Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
28-05-2015
Zaaknummer
HD 200.113.910_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

contractuele verrekening werkt ook tegen latere beslagleggers, ook al is aan de wettelijke verrekeningseisen niet voldaan. Art. 6:130 lid 2 BW niet van toepassing bij contractuele verrekening

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ÆGERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.113.910/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

[Wagenparkbeheer] Wagenparkbeheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [Wagenparkbeheer] ,

advocaat: mr. J. Bisschop te Zwolle,

tegen

[Cargo Care] Cargo Care B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [Cargo Care] ,

advocaat: mr. J.P. Bakkers te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 september 2012 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Roermond van 25 juli 2012, gewezen tussen [Wagenparkbeheer] als eiseres en [Cargo Care] Cargo als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 110270/HA ZA 11-482)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep chronologisch weergegeven (nog) om het volgende.

a. a) Bij een Vervoerdersovereenkomst van 15 januari 2008 zijn als contractspartijen betrokken [Cargo Care] als opdrachtgever en Euro Cargo Trucking B.V. (hierna: Euro Cargo) als vervoerder (prod. 1 cva). In Bijlage II van deze overeenkomst (Tarieven en betalingen) is onder II.3 als volgt bepaald:

“ [Cargo Care] [ [Cargo Care] , hof] en/of aan haar gelieerde bedrijven zijn te allen tijde gerechtigd alle vorderingen die zij hebben of op de Vervoerder [Euro Cargo, hof] zullen krijgen, ongeacht de wijze van verkrijging, te verrekenen met al hetgeen [Cargo Care] en/of aan haar gelieerde bedrijven aan de Vervoerder verschuldigd zijn.

In het bijzonder zijn daar ook onder begrepen die vorderingen van derden op de Vervoerder voor de betaling waarvan [Cargo Care] en/of aan haar gelieerde bedrijven zich jegens deze derden garant of borg hebben gesteld.“

b) Bij een Verrekeningsovereenkomst van 20 november 2009 zijn als contractspartijen betrokken enerzijds H.E. Finance B.V. (hierna: HEF), H.E. Investments B.V. (HEI) en “alle aan haar gelieerde vennootschappen”, BPS Holdings B.V. (BPS) en “alle aan haar gelieerde vennootschappen”, en anderzijds de vennootschappen die in de overeenkomst met “Huurder/Opdrachtnemer” worden aangeduid: Special Truck Trade B.V. (Special Truck) en “alle aan haar gelieerde vennootschappen” en Euro Cargo en “alle aan haar gelieerde vennootschappen” (prod. 2 cva).

In de considerans van die overeenkomst is vermeld:

“1. HEF verhuurt voertuigen en/of opleggers aan Huurder/Opdrachtnemer, die deze voertuigen en/of opleggers onder andere gebruikt in het kader van de uitvoering van opdrachten verkregen van HEI en/of BPS.

2. Tot meerdere zekerheid van de betaling van de huurpenningen willen partijen hierbij vastleggen dat HEI en/of BPS de bedragen die zij aan Huurder/Opdrachtnemer verschuldigd is/zijn of zal/zullen raken rechtstreeks aan HEF zal/zullen betalen, ter kwijting van de door Huurder/Opdrachtnemer aan HEF nu en/of in de toekomst verschuldigde bedragen, onder de in deze overeenkomst neergelegde voorwaarden.”

Artikel 1 van die overeenkomst luidt:

“Partijen komen overeen dat HEI en/of BPS gerechtigd is/zijn en op eerste verzoek van HEF gehouden is/zijn om enig bedrag dat zij aan Huurder/Opdrachtnemer verschuldigd is/zijn of zal/zullen worden namens Huurder/Opdrachtnemer aan HEF te betalen, ter voldoening van door Huurder/Opdrachtnemer aan HEF verschuldigde bedragen.”

Artikel 2 luidt:
“Door betaling van HEI en/of BPS aan HEF zal de schuld van HEI en/of BPS aan Huurder/Opdrachtnemer met het bedrag van de betaling zijn gekweten.

