Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1856

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
HD 200.155.289_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioen; verschuldigdheid boete wegens te late betaling; informatieplicht werkgever

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2015/103
AR 2015/918
AR-Updates.nl 2015-0498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.155.289/01

arrest van 26 mei 2015

in de zaak van

Design Anyway B.V., voorheen genaamd Partuzzi B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als Design Anyway,

advocaat: mr. R.W.J.L. Loonen te Heerlen,

tegen

1 Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,
gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: PMT

2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Metaalbewerkingsbedrijf,
gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: OOM

3. Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Techniek, voorheen genaamd Stichting Sociaal Fonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken,

hierna: SFM
gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als de fondsen,

advocaat: mr. A.M. van Heest te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg van 7 mei 2014, gewezen tussen Design Anyway als gedaagde en de fondsen als eiseressen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2426533 CV EXPL 13-4118)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het op 16 april 2015 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

PMT voert een verplicht gestelde pensioenregeling uit in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (hierna: Wet Bpf 2000). Op grond van artikel 2 lid 1 Wet Bpf 2000 kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds verplicht stellen voor een of meer bepaalde groepen van personen die in een bepaalde bedrijfstak werkzaam zijn. Bij Besluit Bekendmaking van de verplichtstelling tot deelneming in de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek van 25 februari 1950 (Stcrt 1950, nr. 42), zoals nadien meermaals gewijzigd, heeft de Minister gebruik gemaakt van deze bevoegdheid en deelneming aan PMT verplicht gesteld voor de in het Besluit genoemde categorieën van werknemers die in dienst zijn bij een onderneming in de bedrijfstak metaal en techniek.

3.1.2.

Bij besluit van 22 december 2004 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend verklaard de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het metaalbewerkingsbedrijf (OOM) (Bijvoegsel Stcrt. d.d. 27-12-2004, nr. 250) met ingang van 1 januari 2005 (tot 1 januari 2010), daarna herhaaldelijk gewijzigd en wederom algemeen verbindend verklaard, onder meer bij besluiten van 5 november 2012 en van 24 oktober 2013. De werkgever die onder de werkingssfeer valt van deze collectieve arbeidsovereenkomst is een bijdrage verschuldigd aan OOM.

3.1.3.

Bij besluit van 18 december 2008 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid algemeen verbindend verklaard de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst werkgeversbijdrage sociaal fonds metaal en techniek met ingang van 1 januari 2009 (tot 1 januari 2014) (bijvoegsel Stcrt. d.d. 22-12-2008, nr. 248). De werkgever die onder de werkingssfeer valt van deze collectieve arbeidsovereenkomst is een bijdrage verschuldigd aan SFM.

3.1.4.

Design Anyway valt onder de werkingssfeer van de in 3.1.1 genoemde verplichtstelling en de in 3.1.2 en 3.1.3 genoemde collectieve arbeidsovereenkomsten.

3.1.5.

Op 15 februari 2013 en 10 mei 2013 hebben de fondsen nota’s aan Design Anyway gestuurd.

3.1.6.

De nota van 15 februari 2013 heeft betrekking op het eerste kwartaal van 2013 en betreft de volgende bedragen:

PFM € 15.989,16

PFM € 923,16

SFM € 170,57

OOM € 533,03.

In totaal € 17.615,92.

3.1.7.

Op 16 maart 2013 hebben de fondsen een creditnota gestuurd aan Design Anyway. Het op die nota genoemde bedrag van € 56.005,75 is door de fondsen aan Design Anyway betaald, althans verrekend.

3.1.8.

De nota van 10 mei 2013 heeft betrekking op het tweede kwartaal van 2013 en betreft de volgende bedragen:

PFM € 9.802,08

SFM € 120,35

OOM € 376,09

In totaal € 10.298,52.

3.1.9.

Met een e-mail van 25 mei 2013 heeft Design Anyway gereageerd op de nota’s en medegedeeld dat en waarom zij meent niet, althans niet volledig, tot betaling gehouden te zijn.

3.1.10.

