s. als gedaagden in de onderhavige procedure gevestigd zijn, bevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Door de grieven 1 tot en met 4 wordt de vraag aan de orde gesteld of artikel 14.2 van de algemene voorwaarden een geldige forumkeuze bevat op grond waarvan, in afwijking van de zojuist genoemde hoofdregel, de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

3.5.5.

Volgens artikel 23 van de EEX-Vo is het mogelijk dat partijen door middel van een forumkeuze een andere bevoegde rechter aanwijzen dan de volgens artikel 2 van de EEX-Vo bevoegde rechter. Artikel 23 lid 1 van de EEX-Vo luidde ten tijde in geding als volgt:

“Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegestaan door de handelswijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

3.5.6.

Bij de toepassing van deze bepaling is van belang dat een forumkeuzebeding een ingrijpend beding is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU (en van het voormalige Hof van Justitie van de EG) moet daarom onderzocht worden of over de forumkeuze tussen partijen een wilsovereenstemming heeft bestaan die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt.

3.5.7.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat in het tussen partijen ter discussie bestaande forumkeuzebeding, zoals neergelegd in artikel 14.2 van de algemene voorwaarden van [Magnetics], in het geheel niet duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt dat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om te beslissen over inhoudelijke geschillen die tussen partijen zijn gerezen in verband met de door [Magnetics] gestelde overeenkomsten. Volgens de tekst van dat beding wordt de rechter van de vestigingsplaats van [Magnetics] (de rechtbank Oost-Brabant) immers alleen aangewezen als bevoegde rechter voor geschillen tussen [Magnetics] en haar wederpartij “in respect of” (hof: “met betrekking tot” of “ten aanzien van”) de bevoegdheid van de rechter. Het beding regelt dus welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de jurisdictie. Het beding bewerkstelligt daarom wel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige bevoegdheidsincident, maar niet dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak. [Magnetics] heeft voorts niet gesteld dat over artikel 14.2 tussen partijen is onderhandeld en dat in het kader van die onderhandelingen tussen partijen is overeengekomen dat de door haar bepleite – van de bewoordingen van artikel 14.2 afwijkende – uitleg van dat artikel tussen partijen zou gelden. Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 23 lid 1 sub a van de EEX-Vo bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in de hoofdzaak.

3.5.8.

Ook op artikel 23 lid 1 sub b en c van de EEX-Vo kan die bevoegdheid niet worden gebaseerd. Die artikelonderdelen hebben betrekking op eventuele tussen partijen bestaande gebruiken en in de internationale handel in acht genomen gewoonten ter zake de wijze waarop partijen geacht kunnen worden forumkeuzebedingen overeen te komen. De artikelonderdelen hebben geen betrekking op de vraag welke inhoud van forumkeuzebedingen gebruikelijk is. De artikelonderdelen laten dus onverlet dat het onderhavige in artikel 14.2 van de algemene voorwaarden van [Magnetics] neergelegde forumkeuzebeding de rechter van de vestigingsplaats van [Magnetics] alleen aanwijst als bevoegde rechter ter zake jurisdictiegeschillen en niet ter zake het geschil in de hoofdzaak. Voor zover het beding daarmee afwijkt van hetgeen gebruikelijk is, moet dat voor rekening van [Magnetics] als gebruiker van de algemene voorwaarden worden gelaten. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat het niet mogelijk is het forumkeuzebeding door uitleg zodanig op te rekken dat het geacht zou moeten worden om – in strijd met de bewoordingen van het beding – ook betrekking te hebben op de bevoegdheid om van inhoudelijke geschillen tussen partijen kennis te nemen. Op het voorgaande stuiten de grieven 1 tot en met 4 af. Hetgeen [Magnetics] in de toelichting op die grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt tevens mee dat de andere verweren die C & F c.s. ten aanzien van het beroep op artikel 14.2 hebben gevoerd, niet behandeld hoeven te worden.

Naar aanleiding van grief 5 in principaal hoger beroep

3.6.1.

