Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1855

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
20-001141-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:3022, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het handelen van de officier van justitie dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging jegens verdachte. Vernietiging vonnis en terugwijzing rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001141-14

Uitspraak : 26 mei 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 2 april 2014 in de strafzaak met parketnummer 04-804350-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres]

.

De voorafgaande procesgang

Op 25 oktober 2012 is onder leiding van de officier van justitie mr. S.A.L. Kuipers een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van de niet-natuurlijke dood van [slachtoffer 1] op die dag te Venlo. Op 7 mei 2013 is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding – gedateerd op 30 juli 2013 en in persoon betekend op 2 augustus 2013 – zakelijk weergegeven ten laste gelegd:

  • -

    opzettelijke uitlokking van de moord op voornoemde [slachtoffer 1] (feit 1 primair) dan wel de moord op die [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair);

  • -

    opzettelijke uitlokking van de poging tot moord op [slachtoffer 2] (feit 2 primair) dan wel de poging tot moord op [slachtoffer 2] (feit 2 subsidiair).

Bij voornoemde dagvaarding is het voornemen van de officier van justitie om onmiddellijk, nadat de zaak is voorgedragen, schorsing van het onderzoek ter terechtzitting te vorderen (artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering) kenbaar gemaakt.

De eerste terechtzitting van de rechtbank heeft plaatsgehad op 22 augustus 2013. De verdachte bevond zich toen in voorlopige hechtenis. Op de daarop volgende terechtzitting van 1 november 2013 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren tegen verdachte. Vervolgens is op verzoek van de verdediging een terechtzitting gehouden op 25 februari 2014. Op die zitting heeft de verdediging de rechtbank verzocht het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De rechtbank heeft toen het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 19 maart 2014, op welke zitting de zaak direct andermaal is onderbroken tot de terechtzitting van 2 april 2014. Op die laatste zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank heeft het openbaar ministerie bij vonnis van 2 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van verdachte naar aanleiding van het -kort gezegd- na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting door opsporingsambtenaren op 5 en 6 november 2013 verhoren van de [getuige 1] buiten aanwezigheid van de verdediging, terwijl die getuige op 7 november 2013 door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord zou worden, en de rol van de zaaksofficier hierin.

De rechtbank heeft bij de beoordeling voorop gesteld dat bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis van verdachte de verklaring van de [getuige 1] in het kader van de ernstige bezwaren een grote, zo niet doorslaggevende rol heeft gespeeld en dat de officier van justitie zich daar ook van bewust was. Niet alleen is [getuige 1] een cruciale getuige maar ook een getuige met wier nader verhoor (en de daaruit voortvloeiende verklaring) uiterst behoedzaam omgegaan diende te worden. Door het laten plaatsvinden van de verhoren van de [getuige 1] op 5 en 6 november 2013 heeft de officier van justitie zich rechtstreeks gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank zou gaan uitvoeren en dat na herhaalde bezwaren daartegen van de verdediging. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie geen bevredigende uitleg heeft gegeven over de noodzaak van de nadere, geheime, politieverhoren buiten aanwezigheid van de verdediging en vóór het verhoor bij de rechter-commissaris en evenmin ook maar een begin van een aanvaardbare uitleg heeft gegeven over het niet tevoren informeren van de verdediging en de rechtbank over die verhoren en het door de officier van justitie niet informeren van de rechter-commissaris over het feit dat de rechtbank niet op de hoogte was van de geplande verhoren. Een en ander laat, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere conclusie toe dan dat de officier van justitie bewust de verdediging uit de politieverhoren heeft willen weren, waarbij zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen door zich geen rekenschap te geven van de positie van de verdediging en haar belangen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat een nader verhoor van de [getuige 1], waarbij de belangen van verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort.

In haar eindconclusie komt de rechtbank tot het oordeel dat de waarheidsvinding ter terechtzitting ernstig is bemoeilijkt doordat de officier van justitie een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. De rechtbank beslist dan het openbaar ministerie het vervolgingsrecht te ontzeggen omdat:

  • -

    het belang van het geschonden voorschrift -de waarheidsvinding door het ongemoeid laten van deze bijzondere getuige- in de zaak tegen verdachte bijzonder groot is;

  • -

    de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk en blijvend in zijn belangen is geschaad en nadeel lijdt omdat hij op onherstelbare wijze beknot is in zijn verdediging en ondervragingsrecht;

  • -

    het verzuim bijzonder ernstig is nu de verdediging bewust van de nadere verhoren is geweerd en de verdediging opzettelijk in het ongewisse is gelaten, en

  • -

    door de handelwijze van de officier van justitie het wettelijk systeem in de kern geraakt is.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft op 11 april 2014 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De omvang van het hoger beroep is beperkt tot de vraag of de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in stand moet blijven.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verlangd dat, indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt, het hof de zaak niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank Limburg, locatie Roermond.