Artikel 4 van die overeenkomst luidt:

“Onder gelieerde ondernemingen wordt verstaan elke rechtspersoon waarin Huurder/Opdrachtnemer, HEI of BPS een meerderheid- danwel minderheidsbelang heeft.”

c) Tussen HEF (als verhuurster) en Special Truck (als huurster) zijn vervolgens op 25 november 2009 huurovereenkomsten met betrekking tot vrachtwagens gesloten (zie onder meer prod. 4 cva). De overgelegde huurovereenkomst vermeldt in art. 4.3.:

De huurprijs wordt maandelijks verrekend met de tegoeden van de huurder bij een van de gelieerde bedrijven van BPS Holding en/of HEI. Hiertoe is/wordt een separate overeenkomst gesloten (..).”

d) Uit een overzicht d.d. 21 juli 2011 (prod. 3 cva) met als opschrift “Concernrelaties”, dat als bron heeft “Concernrelaties Internet (uit het handelsregister van de kamers van koophandel)” blijkt voor zover thans van belang het volgende:

HEI is: - bestuurder van HEF en BPS

- enig aandeelhouder van [Holdings] Holdings BV

[Holdings] Holdings BV is: - enig aandeelhouder van [Cargo Care International] Cargo Care International BV

- enig aandeelhouder van HEF

- enig aandeelhouder van BPS

[Cargo Care International] Cargo Care International BV is

- bestuurder en enig aandeelhouder van [Cargo Care]

e) Op 16 augustus 2010 is een mantelovereenkomst gesloten tussen [Wagenparkbeheer] en Euro Cargo met betrekking tot de lease van (onder meer) bedrijfswagens door Euro Cargo van [Wagenparkbeheer] (zie prod. 1 bij prod. 1 bij inl. dagv.).

f) Ter verhaal van haar ter zake openstaande vordering heeft [Wagenparkbeheer] op 31 maart 2011, na daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter tot een bedrag van € 350.000,--, onder (onder meer) [Cargo Care] conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Euro Cargo.

Bij (verstek)vonnis van 26 april 2011 van de rechtbank Almelo, sector kanton, was Euro Cargo veroordeeld tot betaling aan [Wagenparkbeheer] van € 285.362,62, vermeerderd met contractuele rente en van € 1.886,20 aan proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente (prod. 4 inl. dagv.). Dit vonnis is op 16 mei 2011 aan [Cargo Care] betekend, met aanzegging tot afdracht (prod. 5 inl. dagv.)

g) [Cargo Care] heeft op 28 april 2011 verklaring gedaan als bedoeld in art. 476a Rv (prod. 6 inl. dagv.). In die verklaring is - onder meer - vermeld dat [Cargo Care] nog een bedrag van € 167.483,36 aan Euro Cargo is verschuldigd, en is de volgende toevoeging opgenomen:

“In verband met de van toepassing zijnde verrekeningsovereenkomst alsook de vervoersovereenkomst (Bijlage 1 en 2) dienen nog een aantal bedragen te worden verrekend met tegoeden aan schuldenaar. Het hier bedoelde bedrag bedraagt thans € 12.782,--. Eventuele claims/schades/boetes volgen nog.

Bijlagen: 1) Verrekeningsovereenkomst 2) Vervoersovereenkomst 3) Facturen (volgt separaat)”.

Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat het in de verklaring genoemde bedrag van

€ 12.782,00 door [Cargo Care] mag worden verrekend met het genoemde bedrag van € 167.483,36, zodat [Cargo Care] op het moment waarop zij de verklaring aflegde nog € 154.701,36 aan Euro Cargo verschuldigd was.

h) Special Truck is op 7 juni 2011 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is opgeheven per 5 september 2012 (prod. 6 mva).

i. i) In een brief van 24 juni 2011 aan de deurwaarder heeft [Cargo Care] een overzicht gegeven van de bedragen die “uit hoofde van bestaande overeenkomsten nog zijn verrekend met de openstaande bedragen ten opzichte van Euro Cargo Trucking BV”. (prod. 8 inl. dagv.) Zij schrijft verder:

Onderstaand treft u een resumé aan van hetgeen is gebeurd na afgifte van onze verklaring d.d. 28-04-2011

A. Betalingsregeling belastingdienst € 5.000,-

B. Verrekening door H.E. Finance BV van € 21.601,20

C. Betaling beslag belastingdienst € 52.499,-

D. Verrekening leasepenningen, inleverschades,

boetes etc. € 100.972,42

€ 2.218,41.”

Het totale bedrag dat [Cargo Care] in mindering heeft gebracht is volgens deze opgave € 182.291,03. Op grond daarvan geeft [Cargo Care] aan dat door haar geen verdere uitkering van bedragen aan [Wagenparkbeheer] uit hoofde van het derdenbeslag zal plaatsvinden. Bij deze brief zijn ten aanzien van de onder B en D gemelde bedragen ter nadere verklaring daarvan bijlagen gevoegd.

[Wagenparkbeheer] heeft als productie 14 bij inleidende dagvaarding een overzicht overgelegd van alle verrekeningen, zoals blijkt uit de door [Cargo Care] aan de deurwaarder gezonden bijlagen. Dit door [Wagenparkbeheer] opgestelde overzicht is door [Cargo Care] niet betwist.

j) Uit een als prod. 7 bij mva overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat Euro Cargo per 18 april 2013 is ontbonden.

