Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1835

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
F 200.151.812-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KINDERALIMENTATIE

Het hof kwalificeert de tussenbeschikking als (deel)eindbeschikking waardoor hoger beroep tegen de tussenbeschikking tegelijk met eindbeschikking te laat is ingesteld hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 mei 2015

Zaaknummer: F 200.151.812/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/04/119687 / FA RK 12-1720

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.M.J.M.G. Cuijpers,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. drs. I. Ligtelijn-Huisman.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 12 juni 2013 en de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 2 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 juni 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikkingen voor zover het betreft de in voormelde beschikkingen vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te vernietigen en, in zoverre, opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] over de periode van 1 december 2012 tot en met [geboortedatum] 2014 een bedrag van € 475,- per kind per maand, althans een zodanige bijdrage die het hof juist acht en met ingang van 1 maart 2014 een bedrag van € 475,- per kind per maand, althans een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 september 2014, heeft de man verzocht de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. N. Geradts, ter vervanging van mr. Cuijpers;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Ligtelijn.

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 26 februari 2014;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 9 maart 2015;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 13 maart 2015;

  • -

    de ter zitting door mr. Geradts overgelegde pleitnotities.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 22 augustus 1998 te Kessel, thans gemeente Peel en Maas, met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] ([minderjarige 1]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2] ([minderjarige 2]), op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Roermond van 30 april 2004 is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 september 2004 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet voldoen van € 250,- per kind per maand. Bij beschikking van dit hof van 14 augustus 2008 is deze door de man ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 augustus 2008 bepaald op een bedrag van € 475,- per kind per maand

3.2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 juni 2013 is voormelde beschikking van dit hof gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 december 2012 voorlopig aan de vrouw heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 219,- per kind per maand en is de beslissing over de definitieve door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden, mede in afwachting van de beslissing over de wijziging van de zorgregeling (de behandeling en de beslissing daarvan werd verwezen naar de enkelvoudige familiekamer van de rechtbank) welke wijziging van invloed is op de hoogte van de omgangskosten, zoals door de rechtbank is overwogen.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 april 2014 is de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] definitief bepaald over de periode van 1 december 2012 tot en met [geboortedatum] 2014 op een bedrag van € 219,- per kind per maand en met ingang van 1 maart 2014 op een bedrag van € 29,- per kind per maand.

3.3.

De vrouw kan zich met de voormelde beschikkingen van de rechtbank van 12 juni 2013 en 2 april 2014 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man.

Ontvankelijkheid

3.4.1.

De vrouw heeft tegelijkertijd met het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van die rechtbank van 12 juni 2013.

3.4.2.

Het hof constateert dat de vrouw tijdig in hoger beroep is gekomen tegen de beschikking van 2 april 2014.

3.4.3.

Of de vrouw ontvankelijk is in het hoger beroep tegen de beschikking van 12 juni 2013 hangt samen met de vraag of deze beschikking gekwalificeerd moet worden als een eindbeschikking of als een tussenbeschikking.

3.4.4.

Onder een eindbeschikking wordt verstaan een beschikking waarin door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding wordt gemaakt. Een tussenbeschikking is iedere beschikking die geen eindbeschikking is.

Tegen een eindbeschikking staat op grond van artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel gedurende drie maanden vanaf de dag van de uitspraak hoger beroep open, terwijl van een tussenbeschikking slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking. Voor een deelbeschikking, dat wil zeggen een beschikking in het dictum waarvan op een deel van het verzochte definitief wordt beslist en op een ander deel niet, betekent dit dat van de eindbeschikkingscomponent - (deel)eindbeschikking - de appeltermijn direct begint te lopen en daarvan derhalve binnen die termijn moet worden geappelleerd, op straffe van niet-ontvankelijkheid.

De uitleg van een beschikking van de rechtbank is in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter.

3.5.

In de beschikking van 12 juni 2013 is in het dictum bepaald:

“wijzigt de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2008, waarbij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding werd opgelegd ten behoeve van (…) [minderjarige 1] (….) en [minderjarige 2] (…) in die zin dat de man met ingang van 1 december 2012 voorlopig aan de vrouw heeft te voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 219,- per kind per maand”.

De rechtbank heeft voorts de definitieve beslissing over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden mede in afwachting van de beslissing over de eventueel te wijzigen zorgregeling welke wijziging van invloed is op de hoogte van de omgangskosten. Het verzoek van de man om de zorgregeling te wijzigen is bij de beschikking van 12 juni 2013 ter behandeling en beslissing verwezen naar de enkelvoudige familiekamer van de rechtbank.

Wanneer de rechter aan wie wijziging is gevraagd van een onderhoudsbijdrage daartoe een bedrag bepaalt met de toevoeging dat dit ‘voorlopig’ geschiedt en voorts de zaak aanhoudt tot een in zijn beschikking vermelde volgende terechtzitting, moet die beschikking, tenzij er aanwijzingen zijn voor een afwijkende uitleg, in die zin als voorlopig worden opgevat dat de rechter na heropening van het onderzoek vrij is om op grond van hem dan blijkende omstandigheden voor die onderhoudskosten zowel voor de toekomst als voor de periode vóór die heropening een ander bedrag vast te stellen.