Op 17 juni 2013 hebben de fondsen herinneringen gestuurd en aangekondigd dat aanspraak wordt gemaakt op boete, wettelijke rente en buitengerechtelijke invorderingskosten. Op 28 juni 2013 en op 12 augustus 2013 is dat nog eens gebeurd, waarbij tevens aanspraak is gemaakt op wettelijke rente en boete/buitengerechtelijke invorderingskosten.

3.2.

In eerste aanleg hebben de fondsen (naast proceskosten) aanspraak gemaakt op de volgende bedragen.

PMT

bijdrage eerste kwartaal € 15.989,16,

bijdrage eerste kwartaal € 923,16,

bijdrage tweede kwartaal € 9.802,08,

boete € 2.671,44,

rente tot 28 juni 2013 € 151,89,

minus reeds betaald € 9.802,08,

is in totaal € 19.735,65, vermeerderd met rente vanaf 28 juni 2013.

OOM

bijdrage eerste kwartaal € 533,03,

bijdrage tweede kwartaal € 376,09,

buitengerechtelijke kosten € 90,91,

rente tot 28 juni 2013 € 4,88,

minus reeds betaald € 376,09,

is in totaal € 628,82 vermeerderd met rente vanaf 28 juni 2013.

SFM
bijdrage eerste kwartaal € 170,57,

tweede kwartaal € 120,35,

buitengerechtelijke kosten € 29,09,

rente tot 28 juni 2013 € 1,56,

minus reeds betaald € 120,35,

is in totaal € 201,22 vermeerderd met rente vanaf 28 juni 2013.

3.3.

Design Anyway heeft verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vorderingen van de fondsen toegewezen, behoudens de gevorderde rente op rente.

3.4.

Design Anyway is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Onder aanvoering van zeven grieven heeft Design Anyway geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van de fondsen, met veroordeling van de fondsen in de proceskosten van beide instanties. Bij memorie van antwoord hebben de fondsen geconcludeerd, kort gezegd, tot niet-ontvankelijk verklaring van Design Anyway in haar hoger beroep en/of tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van Design Anyway in de proceskosten van het hoger beroep. De fondsen zijn niet in incidenteel hoger beroep gekomen, zodat het geschil in hoger beroep niet langer betrekking heeft op de afgewezen rente op rente vordering.

3.5.

OOM en SFM hebben terecht betoogd dat Design Anyway niet ontvankelijk is in haar hoger beroep van het vonnis voor zover het betrekking heeft op haar veroordeling jegens hen, nu het bedrag van de vorderingen waarover de kantonrechter had te oordelen niet meer beloopt dan € 1.750,-. De vordering van PMT mag niet daarbij worden opgeteld, nu de in lid 2 van artikel 332 Rv genoemde uitzondering slechts ziet op een optelsom van vorderingen ‘tussen dezelfde partijen’. Design Anyway zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van OOM en SFM. In het hierna volgende zal het hof dus uitsluitend het hoger beroep beoordelen voor zover dat betrekking heeft op de veroordeling van Design Anyway jegens PMT.

3.6.

Grief I heeft betrekking op de inleidende dagvaarding. Volgens Design Anyway heeft PMT artikel 21 Rv geschonden doordat zij niet alle reeds bij haar bekende verweren van Design Anyway in de inleidende dagvaarding heeft medegedeeld.

3.7.

Het hof is van oordeel dat deze grief faalt. Bij conclusie van antwoord heeft Design Anyway het verweer gevoerd waarvan zij meent dat PMT dit reeds in de inleidende dagvaarding hadden moeten vermelden. Nu Design Anyway de mogelijkheid heeft gehad om bij conclusie van antwoord zelf alle verweren naar voren te brengen en alle relevante stukken in het geding te brengen en zij dat ook nog bij conclusie van dupliek heeft kunnen doen, valt niet in te zien dat of waarom Design Anyway in haar verdediging is geschaad zoals zij in de toelichting op deze grief stelt. Het hof verenigt zich met het door de kantonrechter hierover gegeven oordeel (rov. 3.1 van het bestreden vonnis) en maakt dat tot de zijne. De grief faalt.