3.2.1.

[Wagenparkbeheer] heeft [Cargo Care] in rechte betrokken en betaling gevorderd van € 154.701,36, althans € 131.530,88, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag met wettelijke rente en (proces)kosten. Als verweer heeft [Cargo Care] zich op verrekening op grond van de overeenkomsten van 20 november 2009 (de verrekeningsovereenkomst) en 15 januari 2008 (de vervoerdersovereenkomst) beroepen.

3.2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat gelet op de inhoud van de verrekeningsovereenkomst de verrekende vorderingen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding (als bedoeld in art. 6:130 lid 1 BW), zodat [Cargo Care] in weerwil van het beslag bevoegd was tot verrekening over te gaan (r.o. 4.6). [Cargo Care] heeft de stelling van [Wagenparkbeheer] dat de verrekende vorderingen onvoldoende duidelijk zijn, genoegzaam betwist (r.o. 4.7). De vorderingen van [Wagenparkbeheer] werden afgewezen met veroordeling van [Wagenparkbeheer] in de proceskosten.

3.3.1.

Met grief I richt [Wagenparkbeheer] zich tegen r.o. 4.6. van het beroepen vonnis. Zij betwist dat [Cargo Care] in weerwil van het door [Wagenparkbeheer] gelegde conservatoire derdenbeslag gerechtigd was tot verrekening van haar ( [Cargo Care] ’) schuld aan Euro Cargo met een vordering van HEF op Special Truck. Grief II is gericht tegen r.o. 4.7., waarin de rechtbank oordeelde dat [Wagenparkbeheer] haar stelling dat de vorderingen van [Cargo Care] onvoldoende duidelijk zijn, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

3.3.2.

[Wagenparkbeheer] stelt dat HEF, HEI en BPS niet vallen onder het begrip “aan haar gelieerde vennootschappen” (c.q. bedrijven), zoals vermeld in de verrekeningsovereenkomst en art. II-3 van bijlage II van de vervoerdersovereenkomst. [Wagenparkbeheer] betwist verder de stellingen van [Cargo Care] dat zij partij is bij de verrekeningsovereenkomst omdat zij een achterkleindochter is van HEI. Als achterkleindochter van HEI heeft [Cargo Care] geen zeggenschap over/in HEI (noch andersom), en evenmin over/in HEF of BPS. De facturen ter zake waarvan [Cargo Care] zich op verrekening beroept staan ook niet op naam van HEI, maar uitsluitend van HEF en [Cargo Care] . HEF heeft de verrekeningsovereenkomst alleen voor zichzelf gesloten en niet mede ten behoeve van “alle aan haar gelieerde vennootschappen” aldus nog steeds [Wagenparkbeheer] .

3.3.3.

[Cargo Care] voert hiertegen allereerst aan dat [Wagenparkbeheer] de rechtsgeldigheid van de verrekeningsovereenkomst op zichzelf niet heeft betwist. De verrekende vorderingen vloeiden voort uit de vervoerdersovereenkomst tussen [Cargo Care] en Euro Cargo en de verrekeningsbevoegdheid vloeit voort uit de verrekeningsovereenkomst. Met de aanduiding “gelieerde vennootschappen” wordt gedoeld op vennootschappen waarvan één of meer aandelen, direct of indirect in handen zijn van dezelfde rechtspersoon, aldus [Cargo Care] , zodat [Cargo Care] aldus is gelieerd aan HEF en BPS. Dat de partijen bij de verrekeningsovereenkomst dit zo bedoelden blijkt ook duidelijk uit de reden voor het sluiten van die overeenkomst, te weten dat HEF zekerheid wilde hebben voor de betaling van haar facturen uit hoofde van verhuur van rollend materieel van HEF aan Special Truck (zoals [Cargo Care] onbetwist heeft gesteld). Euro Cargo gebruikte dat rollend materieel ten behoeve van [Cargo Care] . De daaruit voortvloeiende vorderingen van Euro Cargo op [Cargo Care] verschaften aan HEF de gewenste zekerheid. [Cargo Care] betaalde – via een rekening-courantverhouding - ook rechtstreeks aan HEF.

3.4.1.

Zoals [Cargo Care] heeft gesteld heeft [Wagenparkbeheer] de rechtsgeldigheid van de verrekeningsovereenkomst niet betwist. Evenmin heeft zij de rechtsgeldigheid van de vervoerdersovereenkomst betwist, zodat daarvan moet worden uitgegaan.

Niet in geschil is, dat [Cargo Care] partij is bij de vervoerdersovereenkomst. Uit deze overeenkomst vloeit voort dat [Cargo Care] voor facturen van haarzelf een contractuele verrekeningsbevoegdheid heeft.

