Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1789

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
21-05-2015
Zaaknummer
HD200.131.160_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen door onvoldoende informatieverstrekking bij het overhalen van een partij tot het doen van een investering of aangaan van een geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.160/01

arrest van 19 mei 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. G.C. Vergouwen te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis in verzet van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 27 februari 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/03/169354/ HA ZA 12-85)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, naar het vonnis van 21 maart 2012 en naar het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 5 oktober 2011 met zaak-/rolnummer 163718 / HA ZA 11-652.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met twee producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel met twee producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het incidenteel appel.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten is geen grief aangevoerd, zodat het hof deze feiten tot uitgangspunt van zijn oordeel zal nemen, zo nodig aangevuld met andere vaststaande feiten.

- [appellant] is werkzaam (geweest) als makelaar. In die hoedanigheid heeft hij een zakelijke relatie onderhouden met [geïntimeerde], met dien verstande dat [appellant] gedurende verschillende jaren het beheer heeft gevoerd over een aantal verhuurde onroerende zaken van [geïntimeerde].

- Op enig moment heeft [appellant] aan [geïntimeerde] kenbaar gemaakt dat hij de beschikking zou kunnen krijgen over een grote geldsom in fondsen die op zijn naam op een rekening zouden staan bij de Barclays Bank in [plaats]. [appellant] heeft [geïntimeerde] meegedeeld dat, om daadwerkelijk over die geldsom te kunnen beschikken, het nodig was dat een certificaat van herkomst werd afgegeven door de Verenigde Naties in [plaats]. De kosten die nodig waren om dat certificaat te verkrijgen bedroegen volgens [appellant] $ 265.000,00.

- [appellant] heeft [geïntimeerde] in dit kader op 22 april 2008 een (email)bericht gezonden waarin, onder andere, het volgende stond:

“Om de fondsen vrij te krijgen - die op mijn naam op een genummerde rekening staan bij Barclaysbank in [plaats] - moet absoluut een bedrag van $ 265.000,00 (ca. € 170.000) per bancaire overboeking overgemaakt worden naar de Verenigde Naties te [plaats].

Dan geeft de VN een certificaat van herkomst af en worden de fondsen wereldwijd door elke bank geaccepteerd.

Fiscaal moet ik afrekenen met de Engelse fiscus zodra de fondsen zijn vrijgegeven, dat dan geen enkel probleem is.

Een bancaire overboeking is altijd een legale geregistreerde overboeking en blijft traceerbaar.

Geregeld heb ik dat de betaling van $ 265.000 terugbetaald wordt binnen 48 uur indien er door eender welke oorzaak het certificaat niet geaccepteerd zou worden. Dit is een garantie die wordt afgegeven voordat ik het geld overmaak naar de VN in [plaats]. Deze garantieverklaring laat ik opmaken door een Engelse jurist.

De investeerder van deze $ 265.000 loopt dus geen enkel risico. In het negatieve geval gaat het om een renteverlies van ongeveer 1 maand.

Een bank geeft geen garantie af indien er een risico aan verbonden is, dus dit is de finale zet die moet gebeuren om de fondsen (legaal) vrij te krijgen.

Het moet dus wel wit geld zijn omdat dit een bancaire transactie is, aldus legaal.

Zie jij een mogelijkheid om dit voor elkaar te krijgen?

De beloning daarvoor wordt $ 4.000.000, ca. € 2.650.000, aldus het 10-voudige.”

- Partijen zijn één of twee keer naar Engeland gereisd en hebben daar een persoon ontmoet die door [appellant] is geïntroduceerd als [contactpersoon]. Deze zou werkzaam zijn bij of voor de Bank for International Settlements (BIS) of met die bank contacten hebben en als contactpersoon optreden. Aangezien [geïntimeerde] de Engelse taal niet machtig is, heeft [appellant] het gesprek vertaald.

- Op 19 september 2008 zond [appellant] aan [geïntimeerde] een (email)bericht met, onder meer, de volgende inhoud:

“(…) De Amerikanen hebben bij de inval in Iraq in 2003 meteen de nationale bank helemaal lamgelegd en zijn er vele miljarden spoorloos verdwenen. Dat was hetzelfde verhaal als [contactpersoon] ons vertelde in [plaats].

