Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1692

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
13-05-2015
Zaaknummer
HD200.136.496_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3661
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

koopovereenkomst schip (mijnenveger)

dwaling ivm asbest?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.496/01

arrest van 12 mei 2015

in de zaak van

[appellant] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats, domicilie gekozen hebbende te Haarlem,

appellant,

advocaat: mr. V.J.M.H.Y. van Haaster te Haarlem,

tegen

1 [geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr.drs. W.A. Koers te Leusden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 september 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/222224/HA ZA 11-5 gewezen vonnis van 26 juni 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 16 september 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 17 december 2014;

  • -

    de memorie na enquête van de zijde van [appellant] tevens akte overlegging producties;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerden c.s.]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst [geïntimeerden c.s.] [appellant] niet hebben medegedeeld dat in het schip asbest aanwezig was. [appellant] heeft daartoe zichzelf als getuige doen horen en mevrouw [geïntimeerde 2] (geïntimeerde 2). Het hof is van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in de bewijslevering. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6.2.

[appellant] is partij in het geding en belast met het leveren van bewijs. De door hem als getuige afgelegde verklaring kan daarom alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Dergelijk aanvullend bewijs is in dit geval niet voorhanden. Weliswaar heeft [appellant] bij memorie na enquête een verklaring in het geding gebracht van ‘Bootveiling’ en een verklaring van ‘Schepenkring’, maar de inhoud van die verklaringen ondersteunt niet de juistheid van hetgeen [appellant] als getuige heeft verklaard, maar is slechts bedoeld om hetgeen mevrouw [geïntimeerde 2] als getuige heeft verklaard te ontzenuwen. Uit die verklaringen kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerden c.s.] [appellant] niet hebben medegedeeld dat in het schip asbest aanwezig was. Daarmee beschikt [appellant] derhalve nog niet over aanvullend bewijs.

6.3.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep op dwaling faalt. Dat betekent dat het hof grief 1 verwerpt.

6.4.

Volgens [appellant] is de gevorderde nakoming van de overeenkomst door [geïntimeerden c.s.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De rechtbank heeft [appellant] niet gevolgd in dit betoog. [appellant] komt daartegen op met grief 2.

6.5.

[appellant] heeft in zijn toelichting op deze grief verwezen naar grief 1 en aangevoerd dat hij niet was ingelicht over het asbest. Vanwege het falen van grief 1, kan het hof [appellant] daarin niet volgen. Het hof is voorts van oordeel dat [appellant] onvoldoende andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om het beroep artikel 6:248 lid 2 BW te doen slagen. Immers, [appellant] stelt dat hij hoge kosten voor versleping en dergelijke heeft gemaakt, maar dat komt voor zijn risico. Na de eigendomsoverdracht was het risico immers op grond van artikel 4 van de koopovereenkomst overgegaan op [appellant]. [appellant] heeft niet, althans onvoldoende, gesteld waarom hij niet reeds bij het aangaan van de koopovereenkomst er rekening mee moest houden dat hij het schip (meermaals) zou moeten verslepen. Evenmin heeft [appellant] betwist dat [geïntimeerden c.s.] hem hebben gewaarschuwd dat het niet eenvoudig zou zijn een vergunning en een ligplaats voor het schip te krijgen. De stelling van [appellant] dat hij risico besparend te werk is gegaan door het schip voor € 1,- te verkopen, kan evenmin leiden tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerden c.s.] Niet valt in te zien waarom dat zou moeten leiden tot het oordeel dat het onaanvaardbaar is om [appellant] te houden aan hetgeen hij met [geïntimeerden c.s.] is overeengekomen. Het hof is dus van oordeel dat ook deze grief faalt.

6.6.

Grief 3 heeft betrekking op de toegewezen wettelijke rente. [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 13.700,- vermeerderd met de conform artikel 4 van de koopovereenkomst berekende wettelijke rente. [appellant] kan worden toegegeven dat in artikel 4 van de koopovereenkomst niets is bepaald over wettelijke rente. Dat heeft echter niet tot gevolg dat de wettelijke rente niet verschuldigd is. In artikel 4 van de overeenkomst zijn betaaltermijnen overeengekomen, zodat bij het uitblijven van betaling verzuim is ingetreden en op grond van de wet wettelijke rente verschuldigd is geworden. Duidelijk blijkt dat dit de bedoeling is van de gewraakte rechtsoverweging en hetgeen in het dictum daarover is opgenomen. In die zin dient het dictum te worden verstaan. Ook deze grief faalt dus.

6.7.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] worden begroot op € 299,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M. van Ham en M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2015.

griffier rolraadsheer