De te beantwoorden vraag is, of [Cargo Care] ook partij is bij de verrekeningsovereenkomst en of zij uit dien hoofde een contractuele bevoegdheid heeft gekregen tot verrekening.

3.4.2.

Het gaat derhalve om de uitleg van het begrip “gelieerde vennootschappen” in de verrekeningsovereenkomst. Volgens [Wagenparkbeheer] is onduidelijk wat daarmee wordt bedoeld.

Bij de interpretatie van dit begrip geldt dat beslissend is de zin die de daarbij betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de daarin opgenomen bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. De betrokken partijen hebben in de overeenkomst zelf deze bedoeling nader omschreven, door in artikel 4 een definitie op te nemen van het begrip “gelieerde ondernemingen”, te weten: “elke rechtspersoon waarin Special Truck en Euro Cargo, HEI of BPS een meerderheids- dan wel minderheidsbelang hebben”. Met “ondernemingen” in artikel 4 hadden partijen, zo stelt [Cargo Care] onbetwist, eveneens het oog op “vennootschappen” (vgl. mvg nr. 2.6.). Door [Cargo Care] is daarnaast gewezen op de vervoerdersovereenkomst, waarin hetzelfde begrippenapparaat is gehanteerd, op de achtergrond van de verrekeningsovereenkomst (die gelegen is in het huren door Special Truck van HEI van materieel dat (onder andere) in het kader van de door [Cargo Care] verstrekte opdrachten zou worden ingezet) en op de concernrelaties tussen de bij de verrekeningsovereenkomst betrokken partijen.

[Wagenparkbeheer] heeft de uitleg van [Cargo Care] wel betwist, maar heeft niet gewezen op andere mogelijke wijzen waarop het begrip gelieerde vennootschappen zou kunnen worden uitgelegd, noch heeft zij in dit kader andere relevante omstandigheden gesteld.

3.4.3.

Het hof is van oordeel dat de partijen bij de verrekeningsovereenkomst uitdrukkelijk hebben bedoeld dat alle “aan hen gelieerde” vennootschappen eveneens daarbij partij zouden zijn, zo blijkt uit de omschrijving van de ondergetekenden bij die overeenkomst. Uit de definitie van gelieerde ondernemingen in artikel 4 van de verrekeningsovereenkomst en de daaruit blijkende partijbedoeling, de vaststelling dat [Cargo Care] verbonden (gelieerd) is aan HEI, de in r.o. 3.1. onder e genoemde concernrelaties en de niet door [Wagenparkbeheer] weersproken stelling aangaande de achtergrond van de verrekeningsovereenkomst, die gelegen is de gewenste zekerheid voor de door Special Truck verschuldigde huurpenningen, concludeert het hof dat [Cargo Care] heeft te gelden als een aan HEI (en HEF en BPS) gelieerde vennootschap in de zin van artikel 1 van de verrekeningsovereenkomst. [Cargo Care] is derhalve zelf eveneens partij bij die overeenkomst en haar vorderingen kunnen, als in die overeenkomst vermeld, in een verrekening met de andere partijen aan die overeenkomst worden betrokken.

3.5.1.

[Wagenparkbeheer] heeft op 31 maart 2011 conservatoir (derden)beslag gelegd onder [Cargo Care] op “alle gelden en geldswaarden die [Cargo Care] verschuldigd mocht zijn en/of worden” aan Euro Cargo, “of onder haar berusting mocht hebben en/of verkrijgen” ten behoeve van Euro Cargo. [Cargo Care] heeft vervolgens verklaard dat er tussen haar en Euro Cargo een rechtsverhouding heeft bestaan uit “enige andere overeenkomst of anderszins” op grond waarvan Euro Cargo nog iets van [Cargo Care] te vorderen had of zou krijgen en wat zij op dat moment aan Euro Cargo verschuldigd was. In de verklaring die [Cargo Care] heeft afgelegd heeft zij vervolgens duidelijk gemaakt dat op grond van genoemde overeenkomsten nog verrekeningen zouden moeten plaatsvinden, naast het op dat moment (“thans”) reeds bekende te verrekenen bedrag van € 12.782,00 (vgl r.o. 3.1. onder g). Deze verrekeningen komen hierna in r.o. 3.6.1. e.v. aan de orde.

3.5.2.

Voorts is door [Cargo Care] aangegeven dat er door de Belastingdienst reeds (conservatoir) beslag was gelegd onder [Cargo Care] ten laste van Euro Cargo. De betalingen aan de Belastingdienst komen hierna in r.o. 3.7.1. e.v. aan de orde.