De Amerikaanse overheid weet hier dus van en vandaar dat een certificaat kan worden afgegeven door de VN in [plaats].

Ook heeft Bush destijds miljarden overgevlogen naar [plaats] waarvan een deel vermist wordt.

Al deze gelden zijn niet zo maar in omloop te brengen en klopt het hele verhaal waar ik al jaren mee bezig ben helemaal.

De laatste stage is nu dat het certificaat van de VN ontvangen wordt. Zodra je de hypotheek rond hebt zullen we enkele dagen naar [plaats] moeten en wachten totdat de advocaat - [advocaat] - terug is met het certificaat. Dan kan ik naar [plaats] waar ik de bankcodes e.d. direct krijg en kunnen we een feestje bouwen. We hebben $ 265.000,00 nodig (…).”

- Bij (email)bericht van 22 november 2008 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] onder andere het volgende laten weten:

“[contactpersoon] die we ontmoet hebben in [plaats] is van de BIS-UK en dat is de Bank for International Settlements. (…)

Dat is een overheidsbank (niet voor particulieren) die zich o.a. bezig houdt met moeilijke internationale overboekingen van centrale banken en overheden.

Dit is te vergelijken met de centrale bank van Nederland (…).

Alles klopt voor 100%

Het is van uitermate groot belang dat we een en ander zeer spoedig kunnen gaan afwerken. Zorg dat je boekhouder met spoed de nodige stukken klaar heeft zodat jouw bank (Fortis) kan gaan afwerken.

Een notaris die dit met spoed kan doen ken ik wel en laat me weten zodra de boekhouder alles klaar heeft.

We hebben nodig $ 265.000 (dat is nu ongeveer € 212.000).

(…)

In [plaats] gaan we met [contactpersoon] naar de bank (Barclays) en krijg ik toegang tot de rekeningen en ter plekke kan ik diverse bedragen internationaal overboeken. Bovendien kan ik daarna via elektronisch bankieren gelden overmaken.

(…)

Zorg dat je boekhouder de stukken z.s.m. klaar heeft zodat we dit snel kunnen afwerken. De VN in [plaats] kan er nu nog aan meewerken, maar als de nieuwe president geïnstalleerd wordt dan zou het wel eens moeilijker kunnen gaan worden.

(…).”

- Teneinde de beschikking te krijgen over gelden waarmee het hierboven vermelde certificaat kon worden verkregen, heeft [geïntimeerde] op 12 januari 2009 € 220.000,00 geleend van de heer [geldverstrekker] (hierna: [geldverstrekker]), bij wie hij in dat kader is geïntroduceerd door [appellant]. Tot zekerheid van terugbetaling is ten behoeve van [geldverstrekker] een hypotheekrecht verleend op een onroerend goed van [geïntimeerde].

- Op enig moment heeft [geïntimeerde] ten behoeve van het verkrijgen van het certificaat (het equivalent van) $ 265.000,00 overgemaakt naar een bankrekening in de Verenigde Staten. Kort daarna is dit bedrag, vermeerderd met ‘koerswinst’, teruggestort. Vervolgens is door [geïntimeerde] op aanwijzing van [appellant] eind februari 2009 (het equivalent van) £ 184.000,00 gestort op een rekening op naam van ene [naam] te [plaats].

- Per email van 13 maart 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] het volgende medegedeeld:

“De certificaten zijn geaccepteerd door Barclays bank in [plaats]!!!

Nu moet de belastingdienst nog goedkeuring geven en het is feest, groot feest.

(…).”

- Bij email van 14 juli 2009 (onderdeel van productie 20 van [appellant]) heeft [appellant] aan [geïntimeerde] het volgende bericht:

“Zojuist heeft John mij gebeld uit Engeland.

Alles is compleet en er kan nu afgewerkt worden.

(…).”

- Uitbetalingen aan [geïntimeerde] hebben niet plaatsgevonden en evenmin is het door hem betaalde bedrag aan hem gerestitueerd.