Met haar vijfde grief komt [Magnetics] op tegen het oordeel van de rechtbank dat ook de alternatieve bevoegdheidsbepalingen van de EEX-Vo in dit geval geen bevoegdheid creëren voor de Nederlandse rechter. In de toelichting op deze grief betoogt [Magnetics] dat tussen haar en C & F c.s. is overeengekomen dat betaling van de facturen van [Magnetics] in Nederland moet plaatsvinden, namelijk op de Nederlandse bankrekening van [Magnetics]. Volgens [Magnetics] brengt dit mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 sub 1a van de EEX-Vo bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil.

3.6.2.

Artikel 5 van de EEX-Vo bepaalt voor zover in dit hoger beroep van belang het volgende:

“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

  1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

  2. voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

(…);

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;”

3.6.3.

Uit deze bepaling volgt dat bij overeenkomsten ter zake de koop en verkoop van roerende zaken, de rechter ter plaatse van de feitelijke levering is bevoegd om kennis te nemen van alle geschillen die voortvloeien uit die overeenkomsten, dus óók ten aanzien van de betaling, tenzij partijen daarover uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Er geldt dus in beginsel een concentratie van geschillen uit hoofde van de betreffende overeenkomst bij één rechter, en wel de rechter ter plaatse van de feitelijke levering van de gekochte zaken. In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat de levering van de magneten aan C & F c.s. in Ierland moest plaatsvinden. Volgens de in artikel 5 EEX-Vo neergelegde hoofdregel zou de Nederlandse rechter dus niet bevoegd zijn om van de onderhavige vordering van [Magnetics] kennis te nemen.

3.6.4.

Het staat partijen echter zoals gezegd vrij om bijvoorbeeld uitdrukkelijk een plaats van betaling overeen te komen. In dat geval vindt niet langer concentratie van alle geschillen uit de overeenkomst plaats bij één rechter, maar kan de partij die betaling van de koopsom vordert, dat geding aanhangig maken bij de rechter van de plaats waar de verbintenis tot betaling van de koopsom volgens de overeenkomst moet worden uitgevoerd.

3.6.5.

[Magnetics] heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat zij met C & F c.s. is overeengekomen dat betaling van de facturen van [Magnetics] in Nederland moet plaatsvinden, aangevoerd dat zij in haar e-mail van 11 juli 2011 aan C & F c.s. onder meer het volgende heeft opgenomen: “Payment terms: as indicated in the attached directive”.

Aan het begin van de betreffende directive staat het volgende:

“The market for rare earth materials in China has reached a critical situation. The main issue is the availability of the materials which results in an enormous increase.

We are very sorry to inform you that due to these serious developments, we are forced to implement more strict rules for deliveries and payments, starting June 16th, 2011. This means that: (…)”

Daarop volgen in de directive voor verschillende situaties verschillende betaaltermijnen waarbinnen de betreffende bedragen moeten zijn ontvangen op de bankrekening van [Magnetics]. Daarop volgt de volgende zin:

“At this time the rare earth materials market dictates these rules to guarantee the offered pricing, the availability and shipment schedules as much as possible.

C & F c.s. hebben betwist dat op grond van deze e-mail en directive geconcludeerd moet worden dat partijen in de zin van artikel 5 EEX-Vo zijn overeengekomen dat betaling van de facturen van [Magnetics] in Nederland moest plaatsvinden. Het hof honoreert dat verweer. De strekking van de directive is dat vanwege de situatie op de markt voor zeldzame aardmetalen, een aantal betalingstermijnen worden gesteld. Over de plaats waar de betaling moet plaatsvinden bevat de directive geen informatie, anders dan de voor de hand liggende mededeling dat de betaling “on the bank account of [Magnetics]” moet plaatsvinden. Verdere informatie over die bankrekening (of bankrekeningen), en met name ook over de plaats waar de betreffende bank kantoor houdt, ontbreekt zowel in de directive als in de e-mail. Voor zover al moet worden geoordeeld dat de partijen op basis van de e-mail van 11 juli 2011 tot de gestelde overeenkomsten zijn gekomen, hetgeen door C & F c.s. is betwist, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat partijen daarmee een van artikel 5 sub 1b van de EEX-Vo afwijkende afspraak hebben gemaakt die tot gevolg heeft dat de Nederlandse rechter bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de door [Magnetics] gestelde vorderingen tot betaling.