3.5.3.

Uit de overgelegde stukken en de stellingen van [Cargo Care] is het hof gebleken dat er geen sprake is van een “rechtstreekse” verrekening tussen een schuld van [Cargo Care] aan Euro Cargo en een vordering van HEF op Special Truck: in de verrekeningsovereenkomst zijn geen bepalingen opgenomen waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat die vorderingen als het ware tegen elkaar kunnen worden weggestreept. Niettemin blijkt uit die overeenkomst dat er een bevoegdheid tot verrekening is ontstaan doordat [Cargo Care] in naam van Special Truck de vorderingen van HEF heeft voldaan. Daardoor heeft [Cargo Care] een vordering gekregen op Special Truck, die zij volgens de overeenkomst mag verrekenen met haar schuld aan Euro Cargo. Het hof zal in het navolgende evenwel de door partijen rondom de verrekening gehanteerde terminologie gebruiken.

3.5.4.

De overeengekomen bevoegdheid tot verrekening door middel van de verrekeningsovereenkomst en de vervoerdersovereenkomst is tot stand gekomen voorafgaand aan de beslaglegging door [Wagenparkbeheer] . Dit brengt mee dat [Wagenparkbeheer] die bevoegdheid tegen zich moet laten gelden, ook al is aan de wettelijke eisen voor verrekening niet voldaan. (HR 10 maart 1995, NJ 1996, 299). Anders dan de rechtbank en [Wagenparkbeheer] kennelijk als uitgangspunt hebben genomen, is het bepaalde in art. 6:130 lid 2 BW niet van toepassing in geval van een contractueel overeengekomen verrekeningsbevoegdheid. De stellingen die daarvan uitgaan, behoeven verder geen bespreking. Een dergelijke contractueel gecreëerde verrekeningsbevoegdheid zal een beslaglegger als [Wagenparkbeheer] tegen zich moeten laten gelden, ook al zou er niet voldaan zijn aan de wettelijke vereisten voor verrekening en aan het bepaalde in art. 6:130 lid 2 jo lid 1 BW.

3.6.1.

Blijkens de aanvullende verklaring – de brief van 24 juni 2011 - is door [Cargo Care] verrekend:

A) een vordering van HEF op Special Truck van in totaal € 21.601,20, ter zake vorderingen die als bijlage 1 tot en met 24 zijn opgenomen bij bijlage A bij genoemde brief. Het betreffen hier vorderingen ter zake:

  • -

    Huur vrachtwagens van HEF aan Special Truck (factuurnummers [factuurnummer 1] (voor de helft), [factuurnummer 2] , [factuurnummer 3] , [factuurnummer 4] , [factuurnummer 5] , [factuurnummer 6] , [factuurnummer 7] , [factuurnummer 8] , [factuurnummer 9] , [factuurnummer 10] , [factuurnummer 11] , [factuurnummer 12] , [factuurnummer 13] , [factuurnummer 14-factuurnummer 15] (credit)) tot een totaalbedrag van € 13.391,23.

  • -

    Verkeersboetes van verhuurde vrachtwagens, gefactureerd door HEF aan Special Truck (factuurnummers [factuurnummer 16] , [factuurnummer 17] , [factuurnummer 18] ) tot een totaalbedrag van € 95,00.

  • -

    Reparatiekosten, afsleepkosten, eigen risico en inleverschades van verhuurde vrachtwagens, gefactureerd door HEF aan Special Truck (factuurnummers [factuurnummer 19] , [factuurnummer 20] , [factuurnummer 21] , [factuurnummer 22] ) in de periode 3 februari 2011-16 mei 2011 tot een totaalbedrag van € 8.114,97.

B) een vordering van HEF op Special Truck van in totaal € 100.972,42 ter zake vorderingen die als ongenummerde bijlagen zijn opgenomen bij bijlage B bij genoemde brief. Het betreffen hier vorderingen ter zake inleverschades en manco’s. Het gaat om de facturen [factuurnummer 23] , [factuurnummer 24] , [factuurnummer 25] , [factuurnummer 26] , [factuurnummer 27] , [factuurnummer 28] , [factuurnummer 29] , [factuurnummer 30] , [factuurnummer 31] , [factuurnummer 32] , [factuurnummer 33] , [factuurnummer 34] , [factuurnummer 35] , [factuurnummer 32] uit de periode 20 april 2011- 13 mei 2011.

C) een vordering van [Cargo Care] op Euro Cargo van in totaal € 2.218,41 ter zake vorderingen die als ongenummerde bijlagen zijn opgenomen bij bijlage C bij genoemde brief. Het betreffen hier vorderingen ter zake onderdelen, reparatiekosten, boetes. Het gaat om de facturen [factuur 36] , [factuur 37] , [factuur 38] , [factuur 39] , [factuur 40] in de periode 22 februari 2011-18 april 2011.