3.8.

Design Anyway komt met de grieven II en III op tegen overweging 3.5 in het bestreden vonnis die als volgt luidt:

“Aangaande de gevorderde premies wordt als volgt overwogen. Nu de door de Stichting [hof: fondsen] gestelde betalingsgrondslag niet betwist is, staat die vast in deze procedure. Tussen partijen is niet in geschil dat de premies die in rekening zijn gebracht bij factuur van 10 mei 2013, voldaan zijn. Uit hetgeen door Partuzzi [hof: Design Anyway] gesteld is, kan niet worden afgeleid dat ook de factuur van 15 februari 2013 voldaan is. De door Partuzzi als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde berekening is door de Stichting uitdrukkelijk betwist bij repliek. De overgelegde betalingsbewijzen vermelden andere nummers dan het nummer van de factuur van 15 februari 2013. Partuzzi heeft bovendien niet gemotiveerd gereageerd op de stelling van de Stichting dat de betalingen betrekking hadden op facturen die vermeld staan onder 3.3.1.”.

3.9.

In de toelichting op grief II stelt Design Anyway dat zij de betalingsgrondslag wel heeft betwist. Volgens Design Anyway is de kern van de discussie dat zij over de jaren 2011 en 2012 een creditnota heeft ontvangen, dat in die creditnota geen rekening is gehouden met een vermindering van de boete en dat die boete was opgelegd over het volgens de fondsen totaal verschuldigde bedrag terwijl later bleek dat dit totaalbedrag moest worden verminderd.

3.10.

Het hof verstaat de overweging van de kantonrechter dat de betalingsgrondslag niet is betwist aldus, dat Design Anyway niet heeft betwist dat zij onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit (rov. 3.1.1.) valt en dus premieplichtig is aan PMT. In zoverre faalt grief II. Nu Design Anyway valt onder de verplichtstelling, dient zij de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van PMT na te leven (artikel 4 Wbpf 2000).

3.11.

Het hof zal eerst een oordeel geven over de nota van 15 februari 2013.

3.12.

Uit een door PMT op 16 maart 2013 gestuurde nota (productie 6 mva) blijkt dat de factuur van 15 februari 2013 niet juist was. Deze productie betreft een creditnota over het eerste kwartaal van 2013. PMT heeft onbetwist gesteld dat zij het gecrediteerde bedrag aan Design Anyway heeft voldaan door betaling of verrekening. Uitgangspunt van deze creditnota is dat de nota van 15 februari 2013 daadwerkelijk door Design Anyway is betaald. Het hof gaat ervan uit dat dit laatste niet het geval is (zie rov. 3.15).

3.13.

Design Anyway heeft in haar toelichting op grief III aangevoerd dat de hoogte van de nota van 15 februari 2013 niet juist kan zijn en volledig uit de lucht lijkt gegrepen. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van PMT een nadere toelichting op de creditnota gegeven. Volgens PMT is de nota van 15 februari 2013 juist omdat deze is gebaseerd op door Design Anyway aangeleverde gegevens. Over de creditnota is door de advocaat van PMT gesteld dat uit de bijlage blijkt dat de correcties voor het merendeel betrekking hebben op eerdere jaren, maar dat bij enkele werknemers geen tijdvak is ingevuld, hetgeen betekent dat die correcties betrekking hebben op het eerste kwartaal van 2013.

Het hof begrijpt daaruit dat wat de laatstgenoemde werknemers betreft een correctie heeft plaatsgevonden over het eerste kwartaal in 2013 en dat in zoverre de nota van 15 februari 2013 is gecorrigeerd. Het hof leidt hieruit af dat de nota van 15 februari 2013 (achteraf bezien) op zichzelf niet juist is. Dat is echter niet meer relevant, nu die nota is gecorrigeerd met de creditnota. Gelet op het feit dat die creditnota heeft geleid tot een betaling door PMT, terwijl de nota van 15 februari 2013 onbetaald is gebleven (zie rov. 3.15), maakt PMT terecht aanspraak op betaling van de nota van 15 februari 2013.