3.2.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] in rechte betrokken en heeft, voor zover thans van belang, gevorderd om [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 220.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening. [geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] het bedrag van € 220.000,- van hem heeft geleend.

3.2.2.

[appellant] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, waarna tegen hem verstek is verleend.

3.2.3.

Bij vonnis van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank, voor zover van belang, voornoemde vordering van [geïntimeerde] bij verstek toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.

3.3.

[appellant] is vervolgens in verzet gekomen tegen het vonnis van 5 oktober 2011 en heeft gevorderd hem te ontheffen van de bij dat vonnis uitgesproken veroordeling en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure.

[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd en voorts als subsidiaire grondslag voor zijn vordering aangevoerd dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en op grond daarvan aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] als gevolg daarvan geleden schade.

3.4.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van het bedrag van € 220.000,- niet op de primair door [geïntimeerde] aangevoerde grondslag (het bestaan van een geldleningsovereenkomst tussen partijen) kan worden toegewezen, omdat onvoldoende vast staat dat partijen ten aanzien van voornoemd bedrag een geldleningsovereenkomst hebben gesloten. De rechtbank heeft de vordering wel toewijsbaar geacht op de subsidiair aangevoerde grondslag (onrechtmatige daad).

De rechtbank heeft daarop het verstekvonnis van 5 oktober 2011 bekrachtigd en [appellant] veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

3.5.

Zowel [appellant] als [geïntimeerde] kan zich niet verenigen met voornoemd vonnis. [appellant] komt van dit vonnis in appel en [geïntimeerde] in incidenteel appel. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis verminderd tot een bedrag in hoofdsom van € 200.456,60.

Incidenteel appel

3.6.1.

Het hof zal eerst het incidenteel appel van [geïntimeerde] behandelen. De grief die [geïntimeerde] in incidenteel appel heeft aangevoerd, is gericht tegen de afwijzing van zijn vordering op de primaire grondslag, te weten dat [appellant] het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag aan [geïntimeerde] is verschuldigd uit hoofde van een door partijen gesloten geldlenings-overeenkomst. [geïntimeerde] voert in dat kader aan dat [appellant] eerst tevergeefs [geldverstrekker] heeft benaderd om aan hem geld te lenen en dat [geïntimeerde] vervolgens het geld van [geldverstrekker] heeft geleend om het weer door te lenen aan [appellant]. Dat de geldleningsovereenkomst tussen partijen niet op schrift is gesteld, is volgens [geïntimeerde] te verklaren door de lange en vriendschappelijke band die partijen hebben opgebouwd.

3.6.2.

[appellant] betwist dat hij van [geïntimeerde] geld heeft geleend. Het feit dat niet op schrift is gesteld dat [geïntimeerde] aan [appellant] geld heeft geleend wijst naar de mening van [appellant] juist op het tegendeel, evenals het gegeven dat in de correspondentie tussen partijen nimmer is gesproken over een geldlening. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] het door hem gevorderde bedrag heeft geïnvesteerd en wijst daarbij op de door partijen gemaakte afspraak dat [geïntimeerde] bij het vrijkomen van de gelden een bedrag van € 2.000.000,- zou ontvangen.

3.7.1.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het bestaan van een geldleningsovereenkomst tussen partijen is niet af te leiden uit de overgelegde correspondentie tussen partijen.

3.7.3.

[geïntimeerde] heeft evenwel zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij aan [appellant] het door hem gevorderde bedrag (in hoger beroep € 207.456,60) heeft geleend. Op grond van artikel 150 Rv draagt [geïntimeerde] de bewijslast van die stelling. Het hof zal hem dan ook in de gelegenheid stellen de juistheid van zijn stelling te bewijzen.

Principaal appel

3.8.

In principaal appel voert [appellant] drie grieven aan tegen het bestreden vonnis.

Het hof zal de eerste twee grieven gezamenlijk behandelen, aangezien deze betrekking hebben op de vraag of [appellant] jegens [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan worden gehouden voor door [geïntimeerde] geleden schade.

De eerste grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid en daarmee onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. In zijn tweede grief stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onrechtmatig handelen is toe te rekenen aan [appellant].