3.6.2.

De (vervoerders- en de verrekenings) overeenkomsten bepalen dat al hetgeen HEF, HEI, BPS en dus ook [Cargo Care] verschuldigd zijn aan (onder meer) Euro Cargo rechtstreeks aan HEF mogen betalen, ter voldoening van door Special Truck en/of Euro Cargo aan HEF verschuldigde bedragen. Door [Cargo Care] is – in zoverre onbetwist door [Wagenparkbeheer] – gesteld dat een belangrijke bedoeling van deze overeenkomsten was dat verhuurster HEF niet zou worden benadeeld, doordat niet Euro Cargo, maar haar zusterbedrijf Special Truck daadwerkelijk met het van HEF gehuurde materieel ging rijden.

In deze overeenkomsten is niet bepaald dat de verrekening alleen geldt voor aan HEF verschuldigde huurpenningen. De considerans van de verrekeningsovereenkomst bepaalt inderdaad, zoals [Wagenparkbeheer] opmerkt, dat de overeenkomst gesloten wordt “tot meerdere zekerheid van de betaling van de huurpenningen”. Nu echter de tekst van de verrekeningsovereenkomst zelf in dit opzicht eenduidig is, prevaleert zij naar het oordeel van het hof boven de considerans, mede gezien de bedoelingen van de betrokken partijen bij het sluiten van de verrekeningsovereenkomst. Dat betekent dat in ieder geval alle vorderingen onder A in verrekening kunnen worden gebracht.

3.6.3.

De vorderingen onder C betreffen vorderingen van [Cargo Care] zelf op Euro Cargo die eveneens verrekend kunnen worden door [Cargo Care] .

3.6.4.

De vorderingen onder B zijn voortgekomen uit de huur door Special Truck van HEF van vrachtwagens of opleggers die Special Truck gebruikte ter uitvoering van het vervoer dat [Cargo Care] aan Euro Cargo had opgedragen. Het betreffen vorderingen voor inleverschades en manco’s waarvoor Special Truck volgens [Cargo Care] contractueel aansprakelijk was jegens HEF. [Cargo Care] wijst verder op de brief van HEF van 19 mei 2011 aan Special Truck, waarin HEF schrijft dat Special Truck op grond van de betreffende (huur)overeenkomsten tot 20 juni 2011 aan kon geven dat en waarom zij niet akkoord was met de betreffende facturen (prod. 5 cva). Zij stelt - onbetwist - dat Special Truck niet op deze brief heeft gereageerd. Hierdoor zijn genoemde bedragen komen vast te staan, aldus [Cargo Care] . [Wagenparkbeheer] heeft hiertegen aangevoerd dat de schades waren verzekerd en zij dus bij de verzekeraar hadden kunnen worden geclaimd, waardoor zij niet ten laste van [Wagenparkbeheer] gebracht hadden hoeven worden. Verder stelt [Wagenparkbeheer] dat het onaannemelijk is dat de schades zouden zijn hersteld, gezien de waarde van de betreffende opleggers, die ongeveer gelijk is aan de kosten van de gestelde reparaties.

[Wagenparkbeheer] heeft voorts in die zin betwist dat Special Truck contractueel aansprakelijk was voor de inleverschades en manco’s, dat zij stelt dat schades die zijn ontstaan doordat [Cargo Care] haar toezicht op het door haar (door-)verhuurde materieel heeft verzaakt, voor rekening van [Cargo Care] komen.

3.6.5.

Ten aanzien van de verzekering heeft [Wagenparkbeheer] gesteld: “het kan niet zo zijn”, dat het nalaten van [Cargo Care] om de schade aan het verhuurde materieel bij de verzekeraar te declareren, via de verrekeningsconstructie op haar kan worden afgewenteld. Daarbij heeft [Wagenparkbeheer] gewezen op de verplichting tot verzekering, zoals die uit art. 6.1 van de overgelegde huurovereenkomst voortvloeit (gesteld noch gebleken is dat deze huurovereenkomst afwijkt van de andere huurovereenkomsten, zodat het hof uitgaat van gelijkluidende bepalingen op dit punt). Dit artikel luidt: “Verhuurder [HEF, hof] draagt zorg voor WA en Cascoverzekering van het Gehuurde. Het eigen risico per schade is voor rekening en risico van huurder [Special Truck, hof] (..)”. .

3.6.6.