De verdediging heeft – indien het hof niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie beslist en het vonnis van de rechtbank vernietigt – betoogd dat het hof de zaak zelf afdoet en de verdachte, ten gevolge van de door de verdediging bepleite uitsluiting van de getuigenverklaringen van [getuige 1] voor het bewijs, zal vrijspreken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend overig bewijs. Indien het hof de verdediging hier niet in volgt, heeft de verdediging betoogd dat het hof de zaak dan niet zelf afdoet maar deze zal terugwijzen naar de rechtbank opdat de zaak door de rechtbank in volle omvang zal worden behandeld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen, het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank.

De advocaat-generaal heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat:

  • -

    hoewel het minder wenselijk is dat de [getuige 1] buiten aanwezigheid van de verdediging door de politie is gehoord kort voorafgaand aan haar reeds geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris, geen sprake is van enig vormverzuim;

  • -

    indien deze handelwijze van de officier van justitie wel als een vormverzuim kan worden bestempeld, geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim;

  • -

    indien het hof mocht oordelen dat wel sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden, aangezien geen sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces (Zwolsman) en evenmin het wettelijk systeem waarop het strafproces is gebaseerd in de kern is aangetast (Karman).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich -concluderend- op het standpunt gesteld dat de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in stand dient te blijven. Hiertoe is – kort samengevat – aangevoerd dat:

  • -

    de criteria ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing zijn omdat het vormverzuim niet in het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de beslissingen van het openbaar ministerie mitsdien moeten worden getoetst aan de beginselen van een behoorlijke procesorde;

  • -

    indien het hof van oordeel mocht zijn dat de beslissingen van het openbaar ministerie wel getoetst dienen te worden aan artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, ook dan is voldaan aan de vereisten voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank en met de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
[schutter 1] en/of [schutter 2] op of omstreeks 25 oktober 2012 te Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welk misdrijf hij, verdachte,

in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente Peel en Maas en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk

- die [schutter 1] te benaderen met de opdracht om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2] zou moeten doodschieten en/of

- aan die [schutter 1] en/of die [schutter 2] te vragen om een persoon genaamd [slachtoffer 2] dood te schieten en/of

- door met die [schutter 1] en/of die [schutter 2] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan die [schutter 1] en/of die [schutter 2] zou geven waarvoor die [schutter 1] en/of die [schutter 2] die [slachtoffer 2] zou moeten doodschieten;

Althans, indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:


hij op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapens op die [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.
[schutter 1] en/of [schutter 2] op of omstreeks 25 oktober 2012 te Venlo ter uitvoering van hun voornemen om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) op een persoon genaamd [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dit vorenomschreven misdrijf niet is voltooid, welk misdrijf hij, verdachte,

in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 25 oktober 2012 in de gemeente Peel en Maas en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen, door opzettelijk

- die [schutter 1] te benaderen met de opdracht om een buitenlander te zoeken die [slachtoffer 2] zou moeten doodschieten en/of

- aan die [schutter 1] en/of die [schutter 2] te vragen om een persoon genaamd [slachtoffer 2] dood te schieten en/of

- door met die [schutter 1] en/of die [schutter 2] af te spreken dat hij, verdachte, een aanzienlijk geldbedrag aan die [schutter 1] en/of die [schutter 2] zou geven waarvoor die [schutter 1] en/of die [schutter 2] die [slachtoffer 2] zou moeten doodschieten;

Althans, indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 25 oktober 2012 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een of meer vuurwapen(s) op die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.

Het hof stelt voorop dat onrechtmatig optreden van opsporings- en vervolgingsambtenaren onder bepaalde omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van behoorlijke procesorde kan opleveren dat zulks tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging dient te leiden. Een zo vergaande sanctie kan in dat geval volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien – ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden – sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van de vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

Het hof heeft in hoger beroep in het bijzonder onderzocht de gang van zaken rond het, buiten aanwezigheid van de verdediging, door de politie horen van de [getuige 1] op 5 en 6 november 2013 – derhalve kort voorafgaand aan haar geplande getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 7 november 2013 – en de daaraan ten grondslag liggende motieven.

B.

Het hof heeft de volgende bevindingen gedaan omtrent de relevante feiten en omstandigheden (hierna genummerd 1 tot en met 32 in chronologische volgorde):

1. 25 oktober 2012: start van het onderhavige onderzoek naar de niet-natuurlijke dood van [slachtoffer 1], waarbij op enig moment in dat onderzoek [schutter 1] en [schutter 2] als verdachten zijn aangemerkt.