3.9.1.

Het hof begrijpt de toelichting van [geïntimeerde] op zijn subsidiaire grondslag voor de vordering aldus dat [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die hem in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig heeft gehandeld door [geïntimeerde] te bewegen tot het beschikbaar stellen van substantiële gelden aan hem voor, althans substantiële gelden te investeren in een buitenlands project, terwijl aan dit project grote financiële risico’s en grote onzekerheid waren verbonden die niet voor [geïntimeerde], maar wel voor [appellant] kenbaar waren of hadden moeten zijn.

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] voorafgaande aan de feitelijke terbeschikkingstelling van gelden door [geïntimeerde] aan [appellant] hem onjuist en niet volledig geïnformeerd over de transactie.

3.9.2.

[appellant] betwist dat hij [geïntimeerde] de indruk heeft gegeven dat de investering zonder risico’s was. Hij stelt [geïntimeerde] zowel mondeling als telefonisch diverse malen op de risico’s van de investering te hebben gewezen. Voorts voert hij aan dat [geïntimeerde] wist dat het om verduisterde gelden en dus om een dubieuze transactie ging. [geïntimeerde] had volgens [appellant] ook uit de door hem aan [geïntimeerde] verstuurde e-mails kunnen opmaken dat de investering niet zonder risico’s was. Daarnaast had [geïntimeerde] ook uit andere omstandigheden kunnen afleiden dat de investering niet risicoloos was, aldus [appellant]. [appellant] stelt tot slot net als [geïntimeerde] slachtoffer te zijn geworden van oplichting.

[appellant] voert voorts aan dat als er al sprake was van een onrechtmatige daad, deze hem niet kan worden toegerekend.

3.9.3.

Om te kunnen beoordelen of [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld, dient te worden gekeken naar de rol die [appellant] heeft gespeeld bij het nemen van de beslissing door [geïntimeerde] om geld ter beschikking te stellen voor het vrijmaken van de fondsen. Het hof acht het hierbij, anders dan [appellant], niet van belang of [geïntimeerde] [appellant] al dan niet zelf heeft benaderd met de vraag of hij kon participeren. [appellant] heeft immers zelf gesteld dat hij aan veel mensen, onder wie [geïntimeerde], zijn ‘verhaal’ heeft verteld in de hoop dat iemand zich zou aan dienen als participant (punt 6 conclusie van antwoord, zie ook proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg van 21 mei 2012).

Blijkens zijn e-mail aan [geïntimeerde] van 22 april 2008 heeft [appellant] [geïntimeerde] voorgehouden dat hij de beschikking zou kunnen krijgen over een grote geldsom als [geïntimeerde] zou kunnen zorgen voor de financiering van een certificaat van de Verenigde Naties en heeft hij [geïntimeerde] voorgehouden dat een succesvolle afronding van de transactie een opbrengst van circa € 2.500.000,-) zou opleveren. [appellant] heeft het in deze e-mail en de daarop volgende e-mails naar het oordeel van het hof doen overkomen alsof het zou gaan om een legale en betrouwbare transactie zonder enige risico’s, waarbij verschillende overheidsinstanties zouden zijn betrokken die aan de transactie hun medewerking en/of hun fiat zouden verlenen. Zo geeft [appellant] in zijn e-mail van 22 april 2008 aan dat de Verenigde Naties in [plaats] een certificaat van herkomst afgeeft als er een bedrag van $ 265.000,- naar de Verenigde Naties wordt overgemaakt, dat dan de fondsen wereldwijd door elke bank worden geaccepteerd en dat afgerekend moet worden met de Engelse fiscus zodra de fondsen worden vrijgegeven. Tevens zegt [appellant] in voornoemde e-mail toe dat het bedrag van $ 265.000,- terugbetaald wordt indien het certificaat niet wordt afgegeven en dat hiervoor door een Engelse jurist een garantieverklaring zal worden opgemaakt en benadrukt hij dat de investeerder geen enkel risico loopt. In zijn e-mail van 19 september 2008 geeft [appellant] aan dat de Amerikaanse overheid op de hoogte is waardoor een certificaat door de VN kan worden afgegeven en dat ‘het hele verhaal’ klopt. In zijn e-mail van 22 november 2008 deelt hij mee dat de BIS-UK, waaraan [contactpersoon] verbonden is, een overheidsbank is die zich o.a. bezig houdt met moeilijke internationale bankoverboekingen en die te vergelijken is met de centrale bank in Nederland. [appellant] benadrukt nogmaals dat alles 100 % klopt.

Weliswaar zou uit de mededeling van [appellant] in zijn e-mail aan [geïntimeerde] van 19 september 2008 omtrent het lamleggen door de Amerikanen van de nationale bank bij de inval in Irak en het spoorloos verdwijnen van vele miljarden wellicht kunnen worden afgeleid dat de herkomst van het geld op de fondsen dubieus te noemen was, maar dat doet niet af aan het feit dat [appellant] in de e-mails aan [geïntimeerde] de transactie als legaal en de investering als risicoloos heeft aangeprezen.

Dat [appellant], zoals hij stelt, [geïntimeerde] mondeling en via de telefoon erop heeft gewezen dat de investering risico’s meebracht, wordt door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist en strookt daarnaast op geen enkele wijze met hetgeen hij in de hierboven genoemde e-mails aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld. Met dit verweer geeft [appellant] bovendien aan dat hij zelf in ieder geval wist dat er - anders dan in de e-mails wordt aangegeven - risico’s waren verbonden aan de investering. Hij erkent dit zelfs met zoveel woorden in punt 31 van zijn memorie van grieven.

3.9.4.

Het hof stelt daarnaast met de rechtbank vast dat de verklaring die [appellant] ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft afgelegd omtrent de wijze waarop de fondsen op zijn naam zouden zijn komen te staan, tal van elementen bevat die niet terugkomen in de e-mails die hij aan [geïntimeerde] heeft gestuurd voorafgaand aan het beschikbaar stellen van het geldbedrag door [geïntimeerde]. [appellant] heeft ter comparitie, kort samengevat, verklaard dat leden van het Amerikaanse leger via een kennis van hem met een reisbureau in Bangkok bij hem zijn uitgekomen en hem hebben benaderd met de vraag om voor de wederopbouw van Irak bestemd geld te ‘wassen’, dat hij als tegenprestatie zou delen in de vrij te komen gelden en dat in het kader daarvan tientallen miljoenen dollars op een op zijn naam gestelde bankrekening, die zonder zijn medewerking is geopend, zijn gestort. [appellant] stelt dat hij [geïntimeerde] van dit alles op de hoogte heeft gesteld, maar dit wordt door [geïntimeerde] bestreden en blijkt bovendien niet uit de overgelegde e-mails van [appellant] aan [geïntimeerde]. Aldus dient er vooralsnog van te worden uitgegaan dat [appellant] [geïntimeerde] niet volledig heeft geïnformeerd.

3.9.5.

Naar het oordeel van het hof is aldus voorshands voldoende komen vast te staan dat [appellant] wist dat er risico’s aan de investering verbonden waren, maar desondanks het aan [geïntimeerde] herhaaldelijk heeft doen voorkomen alsof de transactie waarvoor [geïntimeerde] een aanzienlijk geldbedrag beschikbaar heeft gesteld, legaal was en er aan de investering geen of amper risico’s waren verbonden. Daarnaast is voorshands niet gebleken dat [appellant] volledige openheid van zaken heeft gegeven aan [geïntimeerde] met betrekking tot de wijze waarop de fondsen op naam van [appellant] zouden zijn komen te staan. Voorshands is daarom aannemelijk dat [geïntimeerde] niet alle relevante informatie heeft kunnen betrekken bij zijn beslissing om geld te investeren. Voorts staat vast dat er ten tijde van de investering door [geïntimeerde] tussen partijen een jarenlange zakelijke relatie bestond die volgens beide partijen ook als vriendschappelijk aan te merken was.

Weliswaar komt hetgeen [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voorgespiegeld omtrent de transactie/investering in eerste instantie op het hof over als een verhaal dat te mooi lijkt om waar te zijn, maar het hof acht het, gelet op het voorgaande in onderling samenhang bezien, vooralsnog voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] niet direct hoefde te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door [appellant] verstrekte informatie met betrekking tot de transactie/investering. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [appellant] [geïntimeerde] – van wie vaststaat dat hij Engels spreekt noch kan verstaan - heeft meegenomen naar Engeland voor een gesprek met [contactpersoon] die volgens [appellant] verbonden was aan de (bestaande) Bank for International Settlements.

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] dan ook jegens [geïntimeerde] in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld. Dit geldt temeer, nu [appellant] wist dat [geïntimeerde] een lening had afgesloten bij [geldverstrekker] teneinde de beschikking te kunnen krijgen over gelden voor de investering en ter zekerheid tot terugbetaling ten behoeve van [geldverstrekker] een hypotheekrecht had verleend op een aan hem in eigendom toebehorend onroerende zaak. [appellant] heeft [geïntimeerde] hiervoor zelfs bij [geldverstrekker] geïntroduceerd.

Gelet op het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat de onrechtmatige gedraging ook aan [appellant] kan worden toegerekend, nu zij te wijten is aan diens schuld.

3.9.6.

[appellant] biedt in hoger beroep evenwel (tegen)bewijs aan met betrekking tot de informatievoorziening aan [geïntimeerde] voorafgaand aan de investering. Gelet op artikel 166 Rv zal het hof [appellant] tot tegenbewijs toelaten van de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] het tegenover [geïntimeerde] heeft doen voorkomen alsof de transactie waarvoor [geïntimeerde] geld ter beschikking heeft gesteld legaal was en aan de investering geen of amper risico’s voor [geïntimeerde] waren verbonden, en dat [appellant] hem daarbij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot de wijze waarop de fondsen op naam van [appellant] zouden zijn komen te staan.

[appellant] voert nog aan dat [geïntimeerde] reeds uit de omstandigheden van het geval had kunnen en moeten begrijpen dat er wel degelijk risico’s verbonden waren aan de transactie. [appellant] noemt in dat kader de omstandigheid dat [contactpersoon] partijen in Engeland niet op het kantoor van de BIS maar elders wilde ontmoeten, de omstandigheid dat [geïntimeerde] op de hoogte was van een eerder geval waarin geïnvesteerd was in een vloeistof waarmee biljetten, afkomstig van een geldtransport van de Verenigde Staten naar Irak, schoongemaakt konden worden en er evenmin geld werd terugontvangen en de omstandigheid dat in het onderhavige geval de gelden overgeboekt moesten worden naar de rekening van een voor beide partijen onbekende onderneming/persoon. Deze stellingen, die door [geïntimeerde] worden betwist, kunnen in de bewijslevering aan de orde komen en een rol spelen bij de beoordeling of het voorshands geleverde bewijs is ontzenuwd.

Principaal en incidenteel appel

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat er tussen partijen sprake was van een overeenkomst van verbruikleen op grond waarvan [geïntimeerde] het bedrag van € 207.456,60 aan [appellant] heeft verstrekt onder de verplichting voor [appellant] om dit bedrag aan [geïntimeerde] terug te betalen;

laat [appellant] toe tot de levering van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] het tegenover [geïntimeerde] heeft doen voorkomen alsof de transactie waarvoor [geïntimeerde] geld ter beschikking heeft gesteld legaal was en de investering (nagenoeg) zonder risico’s was en dat [appellant] hem daarbij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven met betrekking tot de wijze waarop de fondsen op naam van [appellant] zouden zijn komen te staan;

bepaalt, voor het geval partijen (tegen)bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. R.J.M. Cremers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's‑Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op woensdagen en vrijdagen in de periode van vier tot twaalf weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat partijen tevoren overleg plegen over het aantal en de persoon van de getuigen dat tegen deze datum zal worden opgeroepen en de volgorde waarin de getuigen zullen worden voorgebracht;

bepaalt dat de advocaten van partijen tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Y.L.L.A.M Delfos-Roy en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 mei 2015.

griffier rolraadsheer