Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1725

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
20-000029-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7087, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van één overval en twee pogingen daartoe. In eerste aanleg is aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar opgelegd.

Het hof heeft het vonnis bevestigd met uitzondering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van een vleesmes en een bivakmuts. Het hof heeft deze voorwerpen verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000029-14

Uitspraak : 13 mei 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2013 in de strafzaak met parketnummer 01-839568-13 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de onder 2., 5. en 6. ten laste gelegde feiten en terzake van:

1. afpersing;

3. poging tot afpersing;

4. poging tot afpersing,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte ter zake van de onder 1., 2., 3., 4., 5. en 6. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 289,00, met toepassing van de schadevergoedings-maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.438,52, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.338,35, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- het in beslag genomen vleesmes en de in beslag genomen bivakmuts zal onttrekken aan het verkeer;

- de overige in beslag genomen voorwerpen zal teruggeven aan de verdachte.

De verdediging heeft – zo verstaat het hof – primair bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken, subsidiair – voor het geval het hof toch tot enige bewezenverklaring zou komen – dat een lagere straf zal worden opgelegd dan in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust,

met uitzondering van:

- de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de in het vonnis vermelde in beslag genomen voorwerpen en de daarbij behorende motivering;

- de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen,

en met dien verstande dat:

- het hof aan het beroepen vonnis de hierna opgenomen overwegingen ten aanzien van de vrijspraken van de feiten 2, 5 en 6 toevoegt;

- het hof de bewijsvoering verbetert in voege als na te melden;

- het hof aan de bewijsvoering de hierna opgenomen bewijsoverwegingen toevoegt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 2., 5. en 6. ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt als volgt.

De enige omstandigheden die op betrokkenheid van de verdachte bij voormelde feiten duiden, zoals die uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen naar voren komen, bestaan in feite hierin dat het signalement van de door getuigen beschreven dader overeenkomt met dat van verdachte en dat de werkwijze van die dader (de zogeheten “modus operandi”) op een aantal punten telkens (sterke) overeenkomsten vertoont.

Met de rechtbank acht het hof deze, in beginsel de verdachte belastende, omstandigheden echter onvoldoende specifiek om (uitsluitend) op grond daarvan tot bewezenverklaring van voormelde feiten te komen.

De omstandigheid dat op de dagen van de overval zoals onder 2. en onder 5. ten laste gelegd, een bordeauxrode Volvo is gesignaleerd, acht het hof onvoldoende om als bewijs te kunnen dienen.

Weliswaar betrof het op de dag van de onder 2. ten laste gelegde overval een matte bordeauxrode Volvo met een kenteken eindigend op [cijfers], hetgeen sterke gelijkenis vertoont met de Volvo waarin verdachte toentertijd reed, maar het tijdstip van die waarneming is circa 3 uur voor de overval gelegen, hetgeen het hof te verwijderd acht van het tijdstip van de overval om met enige zekerheid te kunnen vaststellen dat verdachte daarbij betrokken is geweest.

De op de dag van de onder 5. ten laste gelegde overval slechts enkele minuten voor het tijdstip van de overval gedane waarneming rept weliswaar van een oud model en bordeauxrode Volvo, maar niet van een matte kleur, integendeel, het is de getuige juist opgevallen dat oudere voertuigen meestal dof van kleur worden, maar dat dit bij de lak van deze Volvo niet het geval was. Derhalve kan het hof ook hier niet met zekerheid vaststellen dat de Volvo die de getuige heeft gezien daadwerkelijk de Volvo is waar verdachte in reed.

Bijgevolg zal het hof de door de eerste rechter gegeven vrijspraken bevestigen.

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is

gekomen, verbetering.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring mede te berusten op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – dat zijn lichaamslengte ongeveer 1.90 meter bedraagt.

Daarnaast elimineert het hof uit de in het beroepen vonnis gebezigde bewijsmiddelen de navolgende passages:

  1. pagina 9, vijfde tot en met de zevende regel, te weten: de woorden “Op de achterbank: een Scania jas (blauw gekleurd met rode bies horizontaal op de achterzijde, rood gekleurde binnenzijde van de kraag en rode horizontale biezen op voorzijde)”;

  2. pagina 14, zevende tot en met negende regel, te weten: de woorden “Op de achterbank: een Scania jas (blauw gekleurd met rode bies horizontaal op de achterzijde, rood gekleurde binnenzijde van de kraag en rode horizontale biezen op voorzijde)”.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(t.a.v. het onder 1. bewezen verklaarde:)

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd – zo verstaat het hof – dat de voor verdachte belastende verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en om die reden niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.

Met betrekking tot de verklaring van [getuige 1] heeft de raadsman erop gewezen dat deze getuige, toen hij van de verdachte te horen kreeg dat hij de onderhavige overval had gepleegd, in eerste instantie nog niet dacht dat deze de waarheid vertelde, maar dat later pas, nadat hij de betreffende camerabeelden bij het TV-programma “Opsporing Verzocht” had gezien, bij hem het idee opkwam dat de overvaller de verdachte was.

Met betrekking tot de verklaring van [getuige 2] heeft de raadsman erop gewezen dat deze getuige weliswaar bij de politie heeft verklaard dat hij de beelden van de onderhavige overval op internet (bestaande uit een fragment van 15 seconden) heeft bekeken en de verdachte meteen herkende als de dader, maar dat hij, nadat hem door de rechter-commissaris een groter deel van de beelden waren getoond, tegenover deze rechter-commissaris heeft verklaard de verdachte juist niet te herkennen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hetgeen de raadsman ten aanzien van de getuigenverklaring van [getuige 1] heeft aangevoerd, is voor het hof geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [getuige 1] de verdachte in strijd met de waarheid zou willen belasten of dat hij in strijd met de waarheid zou hebben verklaard.

Met betrekking tot hetgeen de raadsman ten aanzien van de verklaring van [getuige 2] heeft aangevoerd sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Het hof hecht meer waarde aan de door laatstgenoemde tegenover de politie op 25 juni 2013 afgelegde verklaring, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de gewraakte verklaring in strijd met de waarheid zou zijn afgelegd.

De gewraakte verklaringen, voor zover gebezigd tot het bewijs, zijn in de kern consistent en vinden in voldoende mate steun in de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Het hof bezigt deze verklaringen dan ook tot het bewijs, zodat het verweer wordt verworpen.

(t.a.v. het onder 4. bewezen verklaarde:)

a.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de voor verdachte belastende verklaring van de getuige [benadeelde 2] onbetrouwbaar is en om die reden niet tot het bewijs mag worden gebezigd. Ter adstructie daarvan is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de getuige:

- heeft verklaard dat de bivakmuts van de overvaller grijs was, terwijl de onder verdachte aangetroffen bivakmuts zwart van kleur is;

- heeft verklaard dat de overvaller ongeveer 1.80 meter lang was, terwijl de verdachte ongeveer 1.90 meter is;

- heeft verklaard dat hij nooit in Roermond is geweest voor deze zaak en dat hij de tweede keer thuis is gehoord, welk verhoor volgens hem niet is opgenomen, terwijl op pagina 247 van het politiedossier staat vermeld dat de betrokken verbalisanten de getuige in Roermond hebben gehoord en dat het verhoor auditief is opgenomen;

- tegenover de politie heeft verklaard dat de overvaller, nadat hij de zaak had verlaten, ter hoogte van pandnummer 9 zijn bivakmuts omhoog deed, terwijl hij later bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat dit niet gebeurde ter hoogte van pandnummer 9, maar ter hoogte van pandnummer 10a;

- tegenover de politie heeft verklaard dat hij zag dat het haar dat onder de muts van de overvaller uitstak bruin van kleur was, terwijl hij tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij zag dat dit haar donkerblond van kleur was.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof vermag niet in te zien dat de gewraakte verklaringen reeds vanwege de door de raadsman aangehaalde inconsistenties onbetrouwbaar zouden zijn. Weliswaar bevatten bedoelde verklaringen enige verschillen op ondergeschikte detailpunten, maar het hof is van oordeel dat zij, voor zover gebezigd tot het bewijs, in de kern consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Het hof bezigt deze verklaringen dan ook tot het bewijs, zodat het verweer wordt verworpen.

b.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat door de politie DNA-materiaal is aangetroffen op een op de plaats van het delict door de dader achtergelaten plastic draagtas. Voorts blijkt daaruit dat het uit - op de handvatten van de tas - aangetroffen DNA-spoor verkregen DNA-profiel door het NFI is vergeleken met de DNA-profielen opgenomen in de Nederlandse DNA-databank en dat bij deze vergelijking een match werd gevonden met een in de databank opgenomen DNA-profiel van de verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig ander persoon matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard1.

De verdachte heeft ontkend bij de onderhavige overval betrokken te zijn geweest, maar heeft, hoewel daartoe op de terechtzitting in hoger beroep door het hof uitdrukkelijk uitgenodigd, voor voormelde omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Het hof betrekt zulks bij de waardering van het voorhanden zijnde bewijs.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, blijkens het onderzoek ter terechtzitting aan de verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 vleesmes (Premium);

- 1 zwarte bivakmuts.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 13 mei 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknr. 2013.06.25.022, d.d. 17 juni 2013, opgemaakt door Ing. A.L.W. Janssen-Peeters, NFI-deskundige forensisch DNA-onderzoek, met bijlage (p. 263-265 van het proces-verbaal met nr. BVH 2013033975), zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 4 Wetboek van Strafvordering.