Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1648

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
F 200.154.103-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 7 mei 2015

Zaaknummer: F 200.154.103/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/266590 FA RK 13-3839

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.W. Weehuizen,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.G. Dictus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, voor het geval de uitgesproken echtscheiding in stand blijft, te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud maandelijks een bedrag van € 750,= dient te betalen, althans dat het hof een bijdrage vaststelt, hoger dan € 275,= per maand.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 12 september 2014, heeft de man verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren.

Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld -aangevuld bij brief d.d. 11 maart 2015- en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de partneralimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de partneralimentatie (naar het hof begrijpt) met ingang van 23 mei 2014, althans met ingang van 1 juni 2014, althans met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, op nihil wordt gesteld, althans dat het hof een partneralimentatie vaststelt van een bedrag, lager dan € 275,= per maand.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 24 oktober 2014, heeft de vrouw verzocht om de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans om dat appel af te wijzen c.q. ongegrond te verklaren.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2015. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 mei 2014;

  • -

    het V-formulier d.d. 9 maart 2015 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

  • -

    het V-formulier d.d. 10 maart 2015 met bijlagen van de advocaat van de man.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 18 oktober 2007 met elkaar gehuwd.

3.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 3 september 2013 heeft de rechtbank bepaald dat de man voor het levensonderhoud van de vrouw met onmiddellijke ingang een bedrag van € 669,= per maand dient te volden.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking ten tijde van de mondelinge behandeling van het hof nog niet was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 275,= per maand dient te voldoen met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. De grieven van partijen betreffen:

  • -

    de uitgesproken echtscheiding (grief van de vrouw);

  • -

    de ingangsdatum (grief van de man);

  • -

    de behoefte van de vrouw (grief van beide partijen);

  • -

    de draagkracht van de man (grief van de man);

  • -

    een eventuele draagkrachtvergelijking van partijen (grief van de man).

De echtscheiding

3.5.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding heeft uitgesproken. Met deze grief beoogt zij de mogelijkheid te krijgen zich te beraden omtrent de echtscheiding.

De man verweert zich en stelt dat beide partijen de rechtbank hebben verzocht de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting. Deze situatie is nog onveranderd. Volgens de man wil de vrouw voorkomen dat de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven, waardoor de man langer de bij voorlopige voorziening vastgestelde bijdrage dient te betalen. Er zijn door de vrouw geen inhoudelijke gronden aangevoerd en er is dan ook sprake van misbruik van procesrecht, aldus de man.

Het hof overweegt als volgt.

3.5.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Beide partijen hebben in eerste aanleg de echtscheiding verzocht en in hoger beroep heeft de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk – hoewel zij daarover ter zitting nadrukkelijk is bevraagd door de voorzitter – niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de echtscheiding terecht en op de juiste grond is uitgesproken, zodat de bestreden beschikking op dit onderdeel voor bekrachtiging gereed ligt.

Ingangsdatum

3.6.1.

De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage is tussen partijen in geschil.

3.6.2.

Nu de vrouw, volgens de man, met haar appel tegen de uitgesproken echtscheiding geen afstel maar uitstel beoogt, is er volgens de man sprake van misbruik van procesrecht en het hof begrijpt uit de stellingen van de man dat hij verzoekt om hieraan de consequentie te verbinden dat de ingangsdatum van de partneralimentatie op een eerdere datum wordt vastgesteld.

3.6.3.

Gezien het bepaalde in artikel 1:157 lid 4 BW kan een verplichting tot betaling van partneralimentatie niet eerder aanvangen dan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de man, een ingangsdatum te bepalen, gelegen vóór het moment van inschrijving, vindt dan ook geen steun in het recht en het hof zal dit verzoek van de man afwijzen.

Behoefte van de vrouw

3.7.1.

Dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 2.063,= netto per maand bedraagt, zoals door de rechtbank becijferd, is in hoger beroep niet in geschil Partijen verschillen echter van mening over de vraag of en zo ja tot welk bedrag de vrouw zelf in die huwelijksgrelateerde behoefte kan voorzien..7.2. De vrouw stelt dat zij zich steeds naar beste vermogen heeft ingespannen om inkomsten te verwerven. In de praktijk blijkt zij , in het kader van haar nul-uren contract bij S&L, steeds minder opgeroepen te worden en is zij niet in staat om meer te verdienen dan gemiddeld € 700,= à € 800,= netto per maand.

De man betwist hetgeen in dit verband door de vrouw is gesteld. Volgens de man kan de vrouw volledig in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte voorzien. De vrouw heeft gezien haar leeftijd, opleidingen en werkervaring voldoende mogelijkheden om een fulltime baan te krijgen. Partijen zijn relatief kort getrouwd en uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. De vrouw had een vast contract in de thuiszorg voor twintig uur per week, dat zij geheel vrijwillig in een nul-urencontract heeft omgezet. De gevolgen hiervan dienen voor haar rekening en risico te komen.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.2.

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat de vrouw gedurende het huwelijk van partijen een vast dienstverband had bij S&L voor twintig uur per week tegen een salaris van € 700,= à € 800,= netto per maand. Voorts constateert het hof dat de vrouw in december 2013 vrijwillig haar vaste contract bij S&L heeft laten omzetten naar een nul-uren contract.

De vrouw stelt dat zij hiermee beoogde, vaker en langer te werken dan voorheen, maar dat het tegendeel in de praktijk is gebleken en dat zij nog nauwelijks werk kreeg. De vrouw heeft een jaaropgaaf 2014 overgelegd waaruit naar haar stelling blijkt dat zij in de maanden januari tot en met mei 2014 een zeer gering aantal uren bij S&L heeft gewerkt tegen een salaris van € 108,= bruto totaal.

Gebleken is dat de vrouw medio 2014 is geconfronteerd met een ernstige ziekte (longkanker). Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij na een ingrijpende behandeling aanvankelijk genezen is verklaard, maar dat er recentelijk uitzaaiingen zijn aangetroffen waarvoor zij hoe dan ook een nieuwe chemokuur zal moeten ondergaan. Deze verklaring vindt naar het oordeel van het hof voldoende steun in de stukken, met name de brief van 26 februari 2015 van de longarts uit het Bravis Ziekenhuis waaruit naar voren komt dat de vrouw een kleincellig longcarcinoom heeft waarvoor zij intensieve therapie met chemo en bestralingen heeft moeten ondergaan. Volgens de longarts heeft extreem zware therapie haar conditie ernstig benadeeld.

3.7.3.

Het hof overweegt evenwel, zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van de ziekte en de gevolgen daarvan voor de vrouw, dat reeds vanaf het moment waarop partijen in april 2013 uit elkaar zijn gegaan, van de vrouw - toen 47 jaar oud, kinderloos en zonder medische belemmeringen - mocht worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspande om een hoger inkomen te verwerven dan € 700,= à € 800,= per maand, zodat zij voor een groter aandeel zelf kon voorzien in haar huwelijksgerelateerde behoefte.

Dat de vrouw in december 2013, nog voordat zij werd geconfronteerd met haar ziekte, haar vaste aanstelling en het daarmee gepaarde inkomen heeft prijsgegeven en genoegen heeft genomen met een nul-uren contract waarmee zij vervolgens nauwelijks inkomsten heeft gegenereerd, is een keuze van de vrouw geweest waarvan de gevolgen naar het oordeel van het hof voor eigen rekening en risico van de vrouw dienen te komen en niet kunnen worden afgewenteld op de man.

Het hof overweegt verder dat de vrouw op geen enkele wijze heeft aangetoond welke inspanningen zij heeft verricht om haar werkzaamheden uit te breiden en zich een hoger eigen inkomen te verwerven. De man heeft bij herhaling gesteld, hetgeen door de vrouw niet is betwist, dat er sinds april 2013 concrete vacatures waren die aansloten bij de capaciteiten van de vrouw. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw toen heeft gesolliciteerd naar een andere of een aanvullende baan, dan wel heeft getracht haar 20-uurscontract bij S&L uit te breiden. Voorts neemt het hof in overweging dat de vrouw ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij zich nog geen moment heeft verdiept in de mogelijkheid tot het verkrijgen van een uitkering, hetgeen naar het oordeel van het hof wel op haar weg had gelegen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat vanaf april 2013 aan de vrouw een grotere verdiencapaciteit dient te worden toegeschat dan het inkomen dat zij toen op basis van haar dienstverband van twintig uur per week bij S&L genereerde. Met de rechtbank zal het hof uitgaan van een verdiencapaciteit van € 1.865,= netto per maand, gebaseerd op een dienstverband van 32 uur per week voorafgaand aan de ziekte van de vrouw. Het hof gaat er voorts van uit dat de vrouw dan recht had gehad op doorbetaling van loon tijdens ziekte en aansluitend een WAO-uitkering.

De aanvullende behoefte van de vrouw is dan ook terecht door de rechtbank vastgesteld op € 275,= bruto per maand.

Draagkracht van de man

3.8.1.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om enige bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voldoen.

3.8.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof met partijen de draagkracht van de man besproken aan de hand van de door de man overgelegde productie 5 (bij het V-formulier d.d. 10 maart 2015).

De vrouw heeft ter zitting ingestemd met de daarin becijferde netto besteedbaar inkomen van de man ad € 1.947,= per maand, zodat het hof hier eveneens van zal uitgaan. Het hof merkt op dat in dit bedrag rekening is gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

3.8.3.

Het hof houdt voorts rekening met het op de Wet werk en bijstand (Wwb) gebaseerde normbedrag voor een zelfstandig wonende alleenstaande ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, inclusief de ondergrens woonkostencomponent en de maximale toeslag,

3.8.4.

De man stelt dat de rechtbank bij becijfering van zijn draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de volgende maandelijkse lasten die hij voldoet.

a. Woonlasten

Ter zitting van het hof zijn partijen het eens dat geworden dat kan worden volstaan met de woonkostencomponent ad € 224,= per maand zoals deze is verdisconteerd in het op de man van toepassing verklaarde Wwb-normbedrag.

Rente en aflossing schulden.

Partijen zijn gedurende de mondelinge behandeling in hoger beroep tevens met elkaar overeengekomen dat er rekening kan worden gehouden met een bedrag van € 78,= per maand aan rente en aflossing schulden.

Verzekeringspremie gemeenschappelijke auto

Het hof houdt geen rekening met de verzekeringspremie die de man voor de gemeenschappelijke auto van partijen voldoet. Tussen partijen staat vast dat de vrouw in deze auto rijdt en de vrouw heeft herhaaldelijk – zo ook ter zitting van het hof – aangegeven dat zij zelf de auto wenst te verzekeren, mits de man haar het kentekenbewijs overhandigt. Dat de man om hem moverende redenen hieraan niet wil meewerken, dient voor zijn rekening en risico te komen.

Advocaatkosten.

Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het kader van de echtscheidingsprocedure advocaatkosten heeft gemaakt. Conform de uitgangspunten in het Tremarapport houdt het hof, met de rechtbank, rekening met deze kosten, doch tot het daarin maximaal opgenomen bedrag van € 114,= per maand.

Andere onderhoudsverplichtingen van de man

Tussen partijen staat vast dat de man op grond van een rechterlijke beslissing van 23 augustus 2011 onderhoudsplichtig is ten behoeve van zijn twee kinderen uit een eerdere relatie, zijnde [zoon 1] (geboren op [geboortedatum] 1996) en [zoon 2] (geboren op [geboortedatum] 1999). Uit de brief van het LBIO d.d. 16 januari 2015 blijkt dat de bijdrage die de man dient te voldoen € 157,17 per kind per maand bedraagt.

Het hof zal daarom rekening houden met € 314,= per maand, te vermeerderen met € 30,= per maand aan omgangskosten ten behoeve van [zoon 2], nu niet ter discussie staat dat de man deze kosten maakt.

Ziektekosten

Met de ziektekosten ad totaal € 120,= per maand welke de rechtbank in aanmerking heeft genomen en waarover tussen partijen geen geschil bestaat, zal het hof eveneens rekening houden.

Vaststelling van de alimentatie

3.9.1.

Uitgaande van voormeld netto besteedbaar inkomen van € 1.947,= per maand, waarbij rekening is gehouden met de hiervoor genoemde toepasselijke heffingskortingen, heeft de man na aftrek van voormelde lasten een draagkrachtruimte van € 330,= per maand. Daarvan is 60%, zijnde € 198,= per maand, beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw. Gebruteerd komt dit neer op een bedrag van € 341,= per maand.

Hieruit volgt dat de man in staat moet worden geacht te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw, hierboven vastgesteld op € 275,= bruto per maand.

3.9.2.

Het hof is van oordeel dat de vrouw na ontvangst van een partneralimentatie van € 275,= per maand, rekening houdende met haar financiële situatie, niet in een financieel betere positie komt te verkeren dan de man.

3.9.3.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen en de proceskosten compenseren zoals in het dictum vermeld.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af hetgeen door partijen meer of anders is verzocht;

compenseert de proceskosten in het hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.