Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1808

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
F 200 157 010_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 mei 2015

Zaaknummer: F 200.157.010/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/263671 + C/01/269137

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.Th.L. van Zandvoort (onttrokken),

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.E.M. Jacquemard.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

Bureau Jeugdzorg Noordoost Brabant, hierna te noemen: de stichting.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging:

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2014, heeft de moeder verzocht voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de plaats van hoofdverblijf van de hierna nader te noemen [minderjarige] betreft.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 november 2014, heeft de vader verzocht het beroep van de moeder af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Jacquemard;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad];

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2].

2.3.1.

Bij V2-formulier d.d. 13 april 2015 heeft mr. Van Zandvoort zich onttrokken als advocaat van de moeder.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 juni 2014;

  • -

    het V8-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 22 oktober 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 1 juli 2005 met elkaar gehuwd.

Uit hun relatie voorafgaande aan hun huwelijk is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna: [minderjarige]) geboren.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 27 september 2010 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk met ingang van 27 september 2014 voor de duur van een jaar verlengd.

3.3.

Bij beschikking van 14 juni 2010 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 23 juni 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft en een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank met wijziging van voornoemde beschikking van 14 juni 2010 bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader zal zijn.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Verzoek aanhouding

3.6.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de moeder het hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in verband met de onttrekking van mr. Van Zandvoort als haar advocaat. Zij stelt dat het haar niet is gelukt om op zo korte termijn nog een nieuwe advocaat te vinden, terwijl zij wel behoefte heeft aan de bijstand van een advocaat. Het is voor haar een emotionele zaak en bovendien staan er, zo stelt zij, onwaarheden in de stukken, zoals het feit dat zij een alleenstaande moeder is.

3.7.

De vader stelt bezwaar te hebben tegen aanhouding omdat het ook voor hem een emotionele zaak is en er naar zijn mening, gelet op het tijdstip waarop het hof voor de derde maal negatief heeft beslist op het aanhoudingsverzoek van mr. Van Zandvoort, voldoende tijd resteerde om een nieuwe advocaat te vinden.

3.8.

De raad stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat er snel duidelijkheid komt. Volgens de raad dient dit belang van [minderjarige] te prevaleren boven het belang van de moeder bij haar verzoek tot aanhouding.

3.9.

De stichting sluit zich aan bij het standpunt van de raad. Volgens de stichting kan duidelijkheid voor [minderjarige] de positieve ontwikkeling die reeds bij hem is ingezet, ondersteunen. De stichting acht het niet in zijn belang dat de onduidelijkheid voort duurt.

3.10.

Het hof heeft na beraadslaging in raadkamer besloten tot behandeling over te gaan. Het hof volgt daarbij de opinie van de raad en de stichting om in het belang van [minderjarige] de behandeling van de zaak niet aan te houden.

Inhoudelijke behandeling

3.11.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Als goede moeder dient zij voor [minderjarige] te zorgen en met behulp van de gezinsvoogd die partijen begeleidt in het kader van de over [minderjarige] uitgesproken ondertoezichtstelling, is dat ook best mogelijk. [minderjarige] kan dan in zijn vertrouwde omgeving blijven, op zijn vertrouwde school optrekken met zijn klasgenootjes en lid blijven van de voetbalclub. Ook om de band van [minderjarige] met zijn halfbroertjes en opa en oma te bevorderen is het van belang dat hij zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft. Weliswaar heeft de moeder fouten gemaakt, maar dat betekent niet dat het hoofdverblijf bij de vader voor [minderjarige] beter is. Zij heeft hulp gezocht voor haar vermeende psychische problemen, doch gebleken is dat behandeling niet noodzakelijk is.

3.11.1.

Ter zitting van het hof heeft de moeder aangegeven de huidige situatie ondraaglijk te vinden. Zij mist [minderjarige] en voelt zich buitengesloten. Belangrijke zaken die [minderjarige] aangaan, zoals de overgang naar een andere school, worden, zo stelt zij, zonder overleg met haar geregeld. Door de stichting voelt zij zich onvoldoende gehoord. Anders dan de vader deed toen [minderjarige] nog bij haar woonde, wil zij [minderjarige] niet belasten door bijvoorbeeld zomaar op school of op het voetbalveld te verschijnen. Ook haar oudere zoon mist [minderjarige] heel erg.

3.12.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

Sinds de plaatsing van [minderjarige] bij hem - mede op aangeven van de gezinsvoogd - gaat het op alle fronten beter met [minderjarige]. In het plan van aanpak van 17 juli 2014 geeft de stichting weer dat, in tegenstelling tot de moeder, de vader wordt ervaren als een transparante ouder die ruimte kan geven aan de moeder in het leven van [minderjarige]. De gezinsvoogd acht de vader de ouder die ruggespraak toepast bij voorgenomen besluiten om zo goed mogelijk te handelen in het belang van Delano. De moeder weigert nog steeds op een redelijke wijze met de vader te communiceren.

3.13.

De raad heeft ter zitting geadviseerd het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader te handhaven.

3.14.

De stichting heeft ter zitting aangevoerd dat [minderjarige] zich, sinds hij bij de vader woont, in positieve zin ontwikkelt. De bij de vader aangeboden structuur en duidelijkheid doen hem duidelijk goed.

3.15.

Het hof overweegt als volgt.

3.15.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.15.2.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de vader te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem zal zijn, op goede gronden heeft toegewezen.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] zich sinds zijn plaatsing op 19 september 2013 in het gezin van de vader in positieve zin heeft ontwikkeld. De vader is in staat gebleken [minderjarige] een veilige omgeving te bieden waarin hij [minderjarige] structuur en regelmaat biedt. [minderjarige] is gewend aan deze situatie. De moeder heeft niet gesteld dat de vader geen goede vader is. De door haar aangedragen motieven om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen, lijken voornamelijk te zijn ingegeven door haar eigen gemis en haar behoefte om voor [minderjarige] te zorgen, hetgeen, hoe begrijpelijk ook, op zich niet een basis is voor terugplaatsing. De stelling van de moeder dat het voor [minderjarige] van belang is dat hij zich kan gaan hechten aan zijn op 29 juli 2014 geboren halfbroertje is niet zonder betekenis, maar daarbij dient te worden aangetekend dat het familylife tussen [minderjarige] en zijn moeder, alsmede de gezinsleden van moeder voort gaat. Voor [minderjarige] is het echter van groot belang dat hij zijn leven thans verder kan inrichten vanuit de opvoedingssituatie bij de vader. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat de moeder zich bij de thans bestaande situatie neer legt en [minderjarige] haar instemming kan geven bij de vader te wonen.

3.16.

Op grond van het voorgaande acht het hof het in het belang van [minderjarige] wenselijk dat hij zijn hoofdverblijf bij de vader behoudt.

Proceskosten

3.17.

Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van de gebruikelijke regel in procedures van familierechtelijke aard die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2014 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.