3.14.

Design Anyway heeft in haar toelichting op grief III voorts, onder verwijzing naar de als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde betalingsbewijzen, gesteld dat zij de bedragen tot en met het tweede kwartaal heeft voldaan. PMT heeft daartegen ingebracht dat de betalingen betrekking hebben op andere nota’s.

3.15.

Het hof volgt Design Anyway niet in haar standpunt. Daartoe is het volgende redengevend.

3.15.1.

Uit de betalingsbewijzen kan niet worden afgeleid dat Design Anyway de nota van 15 februari 2013 heeft voldaan. De nummers op de betalingsbewijzen komen immers niet overeen met de nota. Uit de stelling dat de bedragen van de betalingen voldoende zijn om de nota van 15 februari 2013 te voldoen, volgt niet zonder meer dat Design Anyway de nota heeft voldaan. Zonder nadere adequate toelichting, die Design Anyway niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat de betalingen betrekking hebben op deze nota en valt evenmin in te zien dat de betalingen toereikend zijn. Dat geldt te meer nu de betalingen zijn gedaan vóór 15 februari 2013, Design Anyway zelf heeft gesteld dat zij een geschil had met PMT over 2011 en 2012 en dat zij in de e-mail van 25 mei 2013 zelf heeft aangegeven nog steeds een achterstand te hebben in de betalingen. Op de als productie 3 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte betaalbewijzen staat vermeld dat het gaat om een nota uit 2012, zodat ook die betalingen geen betrekking hebben op de onderhavige nota, daargelaten dat het bedrag niet overeenkomt.

3.15.2.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van Design Anyway op vragen van het hof een verduidelijking gegeven van deze grief. Hij heeft aangevoerd dat hij met dit verweer bedoelt dat een veel langere periode in ogenschouw moet worden genomen om te bezien of de nota feitelijk is voldaan. Dit verweer verwerpt het hof als onvoldoende gemotiveerd, nu niet is toegelicht welke periode moet worden beoordeeld, welke bedragen in die periode aan PMT verschuldigd waren en welke bedragen door Design Anyway zijn voldaan. Voor zover Design Anyway met haar verweer dat er voldoende is betaald (mede) heeft bedoeld dat Design Anyway feitelijk de nota van 15 februari 2013 heeft betaald, omdat zij eerder (in 2011 en 2012) boetes heeft betaald die ten onrechte door PMT zijn opgelegd, faalt dat verweer eveneens. Ook daarvoor geldt dat Design Anyway dan had moeten toelichten welke bedragen zij wanneer heeft betaald en waarop die betrekking hadden. Daarenboven geldt het volgende. Dit verweer van Design Anyway komt erop neer dat zij feitelijk in 2011 en in 2012 te veel heeft betaald omdat PMT volgens haar geen boetes bij haar in rekening had mogen brengen. Het zodoende ‘te veel betaalde’ kan dan worden beschouwd als betaling van de nota van 15 februari 2013. Het hof volgt Design Anyway echter niet in haar redenering dat PMT geen boetes mag opleggen (zie rov. 3.17 ev). Om die reden gaat dit verweer van Design Anyway mank.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat tussen partijen vaststaat dat Design Anyway de nota van 15 februari 2013 niet heeft voldaan. Bij deze stand van zaken kan aan bewijslevering niet worden toegekomen.

3.16.

Kern van het geschil is de vraag of de door PMT in rekening gebrachte boete door Design Anyway verschuldigd is. Volgens Design Anyway heeft PMT over 2011 en 2012 ten onrechte een boete in stand gelaten over een kwijtgescholden vordering. PMT erkent dat zij een boete heeft berekend, die zij ondanks de hiervoor genoemde creditering niet ongedaan heeft gemaakt. Daartoe heeft zij verwezen naar hetgeen in het uitvoeringsreglement daarover is bepaald.

3.17.

Het hof is van oordeel dat PMT terecht aanspraak maakt op de boete. Daartoe acht het hof het volgende redengevend.

