Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1696

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
02-03-2016
Zaaknummer
HD200.148.947_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2016
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:136
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:732
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1349
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

benoeming deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.148.947/01

arrest van 12 mei 2015

in de zaak van

Akkerbouwbedrijf [akkerbouwbedrijf],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

tegen

[Uien] Uien B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 1 juli 2014 en 20 januari 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer 02/246940/HA ZA 12-191 gewezen vonnis van 12 februari 2014.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 januari 2015;

  • -

    de akte uitlaten deskundige van 3 februari 2015 van [appellante] ;

  • -

    de akte na tussenarrest van 3 maart 2015 van [geïntimeerde] met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

9.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk geoordeeld, een aantal aan de deskundige(n) te stellen vragen geformuleerd en partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over aantal, deskundigheid en – bij voorkeur eensluidend – over de persoon van de te benoemden deskundige(n). Daarnaast konden partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

9.2.1.

[appellante] heeft gesteld dat met één deskundige volstaan kan worden. Zij heeft voorgesteld de heer [deskundige 1] , werkzaam bij Proefboerderij Rusthoeve te [vestigingsplaats] , als deskundige te benoemen. [appellante] kan zich vinden in de door het hof geformuleerde vragen.

9.2.2.

[geïntimeerde] heeft gewezen op een e-mail van 15 november 2011 (prod. 3 cva) waarin volgens haar is afgesproken dat de uien voor rekening en risico van [appellante] geëxporteerd werden. Zij heeft voorts gesteld dat [appellante] op grond van de voorwaarden contract roze uien oogst 2011 als teler Global Gap gecertificeerd dient te zijn en een teeltregistratie dient bij te houden. Volgens [geïntimeerde] heeft zij de gele uien van [appellante] om dezelfde reden afgekeurd als de problemen met de roze uien. [appellante] heeft teveel kunstmest gebruikt waardoor de uien gevoelig werden voor infecties en de slechte rooiomstandigheden hebben dit versterkt, aldus [geïntimeerde] .

Verder heeft [geïntimeerde] voorgesteld in aanvulling op de door het hof geformuleerde vragen nog een aantal vragen aan de deskundige te stellen, kort gezegd betrekking hebbend op Global Gap certificering, teeltregistratie, rooiomstandigheden, de oogst van gele uien in 2011 en of toen de regio van [appellante] een koprotseizoen was.

[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [appellante] voorgestelde deskundige [deskundige 1] , omdat [deskundige 1] volgens [geïntimeerde] nauw heeft samengewerkt met [deskundige 2] , die in opdracht van [appellante] heeft gerapporteerd. [geïntimeerde] heeft voorgesteld als deskundige te benoemen ir. C.L.M. de Visser, werkzaam bij PPO [vestigingsplaats] en verbonden aan de Universiteit Wageningen.

Ten slotte heeft [geïntimeerde] een artikel uit het blad Akker met betrekking tot de functionaliteit van de MDI en foto’s van uien, volgens [geïntimeerde] afkomstig van [appellante] , overgelegd.

9.2.3.

Het hof oordeelt als volgt.

In haar akte heeft [geïntimeerde] diverse punten aangevoerd die niet relevant zijn voor het thans door de deskundige uit te voeren onderzoek en die overigens ook niet vallen onder het in het tussenarrest onder r.o. 6.6.2 omschreven doel waarvoor partijen in de gelegenheid waren gesteld om een akte te nemen.

Bovendien komt [geïntimeerde] te laat met het punt van de Global Gap registratie en teeltregistratie van [appellante] . [geïntimeerde] heeft dit niet eerder aangevoerd. Het voor het eerst innemen van deze stelling in dit stadium, na gewisselde memories en zelfs pleidooi in hoger beroep, komt naar het oordeel van het hof in strijd met de goede procesorde. Het hof zal daarom aan deze stelling voorbij gaan.

9.2.4.

Om de hiervoor omschreven redenen zal het hof de door [geïntimeerde] voorgestelde vragen niet overnemen, met dien verstande dat in vraag 2 aan de deskundige zal worden gevraagd bij de beantwoording, indien mogelijk, ook de rooiomstandigheden bij [appellante] in het najaar 2011 te betrekken.

De vraag of het oogstseizoen 2011 in de regio van [appellante] een koprotseizoen was is naar het oordeel van het hof te algemeen aangezien dit geen betrekking heeft op de specifieke situatie bij [appellante] , en heeft bovendien naast de (beantwoording van de) vragen 1 en 2 geen toegevoegde waarde.

9.2.5.

Voor wat betreft de thans door [geïntimeerde] overgelegde producties (50 en 51) overweegt het hof het volgende.

[appellante] heeft nog niet op die producties kunnen reageren. Voor zover het productie 50 en bij productie 51 niet eerder overgelegde foto’s betreft krijgt [appellante] die gelegenheid desgewenst nog na het deskundigenonderzoek, maar zij zal hoe dan ook aan de deskundige haar reactie op de niet eerder overgelegde producties kenbaar kunnen maken onder gelijktijdige verzending van een afschrift daarvan aan mr. Bijloo. Meer in het bijzonder is voor wat betreft de overgelegde foto’s het volgende van belang. Als productie 51 heeft [geïntimeerde] aanzienlijk meer foto’s overgelegd (het hof telt er 78) dan de reeds in deze procedure (met name als productie 12 bij conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie; hierna cva/cve ) overgelegde foto’s. [geïntimeerde] heeft niet aangegeven welke foto’s eerder in de procedure zijn overgelegd en welke niet. Het is niet aan het hof om dat per foto te onderzoeken. Het hof verwijst hier kortheidshalve naar hetgeen hierna in r.o. 9.2.6 is overwogen met betrekking tot de als productie 51 overgelegde foto’s en de vraag of de deskundige bij zijn/haar onderzoek ook van die foto’s kan uitgaan.

9.2.6.

De deskundige kan bij het onderzoek uitgaan van de volgende foto’s:

* drie foto’s bij de e-mail van [geïntimeerde] aan [appellante] d.d. 15 november 2011 13.50 uur; prod. 7 cva/cve;

* twee foto’s in een verklaring van [getuige 1] ; prod. 8 [geïntimeerde] cva/cve;

* drie foto’s bij in Afrika opgemaakte expertise-rapporten; prod. 10 [geïntimeerde] cva/cve;

* één foto in een verklaring van [getuige 2] ; prod. 11 [geïntimeerde] cva/cve;

* 42 foto’s; prod. 12 [geïntimeerde] cva/cve;

* zes op 15 augustus 2011 gemaakte foto’s; prod. 6 [appellante] conclusie van antwoord in reconventie

* drie foto’s gehecht achter het rapport van [deskundige 2] van april 2014 onder het kopje “5) gekregen foto’s”; prod. 3 [appellante] memorie van grieven;

* tien foto’s achter het rapport van [getuige 3] en [getuige 4] d.d. 23 juli 2014; prod. 35 [geïntimeerde] memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel.

Daarnaast kan de deskundige bij zijn/haar onderzoek uitgaan van de als productie 51 overgelegde foto’s indien en voor zover [appellante] in haar reactie aan de deskundige inzake de niet eerder overgelegde foto’s (zie r.o. 9.2.5) met betrekking tot die foto’s heeft bevestigd dat die ook wat haar betreft zien op de in r.o. 6.1.15 van het tussenarrest van 20 januari 2015 genoemde, aan [afnemer] afgeleverde en eind 2011 naar Congo, Gabon, Kameroen en de Dominicaanse Republiek geëxporteerde uien die in de onderhavige procedure onderwerp van debat zijn.

9.2.7.

Partijen zijn het er over eens dat met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. Omdat zij niet eensluidend zijn omtrent de persoon van de te benoemen deskundige, heeft het hof bij de Universiteit Wageningen geïnformeerd naar een deskundige die de voorliggende vragen zou kunnen beantwoorden. Op grond van de daar verkregen informatie zal het hof als deskundige benoemen de heer ir. C.L.M. de Visser, verbonden aan PPO [vestigingsplaats] . Het enkele feit dat de heer de Visser door [geïntimeerde] is voorgesteld, maakt hem niet ongeschikt om het aan de orde zijnde onderzoek uit te voeren. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [geïntimeerde] heeft gesteld geen enkele band met de heer de Visser te hebben en dat zij noch haar advocaat contact met de heer de Visser hebben gehad, en voorts dat de door het hof ingewonnen informatie geen andere – voor deze specifieke vraagstelling geschikte – deskundige heeft opgeleverd.

9.2.8.

Het hof bepaalt dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

1. Met welk gebrek c.q. gebreken zijn de in deze zaak naar Congo, Gabon, Kameroen en de Dominicaanse Republiek geëxporteerde uien behept? Indien u dit niet met voldoende zekerheid kunt vaststellen, kunt u dan bepaalde gebreken uitsluiten?

2. Wat is naar uw mening de oorzaak van het gebrek/ de gebreken c.q. waar en wanneer is/zijn volgens u het gebrek/de gebreken ontstaan? Meer in het bijzonder is daarbij relevant of het gebrek/de gebreken “op het veld” (tijdens de teelt) is/zijn ontstaan of tijdens/door de wijze van bewaring van de uien, nadat ze waren geoogst. Wilt u, indien mogelijk, bij uw antwoord ook betrekken de rooiomstandigheden bij [appellante] in het najaar 2011?

3. Is het mogelijk dat, indien sprake is van een infectie, de infectering altijd en onvermijdelijk tijdens de teelt plaatsvindt, maar dat dat geen gebrek oplevert in het geval de uien op juiste wijze worden opgeslagen/bewaard?

4. Welke invloed heeft de wijze van opslag/bewaring op geoogste uien? Wilt u hierbij betrekken het geval waarin sprake is van vocht in de opslag?

5. Is naar uw mening de in dit geval voor de bewaring gebruikte MDI een verantwoorde wijze van bewaring? Is het mogelijk dat continue ventilatie ook toename van vocht met zich meebrengt? Is het mogelijk dat hemelwater dat neerkwam op het erf waarop deze MDI stond opgesteld, is afgestroomd naar en in de MDI? Indien ja, welke invloed heeft dat dan op de in de MDI opgeslagen uien?

6. Is de in dit geval gebruikte MDI in kwalitatief opzicht van gelijke waarde als een geïsoleerde bewaarplaats?

7. Maakt het voor (de mate van zekerheid bij) de beantwoording van de voorgaande vragen uit dat u de desbetreffende partijen uien aan de hand van foto’s (zie r.o. 9.2.6) hebt moeten beoordelen?

8. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

9.3.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

10 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

10.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 9.2.8 van dit arrest geformuleerde vragen;

10.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

de heer ir. C.L.M. de Visser

PPO [vestigingsplaats]

Postbus [postbusnummer]

[postcode] [vestigingsplaats]

Tel. [telefoonnummer]

10.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

10.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

10.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 1.190,-- incl. btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [geïntimeerde] genoemd voorschot van € 1.190,--, zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

5.6.

benoemt mr. M.A. Wabeke tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

5.7.

verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2015 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [geïntimeerde] ;

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M.A. Wabeke en I. Giesen

en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2015.

griffier rolraadsheer