Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
HD200.141.990_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur- en onderhoudsovereenkomst van print- en kopieerapparatuur. Algemene voorwaarden van beide partijen toepasselijk verklaard. Artikel 6:225 lid 3 BW in dit geval niet van toepassing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.141.990/01

arrest van 12 mei 2015

in de zaak van

[Groep B.V.] Groep B.V.,

tevens h.o.d.n. [onderdeel 1 van Groep B.V.] en [onderdeel 2 van Groep B.V.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellant],

advocaat: mr. B. Poort te Eindhoven,

tegen:

[naam onderneming] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

verder: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.F.G. Mulders te Zaltbommel,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 februari 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 13 november 2013 tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 774391 CV EXPL 13-3277)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 10 februari 2014 met grieven;

- de conclusie van eis van [appellant] van 18 februari 2014;

- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel van [geïntimeerde] met een productie en eiswijziging;

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel van [appellant] van 27 mei 2014.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Voor zover [appellant] in haar memorie van antwoord in het incidenteel appel nader ingaat op het principaal appel laat het hof dit buiten beschouwing.

3. De gronden van het hoger beroep

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de inhoud van de acht grieven van [appellant] in het principaal appel en de grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel verwijst het hof naar de desbetreffende memories van grieven.

4 De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

4.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis van 13 november 2013 onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Kortheidshalve verwijst het hof naar deze weergave van de feiten.

4.2

Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende.

  1. [geïntimeerde] drijft een onderneming die zich onder meer bezighoudt met verkoop, verhuur en onderhoud van kopieermachines. [appellant] is een holding met werkmaatschappijen op het gebied van onder meer management en dienstverlening.

  2. Op 28 januari 2002 is tussen (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde] en [management support] Management Support BV (verder in navolging van partijen aangeduid als Consultants) een eerste huurovereenkomst met onderhoudsovereenkomst gesloten betreffende een aantal kopieer- en printapparaten. In een hierbij behorend aanhangsel hebben partijen opgenomen dat de algemene voorwaarden van beide partijen van toepassing zijn, met uitzondering van een aantal expliciet vermelde bepalingen uit de algemene voorwaarden van Consultants. Consultants maakt(e) deel uit van [appellant].

  3. Op 17 november 2006 is tussen deze partijen een nieuwe huurovereenkomst met onderhoudsovereenkomst voor kopieer- en printerapparaten gesloten, waarbij als wederpartij van [geïntimeerde] naast Consultants tevens [appellant] is opgenomen. In deze overeenkomsten wordt verwezen naar de algemene voorwaarden van [geïntimeerde]. In de onderhoudsovereenkomst is vermeld dat het eerdere contract komt te vervallen per levering van de nieuwe machines. Daarnaast is hierin vermeld: “Tevens zijn alg. inkoopvoorwaarden van [appellant] van toepassing incl. betalingstermijn”.

  4. Bij e-mail van 21 december 2009 heeft Consultants aan [geïntimeerde] laten weten dat tot beëindiging van het contract zou worden overgegaan wanneer de klachten over het functioneren van de gehuurde apparatuur op kort termijn niet zouden worden opgelost.

  5. Bij brief van 15 april 2010 heeft Consultants vanwege de storingen aan de apparatuur en het niet (voldoende) oplossen daarvan door [geïntimeerde] het contract met [geïntimeerde] opgezegd. De facturen van [geïntimeerde] heeft Consultants voldaan tot 15 juli 2010, dat wil zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden overeenkomstig artikel 12 van haar algemene voorwaarden. Daarna heeft Consultants geen facturen van [geïntimeerde] meer betaald.

  6. Op 12 maart 2012 is Consultants in staat van faillissement verklaard. [geïntimeerde] heeft zich daarna tot [appellant] gewend om betaling te verkrijgen van de facturen over de periode na 15 juli 2010. [appellant] heeft geen betalingen verricht.

4.3

In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat [appellant] als medehuurder dan wel borgsteller gehouden is de onbetaald gebleven facturen te voldoen. Volgens [geïntimeerde] zijn de overeenkomsten niet rechtsgeldig opgezegd aangezien tussentijdse beëindiging ervan is uitgesloten in haar toepasselijke algemene voorwaarden.

Op grond hiervan vorderde [geïntimeerde] in eerste aanleg, samengevat, een verklaring voor recht dat de overeenkomsten niet zijn beëindigd en worden verlengd tot 1 februari 2019, vernietiging van de algemene voorwaarden van Consultants en/of [appellant] en veroordeling van [appellant] tot betaling van achterstallige en nog te vervallen termijnen met rente, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

[appellant] heeft deze vorderingen bestreden.

4.4

De kantonrechter heeft in het vonnis van 13 november 2013 geoordeeld dat Consultants de (samen genomen) huur- en onderhoudsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd of ontbonden en dat een beroep van [appellant] op de verjaringstermijn in de algemene voorwaarden van Consultants niet opgaat. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen tot, kort gezegd, betaling van achterstallige termijnen tot en met 31 december 2012 ten bedrage van € 67.942,23, vermeerderd met de contractuele rente en € 1.500,= aan buitengerechtelijke incassokosten, en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Voor het overige zijn de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

4.5

De grieven van [appellant] in het principaal appel richten zich tegen deze toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde]. Deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De grief van [geïntimeerde] en het petitum van de memorie van grieven in het incidenteel appel betreffen een vermeerdering van eis. In hoger beroep vordert [geïntimeerde] naast de toegewezen termijnen tot en met 31 december 2012 tevens de daarop volgende termijnen tot en met 31 juli 2013, vermeerderd met rente (1), alsmede veroordeling van [appellant] tot het retourneren van de gehuurde apparaten binnen 14 dagen na dit arrest (2). Dit betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] voor zover deze in eerste aanleg zijn afgewezen, in dit hoger beroep niet langer aan de orde zijn.

4.6

[appellant] heeft zich op het standpunt dat zij geen partij is bij de huur- en onderhoudsovereenkomst en dat zij alleen in verband met financiering van de overeenkomst bij wijze van garantstelling heeft meegetekend. Ook indien dat laatste juist zou zijn, hetgeen [geïntimeerde] betwist, blijft staan dat de huur- en onderhoudsovereenkomst expliciet door zowel Consultants als [appellant] is aangegaan, zij het dat hun positie ten opzichte van [geïntimeerde] verschillend was. Uit hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht is duidelijk dat in de praktijk alleen Consultants als wederpartij optrad, de apparatuur onder zich heeft genomen, facturen ontving en betaalde en correspondentie voerde en dat de apparatuur alleen voor haar bedrijfsuitoefening bestemd was. [appellant] is ook eerst na het faillissement van Consultants door [geïntimeerde] als partij bij de huur- en onderhoudsovereenkomst benaderd. Bij deze stand van zaken dient de positie van [appellant] aldus begrepen te worden dat zij mede instond voor de nakoming van de verplichtingen die voor Consultants uit de overeenkomst voortvloeiden en dat zij daarnaast geen zelfstandige positie als huurder innam. Voor een andere oordeel bieden de over en weer gestelde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof geen grond.

4.7

Met betrekking tot de opzegbaarheid van de huur- en onderhoudsovereenkomst is de discussie tussen partijen terug te voeren op de vraag welke algemene voorwaarden op dit punt van toepassing zijn: die van [geïntimeerde], waarin tussentijdse opzegging is uitgesloten, of die van Consultants waarin de mogelijkheid van tussentijdse opzegging op een termijn van drie maanden is opgenomen.

4.8

In dit verband kan artikel 6:225 lid 3 BW van belang zijn. Daarin is bepaald dat wanneer aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden verwijzen aan de tweede verwijzing geen werking toekomt wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Wanneer in dit geval de verwijzing naar de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] wordt aangemerkt als de eerste verwijzing en de verwijzing naar de algemene voorwaarden van Consultants als tweede verwijzing, zou bij toepasselijkheid van deze bepaling aan de algemene voorwaarden van Consultants geen werking toekomen nu van een uitdrukkelijke afwijzing van die van [geïntimeerde] in de huur- en onderhoudsovereenkomst niet is gebleken.

4.9

Naar het oordeel van het hof mist deze bepaling in dit geval evenwel toepassing. De huur- en onderhoudsovereenkomst van 2006 is niet de eerste overeenkomst die tussen (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde] en Consultants is gesloten, maar volgt op een vergelijkbare overeenkomst uit 2002 en sluit daar op aan. Dat betekent dat voor de vraag of artikel 6:225 lid 3 BW in dit geval al dan niet van toepassing is ook het handelen van partijen met betrekking tot de algemene voorwaarden bij die overeenkomst in ogenschouw genomen dient te worden. Bij die overeenkomst hebben partijen in een afzonderlijk aanhangsel expliciet de toepasselijkheid van zowel de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] als die van Consultants geregeld, waarbij enkele bepalingen uit de algemene voorwaarden van Consultants buiten toepassing zijn verklaard. Dat laatste geldt niet voor de bepaling dat overeenkomsten tussentijds kunnen worden opgezegd, artikel 12 van de algemene voorwaarden van Consultants; deze bepaling is op die overeenkomst van toepassing gebleven. Tegen deze achtergrond dient de kwestie van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst van 2006 te worden bezien, nu nergens uit blijkt dat partijen daarbij hebben beoogd op dit punt een andere koers te gaan varen. Daarbij komt dat de vermelding van de algemene voorwaarden in de overeenkomst van 2006 niet een enkele standaardverwijzing betreft maar een expliciete verklaring van de kant van Consultants waar [geïntimeerde] op haar beurt mee akkoord is gegaan.

4.10

Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen [geïntimeerde] voor het overige naar voren heeft gebracht, gelet ook op de deze voorgeschiedenis, geen grond om artikel 12 van de algemene voorwaarden van Consultants buiten toepassing te laten, nog afgezien van het feit dat de daarop betrekking hebbende vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep niet langer aan de orde is.

4.11

Een en ander brengt het hof tot de slotsom dat Consultants zich ook bij de overeenkomst van 2006 in beginsel kan beroepen op de bepaling die haar de mogelijkheid biedt om tussentijds, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, op te zeggen zoals zij ook heeft gedaan zodat, in het verlengde daarvan, [appellant] alleen nog hoeft in te staan voor de nakoming van de verplichtingen die voor Consultants uit deze inmiddels opgezegde overeenkomst voortvloeiden.

4.12

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg bij conclusie van repliek aangevoerd dat de opzeggingsbrief haar niet heeft bereikt, hetgeen door [appellant] bij conclusie van dupliek overtuigend is bestreden, welke betwisting nadien door [geïntimeerde] niet genoegzaam is ontkracht, zodat het ervoor gehouden dient te worden dat zij de brief toen heeft ontvangen.

4.13

Door [geïntimeerde] is aangevoerd dat de opzegging van de huur- en onderhoudsovereenkomst door Consultants niet gerechtvaardigd was omdat [geïntimeerde] haar verplichtingen uit de huur- en onderhoudsovereenkomst jegens Consultants steeds is nagekomen. Naar het oordeel van het hof biedt die enkele stelling nog geen grondslag voor het verweer van [geïntimeerde] tegen toepassing van de opzeggingsbevoegdheid van Consultants. Dit is slechts anders indien zou moeten worden aangenomen dat het gebruik maken van de opzeggingsbepaling door Consultants naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou moet worden geoordeeld. Die situatie doet zich hier niet voor. Door [appellant] is met correspondentie en storingsrapporten genoegzaam aangetoond dat zich met betrekking tot het functioneren van de apparatuur over een langere periode storingen en onvolkomenheden hebben voorgedaan. De aankondiging in de e-mail van Consultants van 21 december 2009, hiervoor in 4.2 onder d) vermeld, getuigt hier ook van. Daar is naar het oordeel van het hof door [geïntimeerde] onvoldoende tegenover gesteld.

4.14

De slotsom is dat de vordering van [geïntimeerde], voor zover in eerste aanleg toegewezen, niet voor toewijzing in aanmerking komt zodat het vonnis van 13 november 2013 niet in stand kan blijven. De grieven van [appellant] in het principaal appel slagen; deze behoeven geen afzonderlijke bespreking.

4.15

Onderdeel (1) van de vordering van [geïntimeerde] zoals in hoger beroep vermeerderd, betreffende betaling van verdere termijnen, strandt eveneens op hetgeen hiervoor is geoordeeld. Wat betreft onderdeel (2), het retourneren van de apparatuur, overweegt het hof het volgende. Zoals in het vonnis onder 3.8 - onbestreden – is overwogen wijst de correspondentie die in eerste aanleg door [appellant] in het geding is gebracht er niet op dat Consultants of [appellant] de apparatuur niet wilde afgeven. Het ligt voor de hand dat de apparatuur na beëindiging van de huur- en onderhoudsovereenkomst naar [geïntimeerde] terug moest. Door [geïntimeerde] is evenwel niet onderbouwd dat op Consultants en/of [appellant] de verplichting rustte om de apparatuur bij haar terug te bezorgen, terwijl dat wel de strekking van haar vordering is. Nu uit niets blijkt dat Consultants en/of [appellant] op enig moment heeft geweigerd in te gaan op een initiatief van [geïntimeerde] om de apparatuur terug te halen, is voor toewijzing van die vordering geen grond zodat deze wordt afgewezen. De grief van [geïntimeerde] wordt verworpen.

Conclusie

4.16

De conclusie is dat het vonnis van 13 november 2013 wordt vernietigd, dat alle vorderingen van [geïntimeerde], voor zover in hoger beroep aan de orde, worden afgewezen en dat ook hetgeen [geïntimeerde] in hoger beroep bij vermeerdering van eis heeft gevorderd wordt afgewezen. [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis op 13 december 2013 heeft betaald.

[geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, met rente en nakosten als gevorderd door [appellant].

5 De uitspraak

Het hof:

in het principaal appel en in het incidenteel appel

vernietigt het vonnis van 13 november 2013 en, opnieuw rechtdoende:

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde], voor zover in dit hoger beroep aan de orde;

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen het bedrag van € 100.584,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 december 2013;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.200,= aan salaris gemachtigde in eerste aanleg, op € 81,44 aan kosten dagvaarding, € 5.114,= aan vast recht en € 2.632,= aan salaris advocaat in het principaal appel en op € 1.316,= aan salaris advocaat in het incidenteel appel,

deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening en wat betreft de nakosten met € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2015.

griffier rolraadsheer