3.17.1.

In het uitvoeringsreglement behorend bij het pensioenreglement is onder meer het volgende bepaald:

“2.1. Kwartaalpremie

De Werkgever is de jaarlijkse premie in vier zoveel mogelijk gelijke gedeelten op de eerste dag van elk kalenderkwartaal – bij vooruitbetaling – verschuldigd aan de hand van de door het Fonds verstrekte opgaven.

2.2.

Schatting Pensioengevend jaarsalaris

Zolang het Pensioengevend jaarsalaris van enig jaar nog niet bij het Fonds bekend is, zal de verschuldigde premie worden berekend op basis van een geschat Pensioengevend jaarsalaris. Bij deze schatting wordt uitgegaan van het Pensioengevend jaarsalaris van het voorafgaande jaar, verhoogd met de loonindex.

2.3.

Achterstallige betaling

a. Een achterstallig bedrag aan premiebetaling wordt vermeerderd met interest vanaf de dag waarop de premie was verschuldigd. Onder een achterstallig bedrag wordt tevens verstaan de premie die niet door het Fonds als verschuldigd opgegeven kon worden als gevolg van niet tijdige aanmelding van Deelnemers door de Werkgever zoals bedoeld artikel III.1 (Informatieverstrekking).

(…)

Bovendien worden de achterstallige premies en de daarop in mindering gebrachte interest vermeerderd met vijftien procent boete (…).”.

3.17.2.

PMT heeft gesteld dat Design Anyway te laat heeft betaald en dat is niet althans onvoldoende door Design Anyway betwist. Uit de hiervoor geciteerde bepalingen volgt dat in dat geval een boete is verschuldigd.

3.17.3.

Op grond van de door Design Anyway verstrekte inlichtingen heeft PMT de premies vastgesteld. Deze premienota bleek op een later moment te hoog te zijn, omdat de door Design Anyway verstrekte gegevens niet juist waren. Volgens Design Anyway is het niet juist dat PMT ook in zo’n geval een boete oplegt, althans zou die boete gecorrigeerd moeten worden, omdat later is gebleken dat de nota te hoog was. Daarbij heeft Design Anyway benadrukt dat het niet ging om de situatie dat te weinig premie in rekening was gebracht, maar dat het ging om te veel in rekening gebrachte premie. Een boete kan niet zijn bedoeld om betaald te worden over premie die niet verschuldigd is, aldus Design Anyway.

3.17.4.

Het hof verwerpt dit betoog van Design Anyway. Zoals Design Anyway zelf heeft aangevoerd is de boete bedoeld om te dienen als prikkel voor zowel het tijdig doorgeven van de juiste gegevens, als tot een tijdige betaling van de premies. Design Anyway heeft het een noch het ander gedaan, althans daarvan dient in dit geding te worden uitgegaan zoals hiervoor is overwogen. Vast staat dat de premienota tot stand is gekomen op basis van de door Design Anyway verstrekte gegevens die onjuist waren. Het is de verantwoordelijkheid en daarmee ook het risico van Design Anyway om tijdig de juiste gegevens te verstrekken. Tevens staat vast dat Design Anyway de premienota niet tijdig heeft betaald. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Design Anyway erkend dat in 2012 en aanvang 2013 een achterstand bestond in de betalingsverplichtingen. Daarbij komt dat Design Anyway eenvoudig had kunnen voorkomen dat een boete werd geheven door tijdig (de onjuiste nota) te betalen, omdat PMT crediteert wanneer blijkt dat een wijziging dient plaats te vinden in de premienota vanwege een onjuiste informatieverstrekking.

3.17.5.

Design Anyway heeft nog gewezen op het begrip ‘achterstallige premies’ in het uitvoeringsreglement en gesteld dat daarvan in dit geval geen sprake is, omdat het niet gaat om gefactureerde premie, maar om daadwerkelijk verschuldigde premie. Nu achteraf bezien daadwerkelijk minder premie was verschuldigd dan aanvankelijk door PMT gefactureerd, is volgens Design Anyway geen boete verschuldigd geworden, althans moet ook de boete worden gecrediteerd.