2. 21 maart 2013: [getuige 1] – de (toenmalige) vriendin van [schutter 1] – wordt in Riga (Letland) als getuige gehoord ter uitvoering van een rechtshulpverzoek.

3. 1 mei 2013: de officier van justitie richt een nieuw rechtshulpverzoek (KLR-U-2013022883) aan de bevoegde autoriteiten van Letland, welk verzoek meermalen is gevoegd als bijlage bij het proces-verbaal van de politie ten behoeve van de pro-formazitting op 1 november 2013 en waarin wordt verzocht om de volgende assistentie:

‘Het getuigenverhoor van [getuige 1] d.d. 21 maart 2013 te Letland geeft aanleiding om haar uitvoerig nader als getuige te horen. Daartoe verzoeken wij u om toe te staan dat en medewerking te verlenen aan het verhoren als getuige van [getuige 1] in Nederland. In het belang van ons opsporingsonderzoek is het van groot belang dat wij [getuige 1] in Nederland als getuige kunnen horen en wel om de navolgende redenen:

de verhoren zullen zeker meerdere dagen in beslag nemen;

de verhoren dienen plaats te vinden in het bijzijn van een gedragsdeskundige;

voor het in Nederland lopende opsporingsonderzoek is het van groot belang dat het getuigenverhoor van [getuige 1] op korte termijn kan plaatsvinden gezien enkele op korte termijn geplande aanhoudingen en in te zetten opsporingsmiddelen.’

4. 7 mei 2013: [verdachte] wordt als verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. In het ten behoeve van de toetsing van de inverzekeringstelling door de politie opgemaakte proces-verbaal d.d. 7 mei 2013 is op pagina’s 14-15 opgenomen:

‘Op 21 maart 2013 werd de [getuige 1] in Letland gehoord.

Ten tijde van het sluiten van dit proces-verbaal was het proces-verbaal van dit verhoor nog niet voorhanden.’

5. 12 mei 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris d.d. 13 mei 2013. In dit proces-verbaal is op pagina’s 26-27 en 32-33 opgenomen:

‘Verhoor [getuige 1]

Op 21 maart 2013 werd de [getuige 1] in Letland gehoord. Bij dit verhoor waren Letse en Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig. Het verhoor vond plaats in de Russische taal en werd ook als zodanig in het proces-verbaal van verhoor gerelateerd. De vertaling in de Nederlandse taal is als bijlage bijgevoegd. Het auditief geregistreerde verhoor wordt thans zoveel mogelijk woordelijk uitgewerkt.

Onderzoeksgronden / Nog te doen

Nader verhoor getuigen.

Uitvoeren rechtshulpverzoeken.’

6. 21 mei 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de raadkamerzitting d.d. 23 mei 2013. In dit proces-verbaal is op pagina 4 opgenomen:

‘[getuige 1]:

Zoals reeds vermeld in het proces-verbaal van voorgeleiding rechter-commissaris werd [getuige 1] in Letland gehoord. Inmiddels is het auditief geregistreerde verhoor zoveel mogelijk woordelijk uitgewerkt.

Proces-verbaal van bevindingen, bijlage 12.

Onderzoeksgronden / Nog te doen

Nader verhoor getuigen.

Uitvoeren rechtshulpverzoeken.

7. 5 juni 2013: de verdediging verzoekt de rechter-commissaris om [schutter 1], [getuige 1] en [schutter 2] als getuigen te horen in aanwezigheid van de verdediging en te bevorderen dat geen nadere verhoren van deze getuigen/verdachten meer plaatsvinden zonder dat de verdediging hierbij aanwezig kan zijn. De verdediging verzoekt de rechter-commissaris deze nadere verhoren zelf ter hand te nemen.

8. 18 juni 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de raadkamerzitting d.d. 20 juni 2013. In dit proces-verbaal is op pagina 8 opgenomen:

‘Onderzoeksgronden / Nog te doen

Nader verhoor getuigen.

Uitvoeren rechtshulpverzoeken.

9. 19 juni 2013: in reactie op het verzoek van de verdediging d.d. 5 juni 2013 bericht de officier van justitie de rechter-commissaris als volgt:

‘Mocht er (op enig moment) naar uw oordeel sprake zijn van een voldoende onderbouwd verzoek, dan heb ik geen bezwaar tegen de gevraagde door u te houden verhoren van die getuigen.

