Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1806

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
F 200 164 944_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 mei 2015

Zaaknummer : F 200.164.944/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/03/197178 / JE RK 14-2300 en C/03/197176 / JE RK 14-2299

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

en

[de vader],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 november 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 februari 2015, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de ondertoezichtstelling van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] betreft en opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in zoverre het inleidende verzoek van de stichting af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 maart 2015, heeft de stichting – naar het hof begrijpt – verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Dassen-Vranken;

- de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd, mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting].

2.3.1.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 5 maart 2015. Eén van de bijlagen betreft het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 november 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige]) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 3 december 2013 onder toezicht van de stichting.

[minderjarige] was uithuisgeplaatst in de periode van 3 augustus 2013 tot 16 juli 2014.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 3 december 2015.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift - kort samengevat - aan dat geen sprake is van een zorgelijke opvoedingssituatie en dat [minderjarige] niet in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

[minderjarige] en de ouders krijgende passende hulpverlening en de doelen zijn behaald. De positieve situatie is volgens de ouders niet (zoals de rechtbank heeft overwogen) pril en broos, althans niet dermate dat dit een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar rechtvaardigt. Enkel de kans dat het in de toekomst mis gaat, biedt onvoldoende basis voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige, aldus de ouders.

Ter zitting hebben de ouders nog aangevoerd dat de gesprekken bij CLAS waardevol zijn en dat de samenwerking met de hulpverleenster, mevrouw [hulpverleenster], naar ieders tevredenheid verloopt. Tot nu zijn alleen [minderjarige] en de vader bij de hulpverlening van CLAS betrokken geweest. Sinds twee weken voert [minderjarige] gesprekken met de hulpverleenster alleen. Het is de bedoeling dat ook de moeder in de toekomst bij de hulpverlening betrokken wordt. De moeder stelt dat zij nu wel al vaak met [minderjarige] (en haar jongere zusje) over seksualiteit praat en dat [minderjarige] over dit onderwerp heel open is.

De ouders zijn van mening dat de hulpverlening van CLAS voldoende is om de belangen van [minderjarige] te waarborgen. Zij zijn bereid zolang als [minderjarige] het nodig heeft daaraan hun medewerking te verlenen.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De depressieve klachten van [minderjarige] voorafgaande aan de thuisplaatsing worden volgens de stichting niet meer erkend door [minderjarige] en de ouders. Thans vinden met regelmaat gesprekken plaats in het kader van de hulpverlening van CLAS. De ouders staan achter de hulpverlening en blijven de gesprekken met de gezinsvoogd aangaan. Zij hebben voornamelijk last van de bemoeienis van de stichting. De stichting wijst echter op de ernst van de gebeurtenissen in het eerste jaar van de ondertoezichtstelling en de crisissituatie in augustus 2014 binnen een maand na de thuisplaatsing. Bij het niet verlengen van de ondertoezichtstelling kan de druk die [minderjarige] ervaart minder worden, maar tegelijkertijd zouden daarmee de hiervoor bedoelde zorgen (de beleving van [minderjarige] en mogelijk de traumatische ervaringen) nog onvoldoende aandacht hebben gehad en onvoldoende zijn erkend. Voorts kan de motivatie voor de gesprekken met CLAS verminderen of verdwijnen. Dit levert een ontwikkelingsbedreiging op voor [minderjarige].

Het heeft de hulpverlening van CLAS maanden gekost om tot een gezamenlijk gespreksonderwerp te komen, dat niet alleen betrekking heeft [minderjarige], maar op het gehele gezin. De moeder dient (derhalve) ook nog bij de hulpverlening betrokken te worden. De hulpverlening van CLAS ziet deels op traumaverwerking voor [minderjarige]. De hulpverlening van CLAS heeft om uitstel gevraagd van het in april 2015 geplande evaluatiegesprek, waarin de noodzaak voor verdere hulp aan [minderjarige] en het gezin besproken moet worden. In de gesprekken over seksualiteit diende wat meer diepgang en regelmaat te worden bereikt, ten einde tot overeenstemming te komen over wat wel en niet mag in het gezin, en de gesprekken met [minderjarige] alleen hadden nog niet plaatsgevonden. Als de gesprekken met CLAS een zekere voortgang laten zien, kan de gezinsvoogd meer op afstand blijven. In dat geval hoeft de ondertoezichtstelling niet verlengd te worden tot december 2015. De stichting wil de hulpverlening van CLAS evenwel niet op het spel zetten.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (wet HKBM) in werking getreden. Op grond van artikel 28 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat gedingen inzake de ondertoezichtstelling waarbij het inleidende verzoekschrift is ingediend vóór het tijdstip van in werking treden van de wet HKBM volgens het oude recht worden afgedaan. Nu het inleidende verzoekschrift is ingediend op 6 oktober 2014 is derhalve artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) van toepassing op de onderhavige zaak.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:254 BW (oud) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen wanneer die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW (oud).

3.7.4.

Het hof is van oordeel dat de signalen van [minderjarige] richting de vader (duidend op mogelijk seksueel misbruik) ten tijde van de eerste ondertoezichtstelling en vlak na de thuisplaatsing van [minderjarige] in augustus 2014, dermate ernstig waren dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd diende te worden. Hierbij neemt het hof tevens in overweging dat op dat moment de hulpverlening van CLAS nog niet was gestart.

Hoewel de gesprekken met de hulpverlening van CLAS nu regelmatig plaatsvinden, heeft de betrokken hulpverleenster te kennen gegeven dat het lang heeft geduurd om met partijen tot een gemeenschappelijk gespreksonderwerp te komen. Daarbij komt dat de moeder bij de (inhoudelijke) gesprekken nog niet aanwezig is geweest, hetgeen in de visie van het hof, evenals de stichting en de hulpverlening van CLAS, in het belang van [minderjarige] wel noodzakelijk is. De hulpverlening dient immers gericht te zijn op (bespreking van het onderwerp seksualiteit binnen) het gehele gezinssysteem.

De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij ook in een vrijwillig kader aan de noodzakelijke hulpverlening zullen meewerken, maar daarvoor acht het hof, gelet op de fase waarin de hulpverlening zich thans bevindt, de positieve ontwikkelingen te pril. Het hof is derhalve van oordeel dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op dit moment nog noodzakelijk is om haar belangen te waarborgen.

3.7.5.

Het hof heeft echter de verwachting dat de hulpverlening van CLAS over twee maanden vanaf heden zich in een zodanig vergevorderd stadium zal bevinden – dat wil zeggen dat de moeder bij de gesprekken betrokken is en de hulpverleenster met de ouders en [minderjarige] met voldoende diepgang over het onderwerp seksualiteit kan praten – dat het ook in een vrijwillig kader kan worden voortgezet en zal worden geaccepteerd. Het hof ziet derhalve aanleiding om de ondertoezichtstelling (slechts) tot 1 augustus 2015 te verlengen.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd voor zover het de periode van 3 december 2014 tot 1 augustus 2015 betreft en voor het overige, dat wil zeggen met ingang van 1 augustus 2015, dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de stichting voor zover het de periode vanaf 1 augustus 2015 betreft alsnog dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt met ingang van 1 augustus 2015 de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 november 2014, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve uitsluitend voor zover het de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betreft;

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst met ingang van 1 augustus 2015 af het inleidend verzoek van de stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] over de periode van 3 december 2014 tot 1 augustus 2015.

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.L. Schaafsma-Beversluis en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2015.