3.17.6.

Het hof verwerpt ook dit verweer van Design Anyway. Het hof stelt voorop dat het uitvoeringsreglement dient te worden uitgelegd volgens de zogenaamde CAO-norm, die inhoudt dat de bepalingen naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd en in beginsel de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis zijn en het daarbij niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die het reglement tot stand hebben gebracht. Uit het hiervoor geciteerde uitvoeringsreglement volgt dat premie is verschuldigd aan de hand van de door Design Anyway verstrekte opgaven, zelfs als die opgaven berusten op verstrekte onjuiste gegevens. Beslissend is dus de opgave van Design Anyway, zodat de door Design Anyway gegeven uitleg van het uitvoeringsreglement faalt. Overigens is het hof van oordeel dat PMT ter gelegenheid van het pleidooi terecht heeft aangevoerd dat de uitleg die Design Anyway wenst te geven aan het uitvoeringsreglement ertoe zou leiden dat zij moet differentiëren naar werkgever en dat dit tot een onwerkbaar resultaat zou leiden. Voorts heeft zij terecht aangevoerd dat de onjuiste premienota het directe gevolg is van een onjuiste opgave van Design Anyway en dat Design Anyway de boete eenvoudigweg had kunnen voorkomen door het onjuiste bedrag te betalen, waarna PMT had gecrediteerd. Met andere woorden, anders dan Design Anyway kennelijk meent, leidt strikte toepassing van het reglement niet tot een onbillijk resultaat, omdat Design Anyway op eenvoudige wijze de verschuldigdheid van de boete had kunnen voorkomen door direct juiste opgave te doen en toen bleek dat dit niet was gebeurd, door tijdige betaling van de nota.

3.18.

Design Anyway besluit de toelichting op grief III met een beroep op verrekening. Het hof begrijpt uit hetgeen ter gelegenheid van het pleidooi is aangevoerd dat Design Anyway wil verrekenen met de in rekening gebrachte boete. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep op verrekening faalt.

3.19.

Grief IV is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van het bestreden vonnis. Deze luiden als volgt:

“Bij antwoord heeft Partuzzi [hof: Design Anyway] voorts de hoogte van de nota van 15 februari 2013 betwist. Nadat de Stichting [hof: fondsen] bij repliek de betreffende nota – met de daarbij behorende specificatie (met de namen van de negen werknemers waarop de nota gebaseerd was) – heeft overgelegd, is Partuzzi daarop echter bij dupliek niet meer (gemotiveerd) ingegaan. Nu van Partuzzi verwacht had mogen worden dat zij gemotiveerd was ingegaan op de voormelde specificatie en had aangegeven waarom die factuur te hoog was (en welk bedrag zij eventueel wel verschuldigd was), gaat de kantonrechter aan deze (ongemotiveerde) betwisting voorbij.

Gelet op het vorenstaande zijn de gevorderde premies die betrekking hebben op de factuur van 15 februari 2013 ten bedrage van € 17.615,92 toewijsbaar.”.

3.20.

In de toelichting op deze grief zet Design Anyway opnieuw uiteen waarom de hoogte van de nota van 15 februari 2013 niet juist is. Hoewel Design Anyway dat terecht aanvoert - de nota is immers gecrediteerd, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat die nota achteraf beschouwd onjuist was -, kan dat niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 3.12 en 3.13.

3.21.

Grief V heeft betrekking op de wettelijke rente. Volgens de toelichting op deze grief is om meerdere redenen de wettelijke rente ten onrechte toegewezen.

3.22.

Voor zover in de toelichting op de grief wordt betoogd dat geen wettelijke rente verschuldigd is omdat Design Anyway niet tot betaling gehouden is van de nota van 15 februari 2013, faalt de grief. Dat volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

3.23.

Voorts is de wettelijke rente niet aangezegd en blijkt niet van vervaldata, aldus Design Anyway. Het hof verwerpt ook dit betoog. Uit de toelichting op deze grief volgt dat Design Anyway kennelijk meent dat van belang is dat tussen partijen is gecorrespondeerd over de betreffende nota’s. Het hof acht dat niet van belang. Uit het hiervoor geciteerde uitvoeringsreglement volgt dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag waarop de premie is verschuldigd en dat de premie verschuldigd wordt op de eerste dag van elk kalenderkwartaal.

3.24.

Design Anyway heeft nog aangevoerd dat zij de nota’s niet heeft ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat dit niet van belang is. Het hof leidt uit het uitvoeringsbesluit af dat rente niet pas na de ontvangst van de premienota verschuldigd wordt. Daar doet niet aan af het feit dat PMT in haar de nota’s een betaaltermijn vermeldt van 30 dagen. Reeds om deze reden acht het hof niet van belang hetgeen Design Anyway ter gelegenheid van het pleidooi heeft gesteld, te weten dat de premienota’s waarschijnlijk op haar oude adres zijn bezorgd en dat de gebruiker van dat pand de post niet heeft doorgestuurd. Overigens gaat ook dat argument niet op. Design Anyway heeft immers niet gesteld dat zij PMT van haar verhuizing op de hoogte heeft gesteld, zodat het hof er op grond van artikel 3:37 lid 3 BW vanuit gaat dat het niet tijdig bereiken van de nota’s een gevolg is van het eigen handelen (nalaten) van Design Anyway.

3.25.

Grief VI is gericht tegen rov. 3.7 van het bestreden vonnis. Deze overweging luidt als volgt:

“De Stichting vordert voorts de boete c.q. buitengerechtelijke invorderingskosten van 10% over de niet tijdig betaalde bedragen. Deze vorderingen zijn gebaseerd op artikel 2.3 van het uitvoeringsreglement van eisende partij sub 1 [hof: PMT] c.q. artikel 3 lid 4 van het bijdragereglement van eisende partij sub 2 en 3 [hof: OOM en SFM]. Partuzzi [hof: Design Anyway] heeft niet weersproken dat op grond van de voormelde regelingen deze (forfaitaire) bedragen verschuldigd zijn, maar stelt dat het versturen van “een enkele herinnering” onvoldoende is voor de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke invorderingskosten. Uit de door Stichting overgelegde producties blijkt echter dat Partuzzi herhaaldelijk is aangemaand en/of gesommeerd.

Met betrekking tot de factuur van 15 februari 2013 geldt derhalve dat over het bedrag van € 16.912,32 de boete van 10% en over het bedrag van € 703,60 de buitengerechtelijke invorderingskosten van 10% verschuldigd zijn. Nu Partuzzi niet heeft weersproken dat zij de factuur van 10 mei 2013 pas op 1 juli 2013 (derhalve te laat) heeft voldaan, zijn over het bedrag van € 9.802,08 de boete van 10% verschuldigd. Ook deze gevorderde bedragen zullen derhalve worden toegewezen.”.

3.26.

Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen over de verschuldigdheid van de boete aan PMT. Daaruit volgt dat niet van belang is of Design Anyway met PMT heeft gecorrespondeerd en of al dan niet buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Wat in de toelichting op de grief door Design Anayway naar voren wordt gebracht over het verrichten van buitengerechtelijke werkzaamheden, heeft voorts kennelijk betrekking op de vorderingen van OOM en SFM, die echter in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Al hetgeen Design Anyway in haar toelichting op deze grief heeft gesteld, stuit daarop af.

3.27.

Grief VII heeft betrekking op de proceskostenveroordeling. Deze grief mist zelfstandige betekenis. Gelet op het voorgaande faalt de grief.

3.28.

De slotsom luidt dat alle grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Design Anyway zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4. De uitspraak

Het hof:

verklaart Design Anyway niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het vonnis voor zover dat is gewezen tussen OOM en SFM als eiseressen en Design Anyway als gedaagde;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt Design Anyway in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de fondsen worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 3.474,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 mei 2015.

griffier rolraadsheer