Gegeven deze bepaling in de huurovereenkomst tussen HEF en Special Truck heeft Special Truck er in beginsel van uit mogen gaan dat zij alleen maar zou kunnen worden aangesproken voor de door haarzelf veroorzaakte schade voor zover die niet door de WA en de casco-verzekering van haar verhuurder was gedekt (het eigen risico) en deze dus niet op haar zou worden afgewenteld. Daarvan uitgaande is het te billijken dat Special Truck niet gereageerd heeft op de brief van 19 mei 2011, en kan daaruit niet worden afgeleid dat zij bereid was tot vergoeding aan [Cargo Care] van alle gevorderde schades.

Voorshands lijkt de geciteerde bepaling uit de huurovereenkomst tussen HEF en Special Truck er inderdaad op te duiden dat Special Truck niet kon worden verplicht tot betaling van onder de verzekering van HEF vallende schades (met uitzondering van het eigen risico). Indien dat zo is, had HEF terzake geen vordering op Special Truck, en was er voor HEF/ [Cargo Care] in dit verband ook niets te verrekenen.

Daarnaast heeft te gelden dat het hof voorshands van oordeel is dat, in de verhouding tussen beslaglegger [Wagenparkbeheer] en derdebeslagene [Cargo Care] , [Cargo Care] er naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op kan doen dat HEF de schadevorderingen (met uitzondering van het eigen risico van Special Truck) niet bij haar verzekeraar zou hebben geclaimd indien zij wel recht op schadeuitkering zou hebben, omdat het niet aan zou gaan dit op [Wagenparkbeheer] af te wentelen via de gehanteerde verrekeningsconstructie.

Nu [Cargo Care] heeft gesteld dat de schade die zij in haar verrekening betrekt niet gedekt is onder de WA- en cascoverzekering, zal het hof [Cargo Care] toelaten om aan de hand van de concrete schadeposten en onder overlegging van polis en polisvoorwaarden van de toepasselijke verzekeringen op dit punt nadere informatie te verschaffen. Voorts zal zij dienen aan te geven hoe hoog het eigen risico onder de betreffende verzekering was..

3.7.1.

Bijgevoegd bij de verklaring van [Cargo Care] waren stukken ter zake “status beslag Belastingdienst”. Uit deze stukken blijkt dat door de Ontvanger op 19 juli 2010 conservatoir derdenbeslag onder [Cargo Care] is gelegd ten laste van Euro Cargo voor een bedrag van € 114.500,00 in verband met door Euro Cargo (althans de fiscale eenheid waartoe zij behoort) verschuldigde omzetbelasting. Bij comparitie in eerste aanleg heeft [Cargo Care] gesteld (en herhaald bij memorie van antwoord) dat de fiscus executoriaal beslag had gelegd, zodat [Cargo Care] gehouden was genoemd bedrag aan de fiscus te betalen. Door [Wagenparkbeheer] is niet betwist dat het beslag van de fiscus executoriaal is (geworden). Het hof gaat daarvan uit. Niet is evenwel gesteld wanneer het beslag van de fiscus executoriaal is geworden.

Op 29 maart 2011 stond, zo volgt uit die in zoverre niet betwiste stukken, nog open een bedrag van € 56.135,00 aan hoofdsom en invorderingsrente. Het hof neemt daarom voorshands aan – nu de aan de fiscus verschuldigde hoofdsom kennelijk door een of meer deelbetalingen in verband met het fiscale beslag is verminderd - dat het fiscale beslag eerder executoriaal is geworden dan het door [Wagenparkbeheer] gelegde beslag. [Cargo Care] dient het hof hierover in te lichten.

3.7.2.

In de brief van 24 juni 2011 (zie r.o. 3.1. onder j) heeft [Cargo Care] gesteld dat zij na het doen van de verklaring in verband met het door [Wagenparkbeheer] gelegde derdenbeslag uit datgene wat zij voor Euro Cargo onder zich had € 52.499,00 aan de belastingdienst heeft betaald ter zake “betaling beslag belastingdienst” en € 5.000,00 ter zake “betalingsregeling belastingdienst”.

In haar toelichting op haar eerste grief betwist [Wagenparkbeheer] dat [Cargo Care] de genoemde bedragen heeft betaald aan de belastingdienst, althans dat deze betalingen hebben plaatsgevonden voordat [Wagenparkbeheer] beslag onder [Cargo Care] had gelegd. [Cargo Care] heeft bij memorie van antwoord gesteld dat zij € 52.499,00 op 19 mei 2011 aan “de belastingdienst” heeft betaald. Over de datum van de betaling van het bedrag van € 5.000,00 rept zij niet. [Cargo Care] biedt bewijs aan van de betaling op 19 mei 2011. In het navolgende gaat het hof er veronderstellenderwijs van uit dat [Cargo Care] in dit bewijs zal slagen. Het hof komt op deze veronderstelling terug in r.o. 3.8.