Aan de Letse autoriteiten is een rechtshulpverzoek gedaan om [getuige 1] in Nederland te mogen horen. [getuige 1] is namelijk eveneens betrokken in de Letse strafzaak en – evenals [schutter 2] – onder voorwaarden geschorst, waarbij de voorwaarden kennelijk een meldplicht en uitreisverbod inhouden. Na moeizaam overleg lijkt het er op dat de Letse autoriteiten mee zullen gaan werken aan een tijdelijk vertrek van [getuige 1] uit Letland naar Nederland ten behoeve van een verhoor. Uiteraard kan het beoogde verhoor in aanwezigheid van de raadslieden (beoogd was dus: door de politie) plaatsvinden en wellicht omgevormd tot een verhoor door u. Mogelijk is daarvoor een apart rechtshulpverzoek vereist. Naar mijn oordeel kan de verdediging, en kunt u, mij echter niet beletten de opgegeven getuigen te horen voor, na of naast de door de verdediging gewenste verhoren.’

10. 25 juni 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de raadkamerzitting d.d. 27 juni 2013. In dit proces-verbaal is op pagina’s 3-4 opgenomen:

‘Rechtshulpverzoeken

Verhoor [getuige 1]:

Zoals reeds vermeld in het proces-verbaal van voorgeleiding werd de [getuige 1] gehoord.

Inmiddels is het proces-verbaal van verhoor door de Letse autoriteiten verstrekt. Dit proces-verbaal is door/op verzoek van het IRC vertaald. De ontvangen stukken zijn als bijlage bijgevoegd.

Onderzoeksgronden / Nog te doen

Nader verhoor getuigen.

Uitvoeren rechtshulpverzoeken.’

11. 4 juli 2013: de verdediging vult haar verzoek van 5 juni 2013 aan en verzoekt de rechter-commissaris opnieuw om de getuigenverhoren zelf ter hand te nemen, te bewerkstelligen dat de getuigen worden gehoord en dat geen nadere verhoren van de getuigen plaatsvinden zonder dat de verdediging hierbij aanwezig kan zijn.

12. 8 juli 2013: de officier van justitie bericht de rechter-commissaris dat zij op het (herhaald) verzoek van de verdediging – om haar te onthouden van het doen horen van de getuigen buiten aanwezigheid van de verdediging – al heeft gereageerd en dat een grondslag voor dat verzoek wederom niet wordt gegeven.

13. 10 juli 2013: de rechter-commissaris beslist als volgt:

‘Betreffende het nader horen van de getuigen/verdachten [schutter 1], [getuige 1] en [schutter 2]. Het verdedigingsbelang bij het nader horen van deze personen is voldoende aannemelijk gemaakt. Aangezien deze personen – voor zover thans bekend – in Letland verblijven zal indiening van een rechtshulpverzoek noodzakelijk zijn. Door de rechter-commissaris zal derhalve een rechtshulpverzoek opgesteld worden voor de Letse autoriteiten.

Het verzoek van de verdediging aan de rechter-commissaris te bevorderen dat de personen niet meer gehoord zullen worden door politie en justitie buiten aanwezigheid van de verdediging of de rechter-commissaris wordt afgewezen. Dit aspect van het verzoek is onvoldoende onderbouwd en de verdediging lijkt de rol van de rechter-commissaris in het opsporingsonderzoek te miskennen.’

14. 5 augustus 2013: de verdediging maakt bij de rechter-commissaris bezwaar tegen het (parallel) horen van [schutter 1] en [schutter 2] in Letland zonder dat de verdediging daarbij aanwezig kan zijn.

15. 6 augustus 2013: de rechter-commissaris reageert op het bezwaar van de verdediging d.d. 5 augustus 2013 als volgt:

‘Overigens wijs ik u op mijn beschikking van 10 juli 2013 waarin ik heb aangegeven dat het niet op mijn weg ligt om de officier van justitie te verbieden om verdachten te horen buiten mijn aanwezigheid of buiten de aanwezigheid van de verdediging.

Indien en zodra het rechtshulpverzoek aan de Letse autoriteiten waarin een nader verhoor van [schutter 1], [schutter 2] en [getuige 1] in aanwezigheid van de verdediging is gevraagd, wordt toegestaan krijgt u uiteraard onmiddellijk bericht van mij.’

16. 7 augustus 2013: de officier van justitie stuurt de rechter-commissaris een reactie met exact dezelfde inhoud als op 8 juli 2013. [verbalisant 1] richt – blijkens het proces-verbaal van bevindingen dat is gevoegd als bijlage 30 bij het proces-verbaal van de politie ten behoeve van de pro-formazitting op 1 november 2013 (dossierpagina 419) – een rechtshulpverzoek (KLR-U-2013040289) aan de Letse autoriteiten teneinde verdachte [schutter 1] en een aantal getuigen (onder wie kennelijk ook [getuige 1]) te horen.

17. 12 augustus 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de pro-formazitting op 22 augustus 2013. In dit proces-verbaal is op pagina 10 opgenomen:

‘Onderzoeksgronden / Nog te doen

Ten tijde van het sluiten van dit proces-verbaal was het onderzoek nog niet voltooid.

18. 22 augustus 2013: de eerste pro-formazitting van de rechtbank vindt plaats. De verdachte is nog steeds gedetineerd. De officier van justitie deelt mede dat het voorbereidend onderzoek nog niet voltooid is en dat enkele hoofdpersonen die nog gehoord moeten worden zich in het buitenland bevinden en gedetineerd zijn. Voorts deelt de officier van justitie mede dat in Nederland ook nog getuigen moeten worden gehoord. Er is gesproken over de (omvang van de) tot het dossier behorende stukken. De verdediging verzoekt om opheffing van de voorlopige hechtenis en heeft een beroep gedaan op de nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms nu alle partijen over dezelfde stukken beschikken en wijst zij het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. De beslissingen van de rechtbank luiden voorts – voor zover hier van belang – als volgt:

‘De rechtbank:

- schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde:

o het voorbereidend onderzoek te voltooien;

o door de verdediging bij brief van 5 juli 2013 (het hof begrijpt: 5 juni 2013) opgegeven getuigen te horen;

o met opdracht aan de rechter-commissaris datgene te doen wat haar voor het onderzoek in de zaak dienstig voorkomt.’

19. 28 augustus 2013: [getuige 1] is in Riga (Letland) als getuige gehoord ter uitvoering van het rechtshulpverzoek van 7 augustus 2013, welke verklaring is verwoord in de Russische taal (pagina 419 van het proces-verbaal van politie met bijlagen ten behoeve van de pro-formazitting van 1 november 2013).

20. 29 augustus 2013: de verdediging maakt bij de rechter-commissaris – onder verwijzing naar de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 10 juli 2013 – bezwaar tegen (eventuele) nadere verhoren door opsporingsambtenaren van [schutter 1], [getuige 1] en [schutter 2] voorafgaand aan hun verhoren bij de rechter-commissaris, buiten aanwezigheid van de verdediging, omdat dit in strijd zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De verdediging verzoekt de rechter-commissaris te bevorderen dat geen nadere verhoren van de door haar toegewezen getuigen/medeverdachten plaatsvinden zonder dat de verdediging hierbij aanwezig kan zijn.

21. 25 september 2013: de in de Russische taal opgestelde getuigenverklaring van [getuige 1] van 28 augustus 2013 is vertaald naar het Nederlands (pagina’s 433-434 van het proces-verbaal van politie met bijlagen ten behoeve van de pro-formazitting van 1 november 2013).

22. 3 oktober 2013: de rechter-commissaris beslist op het bezwaar van de verdediging d.d. 29 augustus 2013 als volgt:

‘Thans maakt de verdediging opnieuw een soortgelijk bezwaar waarbij wordt gesteld dat het in strijd met de goede procesorde zou zijn dat reeds door de rechter-commissaris toegewezen getuigen worden verhoord door opsporingsambtenaren buiten aanwezigheid van de verdediging.

De rechter-commissaris overweegt dienaangaande dat de onderhavige zaak gecompliceerd is mede omdat enkele verdachten en getuigen zich in het buitenland (Letland) bevinden waardoor het horen van deze verdachten door opsporingsambtenaren slechts kan plaatsvinden na toestemming daarvoor van de Letse autoriteiten. Dit heeft tot gevolg dat de voortgang van deze verhoren vertraagd is.

Niet valt in te zien waarom de goede procesorde zou worden verstoord bij het horen van deze verdachten/getuigen buiten aanwezigheid van de rechter-commissaris en van de verdediging, mits de verdediging inzage krijgt in de processen-verbaal van deze verhoren zodra deze beschikbaar zijn vóórdat de verdediging zelf in de gelegenheid wordt gesteld deze verdachten/getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris vragen te stellen. Het evenwicht in het opsporingsonderzoek wordt dan niet geschaad en de belangen van [verdachte] worden evenmin geschaad.

Gelet op het vorenstaande valt evenmin in te zien waarom de officier van justitie onrechtmatig zou handelen door deze verdachten/getuigen buiten aanwezigheid van de verdediging te horen en waarom de rechter-commissaris zou dienen in te grijpen.’

23. 24 oktober 2013: sluitingsdatum van het proces-verbaal van de politie met bijlagen ten behoeve van de pro-formazitting op 1 november 2013. In dit proces-verbaal is op pagina 20 opgenomen:

‘Onderzoeksgronden / Nog te doen

Ten tijde van het sluiten van dit proces-verbaal was het onderzoek nog niet voltooid.

Op 4 november 2013 zal [getuige 1], die momenteel in Letland gedetineerd zit, naar Nederland komen voor verhoor. Op 7 november 2013 staat een verhoor bij de rechter-commissaris gepland.’

24. 28 oktober 2013: vanuit het kabinet van de rechter-commissaris wordt – in ieder geval aan de officier van justitie – het bericht uitgestuurd dat [getuige 1] op 7 november 2013 om 09.30 uur als getuige door de rechter-commissaris zal worden gehoord.

25. 29 oktober 2013: verdachte [verdachte] is (andermaal) door de politie gehoord. De officier van justitie legt het proces-verbaal van dit verhoor over ter terechtzitting van de rechtbank op 1 november 2013. In dit proces-verbaal van verhoor is opgenomen:

‘Met de verdachte [verdachte] werd gepraat over de pro-formazitting op 1 november aanstaande. [verdachte] vroeg zich af wat er gebeuren ging als hij vrijdag naar huis zou gaan (het hof begrijpt: als de rechtbank zijn voorarrest ter terechtzitting van vrijdag 1 november 2013 zou opheffen/schorsen). Daarop gaven wij aan dat wij met het onderzoek gewoon door zouden gaan.’

26. 1 november 2013: de tweede pro-formazitting bij de rechtbank vindt plaats. De verdachte is bij aanvang van die zitting nog steeds gedetineerd. Er is gesproken over tot het dossier behorende stukken. De voorzitter deelt mede dat het op de vorige zitting (22 augustus 2013) de uitdrukkelijke bedoeling van de rechtbank is geweest om de zaak naar de rechter-commissaris te verwijzen voor het horen van de getuigen zoals toegewezen door de rechter-commissaris bij beschikking van 10 juli 2013. De voorzitter deelt mede dat op 7 november 2013 een aantal getuigen door de rechter-commissaris zal worden gehoord. De officier van justitie deelt mede van die geplande verhoren op de hoogte te zijn. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis op verzoek van de verdediging toegewezen en de verdachte onmiddellijk in vrijheid gesteld. De beslissingen van de rechtbank luiden dan voorts als volgt:

‘De rechtbank:

- schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd teneinde het voorbereidend onderzoek te doen voltooien;

- verstaat dat de officier van justitie, zodra het eindproces-verbaal beschikbaar is, een doorgenummerd afschrift zal verstrekken;

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde:

o het voorbereidend onderzoek te voltooien;

o als getuige te horen [schutter 1], [getuige 1] en [schutter 2];

o met opdracht aan de rechter-commissaris datgene te doen wat haar voor het onderzoek in de zaak dienstig voorkomt;

- verstaat dat eventuele aanvullende onderzoekswensen bij de rechter-commissaris zullen worden ingediend.’

27. 5 en 6 november 2013: [getuige 1] wordt bij/door de politie gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging en de rechter-commissaris.

28. 7 november 2013: het geplande getuigenverhoor van [getuige 1] bij de rechter-commissaris vindt geen doorgang omdat de verdediging hieraan voorafgaand de rechter-commissaris wraakt. Het wrakingsverzoek wordt diezelfde dag behandeld en afgewezen. Het verhoor door de rechter-commissaris wordt tot nadere datum aangehouden.

29. 25 februari 2014: op verzoek van de verdediging vindt een regiezitting plaats bij de rechtbank. De officier van justitie deelt mede dat zij ten tijde van de terechtzitting van 1 november 2013 wist dat de [getuige 1] voorafgaand aan haar verhoor door de rechter-commissaris door de politie op 5 en 6 november 2013 buiten aanwezigheid van de verdediging zou worden verhoord en dat zij dat om haar moverende redenen – die op zitting zijn besproken – bewust niet aan de rechtbank en de verdediging heeft verteld. De verdediging bepleit niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte, omdat is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde aangezien de waarheidsvinding is bemoeilijkt doordat de officier van justitie vooraf geen mededeling heeft gedaan aan de rechtbank en de verdediging ter zake van de geplande politieverhoren van [getuige 1] op 5 en 6 november 2013, die buiten aanwezigheid van de verdediging hebben plaatsgevonden. De officier van justitie deelt mede dat zij met de rechter-commissaris heeft gedeeld dat het verhoor van [getuige 1] hier (het hof begrijpt: in Nederland) zou plaatsvinden met een dubbel verhoor, dus ook door de politie, en dat de verdediging er rekening mee kon/moest houden dat er parallelle verhoren zouden plaatsvinden. Ook de manier van horen van de [getuige 1] op 5 en 6 november 2013 vormt volgens de officier van justitie geen inbreuk op de procesorde. De rechtbank onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting tot 19 maart 2014.

30. 19 maart 2014: de rechtbank onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting direct andermaal tot de zitting van 2 april 2014.

31. 2 april 2014: de rechtbank sluit het onderzoek ter terechtzitting en doet direct uitspraak. De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

32. 11 april 2014: de officier van justitie stelt hoger beroep in tegen het vonnis.

C.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de volgende beoordeling.

Voornemen officier van justitie

Het hof stelt vast dat het, na het verhoor van [getuige 1] (hierna: de getuige) op 21 maart 2013 in Letland, steeds het voornemen van de officier van justitie is geweest om de getuige, voorafgaand aan, na of naast een verhoor door de rechter-commissaris, buiten aanwezigheid van de verdediging in Nederland te laten horen door opsporingsambtenaren. In dat voornemen is geen wijziging gekomen door de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 22 augustus 2013. De rechter-commissaris en de verdediging waren daarmee bekend, immers op 29 augustus 2013 heeft de verdediging zich tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek te bevorderen dat (onder meer) deze getuige voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris, niet meer buiten aanwezigheid van de verdediging gehoord zal worden, welk verzoek de rechter-commissaris op 3 oktober 2013 heeft afgewezen met de navolgende overweging:

“Niet valt in te zien waarom de goede procesorde zou worden verstoord bij het horen van deze verdachten/getuigen buiten aanwezigheid van de rechter-commissaris en van de verdediging, mits de verdediging inzage krijgt in de processen-verbaal van deze verhoren zodra deze beschikbaar zijn vóórdat de verdediging zelf in de gelegenheid wordt gesteld deze verdachten ten overstaan van de rechter-commissaris vragen te stellen”.

De vaststelling van de rechtbank dat de officier van justitie de verdediging bewust uit de politieverhoren heeft willen weren is dus juist. De officier van justitie heeft daarbij gehandeld overeenkomstig voornoemde beslissing van de rechter-commissaris en heeft de verdediging (zij het erg kort) voorafgaand aan het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris de processen-verbaal van de verhoren op 5 en 6 november 2013 ter beschikking gesteld. Dat dat handelen van de officier van justitie was gebaseerd op een bewuste processtrategie harerzijds die enkel tot doel had om de verdediging zoveel mogelijk buiten spel te zetten om daarmee voor zichzelf een zo hoog mogelijk bewijsrechtelijk rendement te verzekeren en om de getuige “te bewerken”, zoals door de verdediging is aangevoerd, is evenwel niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie eenvoudigweg uitvoering gegeven aan haar voornemen, zoals hiervoor weergegeven. Het hof merkt nog op dat de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte ter terechtzitting van 1 november 2013 was opgeheven bij gebrek aan ernstige bezwaren geen rol gespeeld kán hebben in de beslissing van de officier van justitie om de getuige op 5 en 6 november 2013 door opsporingsambtenaren te laten verhoren, omdat die verhoren al voor 1 november 2013 waren gepland. De door de verdediging gestelde bewijsnood aan de zijde van de officier van justitie -zo al juist - kan dan ook geen motivering voor haar handelen zijn geweest.

Het wettelijk systeem in de kern geraakt?

Zoals hiervoor reeds overwogen, waren de verdediging en de rechter-commissaris op de hoogte van bedoeld voornemen van de officier van justitie. Het hof stelt voorts vast dat zowel voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting als daarna de verdediging zich tot de rechter-commissaris heeft gewend met haar bezwaren tegen dat voornemen en de rechter-commissaris daarop heeft beslist. Hieruit volgt dat zowel de officier van justitie als de verdediging als de rechter-commissaris laatstgenoemde - en dus niet de rechtbank - als “leidend” zagen in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek. Voorts heeft de verdediging noch ter terechtzitting van 22 augustus 2013 noch ter terechtzitting van 1 november 2013 de beslissingen van de rechter-commissaris op haar bezwaren aan de orde gesteld. Het hof kan zich onder die omstandigheden niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie zich door de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013 door de politie, voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris op 7 november 2013, op onrechtmatige wijze rechtstreeks heeft gemengd in het onderzoek dat de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank uitvoerde, dit na herhaald bezwaar van de verdediging, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Daarbij merkt het hof nog op dat ook de rechtbank op grond van het procesdossier kennis had van de procedurele gang van zaken als hiervoor weergegeven en evenmin de wijze waarop invulling werd gegeven aan de rol van de rechter-commissaris in het nog niet afgeronde opsporingsonderzoek ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld en ook zelf nog steeds ter terechtzitting sprak over de voltooiing van het voorbereidend onderzoek.

Waarom de verdediging er geen rekening mee hoefde te houden dat nadere politieverhoren van de getuige tussen 1 en 7 november 2013 zouden plaatsvinden, zoals de rechtbank heeft overwogen, ziet het hof niet in.

Niet informeren door officier van justitie

Het hof is van oordeel dat het onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig van de officier van justitie is geweest dat zij de rechtbank (en dus ook de verdediging) ter terechtzitting van 1 november 2013 niet heeft geïnformeerd over de verhoren van de getuige op 5 en 6 november 2013. De door haar daarvoor gegeven redenen leiden niet tot een ander oordeel. In de gegeven omstandigheden, te weten het door de officier van justitie “varen op het kompas van de rechter-commissaris”, kan dit handelen, naar het oordeel van het hof, evenwel niet worden aangemerkt als een bewuste misleiding van de rechtbank en de verdediging, waarbij de officier van justitie zich geen rekenschap heeft gegeven van de positie van de verdediging en haar belangen, zoals door de rechtbank is overwogen. Dat de rechter-commissaris niet geïnformeerd was over vorenstaande is een uitvloeisel van dit een en ander en leidt niet tot een ander oordeel.

Gevolgen voor de waarheidsvinding

Het hof stelt vast dat het verhoor van de getuige met waarborgen omkleed is geweest. De getuige heeft voorafgaand aan het verhoor met een advocaat gesproken, er was een tolk aanwezig bij het verhoor en ook een gedragsdeskundige. Van het verhoor zijn audiovisuele opnamen gemaakt.

Het hof ziet, anders dan de rechtbank, niet in waarom onderhavige politieverhoren de waarheidsvinding zouden hebben belemmerd en een nader verhoor van de getuige, waarbij de belangen van de verdachte ten volle tot hun recht zouden kunnen komen, niet meer tot de mogelijkheden behoort. Deze zaak onderscheidt zich daarin niet van andere zaken, waarin immers vaker getuigen (en ook getuigen wier verklaringen cruciaal zijn en waarmee behoedzaam dient te worden omgegaan) door opsporingsambtenaren (langdurig) worden gehoord buiten aanwezigheid van de verdediging van een verdachte. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat de wet niet voorschrijft dat de verdediging bij verhoren door de politie van getuigen aanwezig mag/moet zijn.

Het hof stelt vast dat de verdediging van de audiovisuele opnamen van de verhoren kennis kon en kan nemen alsook van de schriftelijke vastlegging daarvan en de gang van zaken tijdens die verhoren dus kon en kan controleren. Het hof neemt wel aan dat de verdediging in onderhavige zaak onvoldoende voorbereidingstijd had voor het verhoor van de getuige bij de rechter-commissaris, maar in dat geval had (een verzoek tot) uitstel in de rede gelegen. De getuige kan nog steeds worden bevraagd door de verdediging, immers niet is gebleken of aannemelijk geworden dat een latere bevraging van de getuige door de verdediging niet mogelijk zou zijn. Het hof verenigt zich dan ook niet met het oordeel van de rechtbank dat door het handelen van de officier van justitie de waarheidsvinding ernstig is bemoeilijkt en de verdediging is beknot in het verdedigings- en ondervragingsrecht.

Conclusie

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat het handelen van de officier van justitie -hoewel onnodig en wellicht zelfs onzorgvuldig op het punt van het niet (volledig) informeren van de rechtbank, de verdediging en de rechter-commissaris- niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging jegens verdachte.

Tot slot merkt het hof nog op dat het niet toekomt aan de bespreking van de stelling van de verdediging omtrent het door de politie stellen van “sturende” vragen aan de getuige en aan de getuige [schutter 1]. De beoordeling daarvan behoort toe aan de feitenrechter die de verklaringen van die getuigen zal waarderen.

Gevolg van de vernietiging van het vonnis

Nu de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en de vernietiging van het vonnis tot gevolg moet hebben dat de hoofdzaak alsnog moet worden onderzocht, en nu de advocaat-generaal terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft verlangd, zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.

Voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep – zoals de verdediging heeft betoogd en welk betoog in de visie van de verdediging tot vrijspraak moet leiden – is gelet op de vordering van de advocaat-generaal, in welke vorm dan ook, geen plaats.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, teneinde deze op de bestaande tenlastelegging te berechten en af te doen.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, griffier,

en op 26 mei 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.M. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.