In het onderhavige geval ziet het hof reden voor een zodanig afwijkende uitleg. Het hof is van oordeel dat de toevoeging ‘voorlopig’ in de onderhavige beslissing louter temporeel moet worden opgevat, dat wil zeggen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een bepaald tijdvak is vastgesteld (namelijk vanaf 1 december 2012 tot de datum waarop de zorgregeling eventueel zal wijzigen), met betrekking tot welk tijdvak sprake is van een bindende vaststelling in dier voege dat voortzetting van het geding geen verandering meer kan brengen over de door de man te betalen onderhoudsbijdrage over die periode en er voor die periode derhalve sprake is van een eindbeschikking. Immers, gelet op de overweging van de rechtbank (dat de definitieve beslissing over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal worden aangehouden mede in afwachting van de beslissing over de zorgregeling) overweegt het hof dat de voorlopige vaststelling van de onderhoudsbijdrage niet ziet op de mogelijkheid om nog met terugwerkende kracht terug te komen op de hoogte daarvan, doch uitsluitend ziet op de (latere) gevolgen van een eventuele latere wijziging in de zorgregeling en de daarmee gepaard gaande eventueel gewijzigde toekomstige omgangskosten en de dientengevolge verminderde draagkracht van de man.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen de beschikking van 12 juni 2013 nu er voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van een (deel)eindbeschikking waartegen gedurende drie maanden vanaf de dag van die uitspraak hoger beroep heeft opengestaan, binnen welke termijn de vrouw niet heeft geappelleerd.

3.6.

Het hof dient dus de draagkracht van de man met ingang van 1 maart 2014 te beoordelen zoals door de rechtbank bij beschikking van 12 juni 2013 is bepaald, tegen welke beslissing de vrouw tijdig heeft geappelleerd..

Wijziging van omstandigheden

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herberekening van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rechtvaardigt.

Ingangsdatum

3.8.

De man heeft ter zitting gesteld dat hij vanaf 2 april 2014 de bijdrage van € 29,- per kind per maand aan de vrouw heeft voldaan en dat hij niet de financiële middelen heeft om met terugwerkende kracht met ingang van 1 maart 2014 een eventuele hogere door het hof vast te stellen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen te voldoen. Het hof overweegt dat de man gelet op het door de vrouw ingestelde hoger beroep in redelijkheid rekening heeft kunnen houden met een eventuele door het hof vast te stellen hogere bijdrage. Het hof neemt naar redelijkheid 1 maart 2014 als uitgangspunt voor een eventuele wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Behoefte kinderen

3.9.1.

De behoefte van de kinderen van € 475,- per kind per maand (niveau 2008) is tussen partijen niet in geschil. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2014 € 529,53 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015 € 533,77 per kind per maand.

3.9.2.

Het hof volgt de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 januari 2013 luidt, inhoudende dat het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget in mindering op de behoefte dient te worden gebracht. Nu de vrouw over het jaar 2014 geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot het door haar in 2014 ontvangen kindgebonden budget dient het hof dit te berekenen. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij in 2011 een bruto inkomen had van € 11.698,-, in 2012 van € 9.014,- bruto en in 2013 een inkomen van € 10.824,- bruto. Uitgaande van een gemiddeld inkomen van de vrouw van € 10.550,- bruto per jaar gaat het hof uit van een door de vrouw in 2014 ontvangen kindgebonden budget in 2014 van totaal € 167,- per maand. De resterende behoefte van de kinderen bedraagt dan met ingang van 1 januari 2014 € 529,53 minus € 80,35 is € 446,03 per kind per maand.

3.9.3.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij met ingang van 1 januari 2015 het kindgebonden budget ontvangt inclusief de alleenstaande ouderkop. Het hof volgt de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 januari 2015 luidt, inhoudende dat het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop in mindering op de behoefte dient te worden gebracht. Nu de vrouw ook over het jaar 2015 geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot het totaal door haar in 2015 te ontvangen kindgebonden budget dient het hof dit te berekenen. Uitgaande van voormeld gemiddeld inkomen van de vrouw van € 10.550,- bruto per jaar gaat het hof uit van een door de vrouw in 2015 te ontvangen kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop van totaal € 444,- per maand.

De resterende behoefte van de kinderen bedraagt dan met ingang van 1 januari 2015 € 533,77 minus € 222,- is € 311,77 per kind per maand.

Aandeel ouders

3.10.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld. Het hof volgt in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 april 2013 luidt, inhoudende dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,- wordt in beginsel vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 860,-)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

Draagkracht van de man

3.11.