3.7.3.

In de toelichting op de eerste grief stelt [Wagenparkbeheer] dat met deze fiscale schulden geen verrekening mocht plaatsvinden omdat er geen sprake was van dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in art. 6:130 lid 2 BW. In de memorie van antwoord merkt [Cargo Care] op dat de betalingen aan de belastingdienst in mindering strekken op datgene wat [Cargo Care] verschuldigd was aan Euro Cargo, en dat hier geen verrekening als bedoeld in art. 6:130 lid 2 BW heeft plaatsgevonden. Het hof kan [Cargo Care] hierin in ieder geval volgen voor zover het betreft de betaling van € 52.499,00 op grond van het volgende.

Uit de stukken en de in zoverre niet betwiste stellingen van [Cargo Care] komt naar voren dat de fiscus op 19 juli 2010 conservatoir derdenbeslag heeft gelegd onder [Cargo Care] , welk beslag volgens de stellingen van [Cargo Care] executoriaal is geworden. Uitgangspunt bij cumulerende executoriale beslagen, waarvan niet bij voorbaat vaststaat dat alle beslagleggers kunnen worden voldaan, is dat de derdebeslagene voor de gezamenlijke beslagleggers betaalt aan de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd (art. 478 lid 1 Rv), die vervolgens de verdeling ter hand neemt. In dit geval is het beslag van [Wagenparkbeheer] op 16 mei 2011 executoriaal geworden, en heeft het hof voorshands aangenomen dat het fiscale beslag eerder executoriaal is geworden.

3.7.4.

Voor de verdeling maakt dat overigens waarschijnlijk niet veel uit. Gezien het zeer hoge fiscale voorrecht zou uiteindelijk (onafhankelijk welke deurwaarder de verdeling ter hand heeft genomen) de fiscus toch volledig zijn voldaan met voorrang boven [Wagenparkbeheer] . Uit stellingen van [Cargo Care] lijkt voort te vloeien dat zij het aan de fiscus toekomende waarschijnlijk rechtstreeks aan deze (c.q. aan de executerende belastingdeurwaarder van de belastingdienst) heeft betaald en de rest van het beslagen bedrag onder zich heeft gehouden (ter verrekening). Gezien deze wettelijke regelingen heeft [Wagenparkbeheer] - ervan uitgaande dat [Cargo Care] kan aantonen dat zij op 19 mei 2011 heeft betaald - onvoldoende gesteld op grond waarvan zij – en niet de fiscus - desalniettemin toch met voorrang boven de fiscus zou moeten zijn uitbetaald uit datgene wat [Cargo Care] voor Euro Cargo onder zich had.

3.7.5.

[Cargo Care] stelt dat zij evenwel twee verschillende bedragen aan de belastingdienst heeft betaald. Het bedrag van € 52.499,00 is betaald in verband met het gelegde beslag. Anders is dit met het bedrag van € 5.000,00. Hierover is niets meer gesteld dan dat dit een betaling is ter zake een betalingsregeling met de fiscus, waarvan evenmin gesteld is wanneer en waarom dit is betaald. Zonder verdere informatie – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom dit bedrag aan de fiscus en niet aan [Wagenparkbeheer] zou moeten worden betaald. Het hof zal deze kwestie evenwel aanhouden totdat duidelijk is geworden of de vordering van Euro Cargo op [Cargo Care] is verminderd als gevolg van de betaling aan de Belastingdienst.

3.8.1.

De grieven falen voor zover zij zien op de vorderingen die hierboven zijn opgenomen in r.o. 3.6.1 onder A (vordering van HEF op Special Truck van € 21,601,20) en C (vordering van [Cargo Care] op Euro Cargo van € 2.218,41).

3.8.2.

Ten aanzien van de vorderingen opgenomen onder B (vordering van HEF op Special Truck van € 100.972,42) zal [Cargo Care] zich nader dienen uit te laten als in r.o. 3.6.6. slot vermeld en ten aanzien van de vordering ter zake “Betaling beslag belastingdienst” van

€ 52.499,00 zal [Cargo Care] in de gelegenheid worden gesteld de betreffende betalingsbewijzen in het geding te brengen. Daarbij dient [Cargo Care] het hof te informeren over de kwestie wanneer het fiscale beslag executoriaal is geworden. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

3.8.3.

Iedere verdere beslissing wordt aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 juni 2015 voor akte aan de zijde van [Cargo Care] met de in r.o. 3.8.2. omschreven doeleinden, waarna [Wagenparkbeheer] hierop zal mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, D.A.E.M. Hulskes en L.W. Louwerse en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraadsheer