Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1689

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
23-11-2015
Zaaknummer
HD200.131.948_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aanneming van werk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.948/01

arrest van 12 mei 2015

in de zaak van

[appellante] Bouw B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] Bouw,

advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,

tegen

[geïntimeerde] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R. Arnoldus te Veghel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 januari 2015 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant onder zaaknummer 868037/12-12186 gewezen vonnis van 6 juni 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 januari 2015;

  • -

    de memorie na tussenarrest van [appellante] Bouw met twaalf producties (genummerd 24 tot en met 35);

  • -

    de antwoordmemorie na tussenarrest van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1. In het onderhavige geding vordert [geïntimeerde] in conventie, kort gezegd, betaling van een factuur. [appellante] Bouw heeft zich als verweer in conventie beroepen op opschorting en verrekening in verband met een door haar gestelde tegenvordering tot schadevergoeding in verband met tekortkomingen aan de zijde van [geïntimeerde] bij de uitvoering van werkzaamheden op zeven projecten. Ook de vordering in reconventie van [appellante] Bouw is hoofdzakelijk op deze gestelde tegenvordering gebaseerd.

6.1.2. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof, kort samengevat, als volgt geoordeeld:

 De werkzaamheden van [geïntimeerde] op de in geding zijnde zeven projecten moeten geacht worden door [appellante] Bouw te zijn aanvaard en aan [appellante] Bouw te zijn opgeleverd op de voet van artikel 7:758 lid 1 BW (rov. 3.7.1 tot en met 3.7.4).

 [geïntimeerde] is op de voet van artikel 7:758 lid 3 BW ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die [appellante] Bouw op het tijdstip van de oplevering van elk van de zeven projecten redelijkerwijs had moeten ontdekken (rov. 3.7.5.).

 Als [appellante] Bouw ter zake gebreken die ten tijde van de oplevering nog verborgen waren maar die in 2009 aan haar kenbaar waren, pas op 11 april 2012 heeft geklaagd, zijn haar aanspraken ter zake die gebreken vervallen omdat zij dan ter zake die gebreken niet binnen de in artikel 6:89 BW bedoelde bekwamt tijd heeft geprotesteerd (rov. 3.8.3.).

 De door [appellante] Bouw gestelde tegenvordering ter zake het project [D.] is op inhoudelijke gronden afgewezen en kan in dit hoger beroep niet meer aan de orde komen (rov. 3.9.2.). Hetzelfde geldt voor de gestelde tegenvordering ter zake een bij het project [B.] te veel in rekening gebrachte regenpijp (rov. 3.9.3). Beoordeeld moet dus nog slechts worden of [appellante] Bouw een vordering tot schadevergoeding heeft ter zake tekortkomingen van [geïntimeerde] bij de zes projecten die aan het slot van rov. 3.9.4 zijn opgesomd.

 Het hof zal [appellante] Bouw op een later moment in de procedure voor zoveel nodig toelaten om te bewijzen dat zij over na de oplevering aan de dag getreden gebreken binnen bekwame tijd heeft geklaagd bij [geïntimeerde] (rov. 3.8.4) en dat zij met [geïntimeerde] de in rov. 3.6.2 van het tussenarrest gestelde afspraken heeft gemaakt (rov. 3.6.4).

6.1.3. Het hof heeft verder geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellante] Bouw geen concreet en gespecificeerd bedrag aan schadevergoeding maar slechts schadevergoeding op te maken bij staat heeft gevorderd, een obstakel vormt voor een efficiënte behandeling van het geschil omdat de verweren die [geïntimeerde] heeft gevoerd zich niet goed in abstracto, los van concrete schadeposten, laten beoordelen. Het hof heeft de zaak daarom naar de rol verwezen voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellante] Bouw. Het hof heeft [appellante] Bouw opgedragen om bij deze memorie:

 gespecificeerd uiteen te zetten welke schade zij heeft geleden in verband met de door haar gestelde tekortkomingen van [geïntimeerde] op de zes projecten die aan het slot van rov. 3.9.4 zijn opgesomd;

 de gestelde schadeposten voor zoveel mogelijk te onderbouwen met facturen, betalingsbewijzen en eventuele andere bewijsstukken;

 daarbij tevens in te gaan op de verweren die [geïntimeerde] al heeft gevoerd met betrekking tot de gestelde schades op de zes genoemde projecten en uiteen te zetten waarom die verweren in haar visie niet opgaan;

 eventuele schadeposten die volgens [appellante] Bouw nog niet begroot kunnen worden, nauwkeurig te omschrijven en gemotiveerd aan te geven waarom die schadeposten nog niet begroot kunnen worden.

6.2.1. [appellante] Bouw heeft in haar memorie na tussenarrest drie van de zes projecten buiten beschouwing gelaten, namelijk de projecten [A.] , [B.] en [C.] .

Dit brengt mee dat de in rov. 3.2.4 van het tussenarrest van 20 januari 2015 onder 1 weergegeven verklaring voor recht niet toewijsbaar is voor zover betrekking hebbend op deze drie projecten. Ook de gevorderde veroordeling van [geïntimeerde] tot schadevergoeding op te maken bij staat is niet toewijsbaar voor zover betrekking hebbend op deze drie projecten.

6.2.2. [appellante] Bouw is in haar memorie na tussenarrest wel ingegaan op de drie resterende projecten:

  1. familie [X.] te [woonplaats 2] ;

  2. familie [Y.] te [woonplaats 2] ;

  3. familie [Z.] te [woonplaats 2] .

Het hof zal de stellingen van [appellante] Bouw over tekortkomingen van [geïntimeerde] bij deze drie projecten en over de daardoor veroorzaakte schade hieronder bespreken.

Met betrekking tot het project [Z.]

6.3.1. Het hof zal eerst het project [Z.] bespreken. Dit betreft de bouw van een nieuwbouwwoning door [appellante] Bouw voor de familie [Z.] , waarbij [geïntimeerde] als onderaannemer van [appellante] Bouw werkzaamheden heeft verricht. [appellante] Bouw heeft dienaangaande in haar memorie na tussenarrest drie schadeposten genoemd, die het hof hierna zal aanduiden als posten W1 tot en met W3:

W1 herstelwerkzaamheden plafond: € 530,25 (excl. btw);

W2 kosten kastjes badkamer: € 900,--;

W3 te verwachten kosten in verband met rioleringsproblemen: p.m.

6.3.2. Aan post W1 heeft [appellante] Bouw het volgende ten grondslag gelegd.

 De woning is in juli 2008 opgeleverd aan de familie [Z.] .

 De familie [Z.] heeft zich er in oktober 2008 over beklaagd dat er sprake was van een lekkage bij het plafond van de woonkamer.

 [appellante] Bouw heeft [geïntimeerde] erbij gehaald. Onderzoek wees toen uit dat de oorzaak van de lekkage was gelegen in een door [geïntimeerde] niet goed aangesloten hemelwaterafvoer, waardoor er water in de spouwmuur kon lopen.

 [appellante] Bouw heeft het plafond opnieuw geschilderd. De kosten daarvan hebben € 530,25 exclusief btw bedragen. Dit betreft gevolgschade die voor rekening van [geïntimeerde] komt.

Het hof begrijpt uit bijlage 1 bij productie 31 bij de memorie na tussenarrest van [appellante] Bouw dat het bedrag van € 530,25 is gebaseerd op 75,75 m2 tegen een bedrag van € 7,-- per m2.

6.3.3. [geïntimeerde] heeft betwist dat zij is ingelicht over lekkages bij het plafond van de familie [Z.] . Zij betwist dat zij een hemelwaterafvoer ondeugdelijk heeft aangesloten en ze voert verder aan dat ze nimmer in gebreke is gesteld.

6.3.4. Mede onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in rov. 6.1.2, vijfde gedachtestreepje, is overwogen, zal het hof [appellante] Bouw toelaten om te bewijzen:

 dat [geïntimeerde] een hemelwaterafvoer niet goed heeft aangesloten en dat als gevolg daarvan een lekkage is ontstaan aan het plafond in de woonkamer van de familie [Z.] ;

 dat [appellante] Bouw [geïntimeerde] daarover in het najaar van 2008 heeft ingelicht waarna deze partijen de oorzaak van de lekkage tezamen hebben onderzocht.

Als [appellante] Bouw in deze bewijslevering slaagt, is het bedrag van € 530,25 toewijsbaar. Er is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] de werkzaamheden zelf voor een lager bedrag had kunnen uitvoeren. Het beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling stuit daarop af.

6.3.5. Als [appellante] Bouw niet in de zojuist bedoelde bewijslevering slaagt, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming althans van het binnen bekwame tijd klagen over deze gestelde tekortkoming. Dan komt de vraag aan de orde of de partijen tijdens het in rov. 3.6.2 genoemde gesprek van 26 mei 2009 hebben afgesproken dat [appellante] Bouw de onderhavige kosten mocht verrekenen met de factuur van 30 april 2009. Het hof zal [appellante] Bouw ook toelaten om dat te bewijzen. Het hof zal elk verder oordeel over post W1 aanhouden.

6.3.6. Aan post W2 heeft [appellante] Bouw ten grondslag gelegd dat de familie [Z.] zich in oktober 2008 bij [appellante] Bouw beklaagde over een lekkage aan of bij het door [geïntimeerde] aangebrachte badmeubel. [appellante] Bouw stelt dat zij in verband daarmee twee kastjes van de badkamer heeft moeten vervangen en dat de kosten daarvan € 900,-- hebben bedragen. In het door [appellante] Bouw als prod. 31 bij de memorie na tussenarrest overgelegde kostenoverzicht staat dat deze lekkage niet bij de oplevering van de woning is ontdekt omdat pas na de oplevering bleek dat de siffons lekten. [appellante] Bouw heeft verder verwezen naar bijlage 2, punt B, bij het betreffende kostenoverzicht. Daarin staat “schade 2 kastjes badkamer (verzekering)” en daarbij is geschreven “waterschade”.

6.3.7. [geïntimeerde] heeft tegen post W2 meerdere verweren aangevoerd en onder meer betwist dat de gestelde kosten daadwerkelijk door [appellante] Bouw zijn gemaakt. Het hof overweegt dienaangaande dat [appellante] Bouw geen bewijsstuk heeft overgelegd waaruit af te leiden is dat het bedrag van € 900,-- voor twee nieuwe kastjes daadwerkelijk voor haar rekening is gekomen. De vermelding “verzekering” bij deze post op de genoemde bijlage 2 vormt in elk geval geen aanwijzing voor de juistheid van de stelling van [appellante] Bouw dat zij deze kosten heeft gedragen. De omstandigheid dat het bedrag van € 900,-- niet voorkomt op het als bijlage 1 bij productie 31 overgelegde kostenoverzicht d.d. 22 januari 2009 draagt ook niet bij aan het betoog van [appellante] Bouw. Evenmin heeft zij diengaangaande een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof concludeert dat niet is komen vast te staan dat het bedrag van € 900,-- voor de levering van twee nieuwe badkamerkastjes voor rekening van [appellante] Bouw is gekomen. Reeds om deze reden is post W2 niet toewijsbaar.

6.3.8. Ter onderbouwing van post W3 heeft [appellante] Bouw in haar memorie na tussenarrest aangevoerd dat er ten aanzien van de woning van de familie [Z.] sprake is van verstoppingsproblemen en dat de oorzaak daarvan waarschijnlijk ligt in de door [geïntimeerde] aangelegde riolering. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist. Een deskundigenrapport waaruit af te leiden is dat [geïntimeerde] tekort geschoten is in haar werkzaamheden bij de aanleg van de riolering is door [appellante] Bouw niet overgelegd en een concreet schadebedrag is door [appellante] Bouw niet genoemd. Evenmin heeft [appellante] Bouw in haar memorie na tussenarrest een steekhoudende reden genoemd waarom zij deze schadepost niet nader heeft kunnen onderbouwen. Het hof zal post W3 daarom afwijzen.

Met betrekking tot het project [Y.]

6.4.1. Het project [Y.] betreft de bouw van een nieuwbouwwoning door [appellante] Bouw voor de familie [Y.] , waarbij [geïntimeerde] als onderaannemer van [appellante] Bouw werkzaamheden heeft verricht. [appellante] Bouw heeft dienaangaande in haar memorie na tussenarrest op blz. 12 aanspraak gemaakt op vergoeding van drie schadeposten, die het hof hierna zal aanduiden als posten G1 tot en met G3:

G1 herstelkosten lekkage keuken: € 990,00 (exclusief btw);

G2 herstelkosten lekkage riolering: € 440,00 (exclusief btw);

G3 factuur van 22 mei 2010 € 206,16 (exclusief btw).

6.4.2. Aan post G1 heeft [appellante] Bouw het volgende ten grondslag gelegd:

 De woning is in december 2008 aan de familie [Y.] opgeleverd.

 In januari 2009 maakte de familie [Y.] bij [appellante] Bouw melding van een lekkage in het plafond van de keuken.

 [appellante] Bouw heeft tezamen met [geïntimeerde] de situatie ter plaatse opgenomen. Omdat zij het vermoeden hadden dat er sprake was van een lekkage in de verwarmingsbuizen die door het plafond liepen, heeft [appellante] Bouw het plafond opengebroken. Er bleek toen inderdaad een lekkage in de verwarmingsbuizen aanwezig. [geïntimeerde] heeft die lekkage hersteld, waarna [appellante] Bouw het plafond weer heeft hersteld.

6.4.3. [geïntimeerde] heeft deze gang van zaken niet betwist. Het hof acht post G1 daarom toewijsbaar. [appellante] Bouw heeft het bedrag van € 990,-- op inzichtelijke wijze gespecificeerd en [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij de werkzaamheden voor het openbreken en nadien weer herstellen van het plafond zelf voor een lager bedrag had kunnen laten verrichten. Het betoog van [geïntimeerde] dat zij niet in gebreke is gesteld stuit hierop af. Kennelijk heeft [geïntimeerde] ermee ingestemd dat [appellante] Bouw die werkzaamheden zou uitvoeren. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat in dat verband is overeengekomen dat [appellante] Bouw die kosten, die verband hielden met een tekortkoming van [geïntimeerde] in de uitvoering van haar werkzaamheden, niet op [geïntimeerde] zou mogen verhalen.

6.4.4. Aan de posten G2 en G3 heeft [appellante] Bouw het volgende ten grondslag gelegd:

 In mei 2010 maakte [Y.] bij [appellante] Bouw melding van een lekkage in de kelder.

 [appellante] Bouw heeft toen tezamen met [geïntimeerde] de situatie ter plaatse opgenomen. Het vermoeden bestond dat de oorzaak van de lekkage bij de riolering te vinden was. Om bij deze lekkage te komen heeft [appellante] Bouw aan de buitenzijde van de woning bestrating weggehaald, een gat gegraven en een gat in de buitenmuur geslagen. Nadat [geïntimeerde] de lekkage had hersteld, heeft [appellante] Bouw de buitenmuur en de bestrating weer hersteld.

 Met de in totaal door [appellante] Bouw bestede uren is een bedrag van € 440,-- excl. btw gemoeid.

 [geïntimeerde] heeft voor het door haar uitgevoerde herstelwerk bij factuur van 22 mei 2010 € 206,16 exclusief btw aan [appellante] Bouw in rekening gebracht. [appellante] Bouw heeft dat bedrag ten onrechte betaald. Omdat de herstelwerkzaamheden het gevolg waren van eerder ondeugdelijk door [geïntimeerde] verricht werk, moet [geïntimeerde] het bedrag van € 206,16 exclusief btw aan [appellante] Bouw terugbetalen.

6.4.5. [geïntimeerde] heeft met betrekking tot de posten G2 en G3 onder meer aangevoerd dat de genoemde herstelwerkzaamheden niet het gevolg zijn van enige tekortkoming van [geïntimeerde] bij de uitvoering van de overeenkomst van onderaanneming.

6.4.6. Het hof zal de schadeposten G2 en G3, die tezamen € 646,46 exclusief btw belopen, afwijzen omdat [appellante] Bouw in haar memorie na deskundigenbericht niet op voldoende duidelijke en concrete wijze uiteen heeft gezet in welk opzicht [geïntimeerde] ten aanzien van de riolering bij [Y.] tekort geschoten is bij de uitvoering van de oorspronkelijke overeenkomst. De enkele omstandigheid dat op enig moment een lekkage is geconstateerd in de in de grond gelegen leidingen nabij de buitenmuur van de woning, is daarvoor onvoldoende.

6.4.7. [appellante] Bouw heeft bij randnummer 41 van haar memorie na deskundigenbericht nog melding gemaakt van een factuur d.d. 26 april 2009 ten bedrage van € 155,93 exclusief btw. [appellante] Bouw heeft dat bedrag echter niet opgenomen in haar schade-opstelling op blz. 12 van die memorie, zodat deze factuur verder geen bespreking behoeft.

Met betrekking tot het project [X.]

6.5.1. Het project [X.] betreft de bouw van een nieuwbouwwoning door [appellante] Bouw voor de familie [X.] , waarbij [geïntimeerde] als onderaannemer van [appellante] Bouw werkzaamheden heeft verricht. [appellante] Bouw heeft dienaangaande in haar memorie na tussenarrest op blz. 10 aanspraak gemaakt op vergoeding van negen schadeposten, die het hof hierna zal aanduiden als posten E1 tot en met E9 (alle genoemde bedragen zijn exclusief btw):

E1 herstelkosten badkamer 1e keer € 280,00;

E2 herstelkosten badkamer 2e keer € 1.268,50;

E3 toilet begane grond 1e keer € 473,24

E4 toilet begane grond 2e keer € 885,85

E5 toilet begane grond 3e keer € 760,00.

E6 onderzoekskosten [deskundige] € 578,75

E7 herstelkosten riolering € 13.917,77

E8 overige kosten € 1.831,49

E9 te verwachten kosten p.m.

6.5.2. Het hof zal schadepost E1 toewijzen. [geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd betwist dat [X.] in september 2008 (twee maanden na de oplevering van de woning) melding heeft gemaakt van een lekkage bij de badkamermuur, dat [appellante] Bouw en [geïntimeerde] toen samen ter plaatse zijn geweest, dat [appellante] Bouw de muur heeft opengehakt waarna [geïntimeerde] de lekkage aan de door haar aangelegde waterleiding heeft hersteld en dat [appellante] Bouw vervolgens de badkamermuur heeft hersteld en opnieuw gestukt. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [appellante] Bouw te laat heeft geklaagd of dat [geïntimeerde] niet in gebreke is gesteld. [appellante] Bouw heeft het bedrag van € 280,00 op inzichtelijke wijze gespecificeerd in prod. 24 bij haar memorie na tussenarrest en [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij de werkzaamheden voor het openbreken en nadien weer herstellen van de badkamermuur voor een lager bedrag had kunnen laten verrichten. Kennelijk heeft [geïntimeerde] ermee ingestemd dat [appellante] Bouw die werkzaamheden zou uitvoeren. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat in dat verband is overeengekomen dat [appellante] Bouw die kosten, die verband hielden met een tekortkoming van [geïntimeerde] in de uitvoering van haar werkzaamheden, niet op [geïntimeerde] zou mogen verhalen.

6.5.3. Met betrekking tot schadepost E2 zal het hof [appellante] Bouw toelaten om te bewijzen:

 dat [geïntimeerde] de draingoot in de badkamer niet goed heeft aangesloten;

 dat dit in december 2009 door [appellante] Bouw en [geïntimeerde] gezamenlijk is geconstateerd naar aanleiding van klachten van [X.] over lekkageproblemen.

Als [appellante] Bouw in deze bewijslevering slaagt, gaan de verweren van [geïntimeerde] dat er te laat is geklaagd en dat zij niet in gebreke is gesteld niet op. Als [appellante] Bouw niet in de zojuist bedoelde bewijslevering slaagt, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming althans van het binnen bekwame tijd klagen over deze gestelde tekortkoming. Schadepost E2 is dan niet toewijsbaar. Ten tijde van het in rov. 3.6.2 genoemde gesprek van 26 mei 2009 was deze pas in december 2009 beweerdelijk gerezen schadepost nog niet aan de orde. Het hof zal elk verder oordeel over post E2 aanhouden.

6.5.4. Met betrekking tot de schadeposten E3, E4 en E5 heeft [appellante] Bouw zeer kort samengevat aangevoerd dat zij medio oktober 2008 (1e keer), omstreeks eind november / begin december 2009 (2e keer) en medio februari 2010 (3e keer) samen met [geïntimeerde] bij [X.] is geweest in verband met klachten van [X.] over lekkages bij het toilet op de begane grond. Volgens [appellante] Bouw zijn bij die gelegenheden werkzaamheden uitgevoerd die noodzakelijk waren door tekortkomingen van [geïntimeerde] in de uitvoering van haar werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist. Volgens haar is er geen sprake van dat zij de woning van de familie [X.] heeft bezocht in verband met lekkages bij het toilet op de begane grond. Ook betwist [geïntimeerde] dat zij het betreffende leidingwerk gebrekkig heeft geïnstalleerd.

6.5.5. Het hof zal [appellante] Bouw in verband met deze posten (E3, E4 en E5) toelaten om te bewijzen:

 dat [geïntimeerde] leidingwerk bij het toilet op de begane grond niet goed heeft uitgevoerd en dat daardoor lekkages zijn opgetreden;

 dat dit op een of meer van de drie door [appellante] Bouw gestelde momenten door [appellante] Bouw en [geïntimeerde] gezamenlijk is geconstateerd naar aanleiding van klachten van [X.] over lekkageproblemen bij het toilet op de begane grond en dat [appellante] Bouw toen de door haar gestelde herstelkosten heeft gemaakt.

Als [appellante] Bouw in deze bewijslevering slaagt, gaan de verweren van [geïntimeerde] dat er te laat is geklaagd en dat zij niet in gebreke is gesteld niet op.

6.5.6. Als [appellante] Bouw niet in de zojuist bedoelde bewijslevering slaagt, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming althans van het binnen bekwame tijd klagen over deze gestelde tekortkoming. Dan komt de vraag aan de orde of de partijen tijdens het in rov. 3.6.2 genoemde gesprek van 26 mei 2009 hebben afgesproken dat [appellante] Bouw de herstelkosten die [appellante] Bouw in verband met de problemen bij het toilet had gemaakt en moest maken, mocht verrekenen met de factuur van 30 april 2009. Het hof zal [appellante] Bouw ook toelaten om dat te bewijzen. Het hof zal elk verder oordeel over de posten E3, E4 en E5 aanhouden.

6.5.6. De schadeposten E6 en E7 zijn gebaseerd op de stelling van [appellante] Bouw dat [geïntimeerde] de riolering onder de woning van [X.] onjuist heeft aangelegd (met afschot naar de woning toe in plaats van met afschot naar het gemeenteriool toe). [geïntimeerde] heeft reeds in eerste aanleg en ook bij memorie van antwoord in hoger beroep (randnummer 7) gemotiveerd betwist dat zij het riool met een onjuist afschot heeft aangelegd. [geïntimeerde] heeft daarbij uiteengezet dat de riooluitgang van de woning hoger ligt dan het riool in de straat, dat zij de rioolleiding van de woning naar het openbare riool wel degelijk met het juiste afschot heeft aangelegd en dat het tegendeel ook niet mogelijk is gelet op het hoogteverschil tussen het riool onder de woning en het riool onder de straat. Hoewel het hof [appellante] Bouw heeft verzocht om in haar memorie na tussenarrest in te gaan op de verweren van [geïntimeerde] en uiteen te zetten waarom die verweren in haar visie niet opgaan, is [appellante] Bouw in het geheel niet op dit verweer van [geïntimeerde] ingegaan. Ook heeft [appellante] Bouw geen enkele bewijsstuk (zoals bijvoorbeeld een rapport van een deskundige) overgelegd waaruit op te maken is dat de rioolleiding door [geïntimeerde] met een onjuist afschot is aangelegd. Een gespecificeerd aanbod om dit door middel van getuigen te bewijzen heeft [appellante] Bouw ook niet gedaan. Het hof concludeert dat deze gestelde tekortkoming niet is komen vast te staan. De schadeposten E6 en E7 zijn reeds om deze reden niet toewijsbaar.

6.5.7. Daarnaast kan schadepost E7 ook om een tweede reden niet worden toegewezen. Het bij schadepost E7 genoemde bedrag is gebaseerd op een offerte die [bouwvbedrijf] B.V. aan [appellante] Bouw heeft uitgebracht voor het uitvoeren van werkzaamheden aan de riolering. [appellante] Bouw heeft echter zelf gesteld dat zij de betreffende opdracht niet aan [bouwvbedrijf] B.V. heeft gegund, maar de werkzaamheden in eigen beheer heeft uitgevoerd. Hoeveel kosten daarmee voor [appellante] Bouw gemoeid zijn geweest (hoeveel uren, welk uurloon, welke materialen) is door [appellante] Bouw in het geheel niet gesteld. [appellante] Bouw heeft daarmee niet voldaan aan de opdracht van het hof om haar schade zoveel mogelijk te specificeren en te onderbouwen. Ook om deze reden is schadepost E7 niet toewijsbaar. Het hof ziet geen aanleiding om de schade te schatten, aangezien hiervoor in rov. 6.5.6 al is geoordeeld dat de post ook om een andere reden niet toewijsbaar is.

6.5.8. Schadepost E8 valt uiteen in een aantal deelposten. Daarvan is de post ter zake het texen van de regenpijp niet toewijsbaar om de in rov. 3.8.3 van het tussenarrest van 20 januari 2015 genoemde reden. Hetzelfde geldt voor de post ter zake het alsnog aanbrengen van een warmte-aansluiting in de garage. Ter zake de vloerverwarming heeft [geïntimeerde] uitdrukkelijk betwist dat zij tekort geschoten is. [appellante] Bouw heeft dienaangaande geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat die deelpost niet toewijsbaar is. Hetzelfde geldt met betrekking tot de beweerdelijke lekkages aan de CV-ketel. Die kwestie stuit bovendien af op hetgeen is overwogen in rov. 3.8.3 van het tussenarrest. Hetzelfde geldt voor de gestelde problemen met de verwarming op een van de slaapkamers. Ook dienaangaande is een tekortkoming van [geïntimeerde] niet komen vast te staan en is niet ingegaan op het verweer van [geïntimeerde] dat niet geklaagd is binnen de bekwame termijn als omschreven in rov. 3.8.3 van het tussenarrest. In het licht van het voorgaande passeert het hof ook het gestelde in alinea 33 van de memorie na tussenarrest van [appellante] Bouw. De slotsom is dat schadepost E8 niet toewijsbaar is.

6.5.9. [appellante] Bouw heeft bij randnummer 34 van haar memorie na tussenarrest gesteld dat niet uit te sluiten is dat nog problemen optreden bij de riolering onder het keukenblok. Op die gestelde onzekerheid is schadepost E9 gebaseerd. Het hof acht onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om dienaangaande thans een veroordeling uit te spreken. Dat dienaangaande sprake is van een tekortkoming van [geïntimeerde] staat niet vast en van daadwerkelijk geleden schade is niet gebleken.

Tussenconclusie

6.6.1. Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen, volgt de hierna te melden bewijsopdracht.

6.2.2. Deze bewijsopdracht heeft betrekking op de posten W1 ad € 530,25, E2 ad € 1.268,50, E3 ad € 473,24. E4 ad € 885,85 en E5 ad € 760,00 (alle bedragen excl. btw).

Met de bewijslevering is dus een financieel belang gemoeid van € 3.917,84 exclusief btw. Het hof geeft partijen in overweging om te bezien of zij op basis van hetgeen in dit tussenarrest is overwogen, een minnelijke regeling kunnen treffen waardoor de kosten van de getuigenverhoren kunnen worden voorkomen.

6.6.3. Elk verder oordeel wordt nu aangehouden.

7 De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] Bouw toe om te bewijzen:

 met betrekking tot schadepost W1 (rov 6.3.4. en 6.3.5):

 dat [geïntimeerde] een hemelwaterafvoer niet goed heeft aangesloten en dat als gevolg daarvan een lekkage is ontstaan aan het plafond in de woonkamer van de familie [Z.] , en

 dat [appellante] Bouw [geïntimeerde] daarover heeft ingelicht waarna deze partijen de oorzaak van de lekkage tezamen hebben onderzocht, of

 de partijen tijdens het gesprek van 26 mei 2009 dat genoemd is in rov. 3.6.2 van het tussenarrest van 20 januari 2015, hebben afgesproken dat [appellante] Bouw de bij post W1 bedoelde kosten mocht verrekenen met de factuur van [geïntimeerde] van 30 april 2009;

 met betrekking tot schadepost E2 (rov 6.5.3.):

 dat [geïntimeerde] de draingoot in de badkamer niet goed heeft aangesloten, en

 dat dit in december 2009 door [appellante] Bouw en [geïntimeerde] gezamenlijk is geconstateerd naar aanleiding van klachten van [X.] over lekkageproblemen;

 met betrekking tot de schadeposten E3, E4 en E5 (rov. 6.5.5. en 6.5.6.):

 dat [geïntimeerde] leidingwerk bij het toilet op de begane grond niet goed heeft uitgevoerd en dat daardoor lekkages zijn opgetreden, en

 dat dit op een of meer van de drie door [appellante] Bouw gestelde momenten door [appellante] Bouw en [geïntimeerde] gezamenlijk is geconstateerd naar aanleiding van klachten van [X.] over lekkageproblemen bij het toilet op de begane grond en dat [appellante] Bouw toen de door haar gestelde herstelkosten heeft gemaakt, of

 dat partijen tijdens het gesprek van 26 mei 2009 dat genoemd is in rov. 3.6.2 van het tussenarrest van 20 januari 2015, hebben afgesproken dat [appellante] Bouw de herstelkosten die [appellante] Bouw in verband met de problemen bij het toilet had gemaakt en wellicht nog moest maken, mocht verrekenen met de factuur van 30 april 2009;

bepaalt, voor het geval [appellante] Bouw bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. O.G.H. Milar als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] Bouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en Th.J.A. Kleijgeld en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 mei 2015.

griffier rolraadsheer