De man drijft een onderneming te [vestigingsplaats] in de vorm van een eenmanszaak die handelt onder de naam “Studio 3005”. Het betreft een grafisch ontwerpbureau dat zich voornamelijk richt op werktekenen van huisstijl items. De winst uit onderneming bedroeg in 2010 nog € 118.286,-, maar deze is nadien aanzienlijk gedaald. De man heeft gesteld dat de grafische industrie het erg lastig heeft, dat er door de economische recessie een enorme afname van opdrachten is geweest en dat, diverse, ook grote, opdrachtgevers failliet zijn verklaard, terwijl het in deze tijd moeilijk is om nieuwe (grote) klanten te vinden. De vrouw heeft dit ter zitting niet meer betwist. Anders dan de vrouw stelt is het hof van oordeel dat de man voldoende verifieerbare stukken in het geding heeft gebracht om zijn inkomenspositie tekunnen beoordelen. Uit de door de man overgelegde jaarrapporten blijkt dat het resultaat in de onderneming in 2011 € 35.595,- bedroeg, in 2012 € 38.281,-, in 2013 € 19.577 en in 2014 € 34.774,-. De vrouw heeft op de door de man overgelegde cijfers weliswaar diverse aanmerkingen gemaakt, doch zij heeft die stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet, althans niet voldoende onderbouwd. Ter zitting heeft de man gesteld dat 2013 een ‘rampjaar’ was maar ook dat de sector zich in 2014 stabiliseert. Het hof overweegt dat het resultaat in jaar 2013 niet voldoende representatief is om als uitgangspunt voor de draagkracht van de man te dienen. Gelet op het vorenstaande, mede gelet op de in 2011 en 2012 behaalde resultaten in de onderneming, gaat het hof voor de berekening van de draagkracht van de man naar redelijkheid uit van het resultaat in 2014 ten bedrage van € 34.774,-. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat het resultaat voor 2014 op € 40.000,- geschat moet worden, nu de vrouw die stelling in het geheel niet heeft onderbouwd.

3.12.

Rekening houdend met een zelfstandigenaftrek van € 7.280,- en een MKB winstvrijstelling van € 3.845,- en voorts gelet op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de man met ingang van 1 maart 2014 op een bedrag van € 2.400,- per maand.

3.13.1.

De door de rechtbank in haar beschikking van 12 juni 2013 vastgestelde reiskosten in verband met de omgangsregeling van € 166,- per maand zijn niet in geschil. Het hof zal dit bedrag optellen bij het forfaitaire bedrag voor de kosten van levensonderhoud.

De draagkracht van de man met ingang van 1 maart 2014 wordt derhalve vastgesteld volgens de formule 70% x [€ 2.400,- – (€ 720,- + € 860,- + € 166,-)] op een bedrag van = € 457,80 per maand.

Gelet op de gewijzigde fiscale regelgeving met ingang van 1 januari 2015 (onder meer het wegvallen van de persoonlijke aftrek in verband met de kinderalimentatie, het wegvallen van de alleenstaande ouder korting en de invoering van de alleenstaande ouderkop) dient het hof de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2015 opnieuw te berekenen.

Met ingang van 1 januari 2015 bedraagt de draagkracht van de man op 70% x [€ 2.400,- – (€ 720,- + € 875,- + € 166,-)] = € 447,30 per maand.

3.13.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man nog twee kinderen heeft uit zijn huwelijk met mevrouw [partner van de man]:

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2005 en

- [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] 2010.

De vrouw heeft gesteld dat de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4], gelet op het inkomen van de man en zijn echtgenote, lager is dan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], doch nu de vrouw die stelling niet heeft onderbouwd, althans nu zij niet heeft gesteld op welk bedrag de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] (wel) moet worden bepaald, gaat het hof aan die stelling van de vrouw voorbij en gaat het hof naar redelijkheid uit van een gelijke behoefte van alle vier de kinderen.

3.14.

Uit het vorenstaande volgt dat de man de draagkracht heeft om met ingang van 1 maart 2014 als onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag te voldoen van € 114,45 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 111,83 per kind per maand en om dezelfde bedragen te besteden ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] en [minderjarige 4]. Gelet op de hierboven in verband met het kindgebonden budget besproken inkomsten van de vrouw, acht het hof de vrouw in staat om voor elk kind € 25,- per maand bij te dragen.

Zorgkorting

3.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man gemiddeld een weekend per drie weken de zorg heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zodat het hof op basis van de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen naar redelijkheid rekening houdt met een percentage van 15%.

Nu de resterende behoefte van de kinderen in 2014 € 466,03 per kind per maand bedraagt, bedraagt de zorgkorting in 2014 in beginsel € 69,90 per kind per maand.

De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bedraagt op grond van het voorgaande (€ 114,45 + € 25,- =) € 139,45 per kind per maand. Gelet op de resterende behoefte van elk kind is er in 2014 sprake van een tekort per kind van (€ 466,03 - € 139,45 =) € 326,58 per maand. Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te voorzien en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting vervalt de aanspraak van de man op de zorgkorting en zal dus de zorgkorting door het hof niet in mindering worden gebracht op de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor het jaar 2015 geldt mutatis mutandis hetzelfde.

3.16.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 april 2014, voor zover het betreft de daarbij met ingang van 1 maart 2014 nader bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2],

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

wijzigt voor zover het betreft de periode met ingang van 1 maart 2014 de beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2008,

bepaalt dat de man voor de periode van 1 maart 2014 tot 1 januari 2015 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

zal voldoen een bedrag van € 114,45 per kind per maand;

bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2015 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

zal voldoen een bedrag van € 111,83 per kind per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, H. van Winkel en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.