3.6.6.

Het door [Magnetics] gewenste rechtsgevolg kan ook niet worden verbonden aan het feit dat C & F c.s. in hun e-mail van 4 oktober 2011 aan [Magnetics] onder meer hebben geschreven: “Payment terms: as stated on each Purchade order number.” en dat [Magnetics] op haar orderbevestigingen heeft opgenomen “PAYMENT AS AGREED”. Op de Purchase Orders van C & F c.s., die zich onder meer bij prod. 1 bij de inleidende dagvaarding bevinden, staan als betalingsvoorwaarden immers alleen termijnen (“50% on arrival at C&F, 50% -30 DAYS”) en geen informatie over de bankrekening waarop de betaling moet plaatsvinden.

3.6.7.

[Magnetics] heeft tot slot aangevoerd dat op haar facturen haar Nederlandse bankrekening staat vermeld en dat C & F c.s. een aantal betalingen op die bankrekening hebben voldaan. Ook uit die omstandigheid is echter niet af te leiden dat partijen zijn overeengekomen dat in Nederland moest worden betaald. Een eenzijdige mededeling door [Magnetics] via haar facturen dat op haar Nederlandse bankrekening betaald moest worden is nu eenmaal iets anders dan een partij-afspraak over de plaats van betaling zoals bedoeld in artikel 5 sub 1b EEX-Vo ( “tenzij anders is overeengekomen”) die ertoe strekt dat bij de bepaling van de bevoegdheid van de rechter moet worden teruggevallen op artikel 5 sub 1a EEX-Vo (zie in dezelfde zin hof ’s-Gravenhage 29 september 2006, NIPR 2006, 307).

3.6.8.

Grief 5 moet om bovenstaande redenen worden verworpen.

Naar aanleiding van grief 6 in principaal hoger beroep

3.7.1.

Grief 6 is gericht tegen de veroordeling van [Magnetics] in de kosten van het geding in eerste aanleg in het incident (salaris advocaat) en in de hoofdzaak (vast recht).

3.7.2.

Het hof verwerpt deze grief. Omdat de rechtbank zich op goede gronden onbevoegd heeft verklaard om van het geding in de hoofdzaak kennis te nemen, heeft de rechtbank [Magnetics] terecht in de genoemde proceskosten veroordeeld.

Naar aanleiding van de grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.8.1.

C & F c.s. hebben in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd tegen het beroepen vonnis. Deze grief is aangevoerd onder de voorwaarde dat (1) het hof van mening zou zijn dat de rechtbank in het vonnis de Haviltex-maatstaf heeft toegepast, én (2) de devolutieve werking van het hoger beroep niet met zich brengt dat de in principaal hoger beroep gevoerde verweren tegen een dergelijke uitleg van het vonnis kunnen worden meegenomen. Aan deze cumulatieve voorwaarden is niet voldaan, zodat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet behandeld hoeft te worden.

3.8.2.

Het hof zal een kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep achterwege laten. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep hadden C & F c.s. de betreffende verweren niet in de vorm van een incidenteel hoger beroep onder de aandacht van het hof hoeven te brengen.

Conclusie in principaal hoger beroep

3.9.

Omdat de grieven in principaal hoger beroep geen doel hebben getroffen, zal het hof het beroepen vonnis bekrachtigen. Het hof zal [Magnetics] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal deze kostenveroordeling, zoals door C & F c.s. gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant onder zaaknummer C/01/257393 en rolnummer HA ZA 13-30 tussen partijen gewezen vonnis van 14 augustus 2013;

veroordeelt [Magnetics] in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van C & F c.s. tot op heden begroot op € 4.961,00 aan vast recht en op € 4.580,00 aan salaris advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geen behandeling behoeft.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraadsheer