Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1643

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
F 200.153.128_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 7 mei 2015

Zaaknummer: F 200.153.128/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/264196 FA RK 13-2721

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.M.G. van Nuenen-Meulesteen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 juli 2014, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna nader te noemen minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] per 1 maart 2010 dan wel per datum indiening inleidend verzoekschrift, wordt vastgesteld op nihil, althans met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 3 oktober 2014, heeft de vrouw verzocht het door de man ingediende beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen als ongegrond en onbewezen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van der Heide-Boertien;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Nuenen-Meulesteen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 29 september 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 5 december 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 25 februari 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 2 maart 2015.

2.4.1.

Conform de ter zitting van het hof gemaakte afspraak heeft de advocaat van de man het hof nog stukken doen toekomen over de procedure bij de rechtbank naar aanleiding van het verzoek van de man (en zijn echtgenote) om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, namelijk:

  • -

    het V6-formulier d.d. 18 maart 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen d.d. 3 april 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 27 juni 1997 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

- [kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats].

3.2.

Bij beschikking van 20 juni 2001 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 september 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Nadien hebben partijen een affectieve relatie met elkaar gehad, die inmiddels is beëindigd. Uit die relatie is geboren:

- [kind 3] (hierna: [kind 3]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats].

De man heeft [kind 3] erkend.

3.4.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.5.

Bij beschikking d.d. 13 juli 2010 heeft de rechtbank Breda bepaald dat de man met ingang van 1 maart 2010 ten behoeve van de kinderen aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 136,- per kind per maand.

3.6.

Bij beschikking van 8 juli 2011, waarvan wijziging wordt verzocht, heeft dit hof de beschikking van 13 juli 2010 van de rechtbank Breda vernietigd voor wat betreft de hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en opnieuw rechtdoende – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet voldoen een bedrag van € 151,- per kind per maand met ingang van 1 maart 2010.

De bijdrage voor de kinderen beloopt ingevolge de wettelijke indexering op dit moment € 158,22 per kind per maand.

3.7.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het verzoek van de man tot wijziging van voormelde bijdrage afgewezen en de kosten van het geding gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.8.

De man kan zich met deze beslissing, voor zover het de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie betreft, niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot zijn draagkracht en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Ingangsdatum

3.10.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de (eventuele) wijziging van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen dient in te gaan.

Partijen hebben ter zake hun standpunt gemotiveerd kenbaar gemaakt.

3.11.

Het hof is van oordeel dat de vrouw eerst met ingang van de datum waarop het inleidend verzoekschrift is ingediend, zijnde 24 mei 2013, rekening heeft kunnen houden met een eventuele wijziging van de door haar ten behoeve van de kinderen te ontvangen onderhoudsbijdrage. Het hof ziet reeds daarom geen aanleiding om zoals de man verzoekt van 1 augustus 2012 – de datum waarop de man zijn bedrijf heeft beëindigd – uit te gaan.

Het hof is van oordeel dat de ingangsdatum van de eventuele wijziging niet eerder kan zijn dan de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, derhalve op 1 juni 2013.

Behoefte kinderen

3.12.

De behoefte van de kinderen ad € 222,- per kind per maand in 2010 is in hoger beroep niet in geschil.

Het hof stelt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geïndexeerde behoefte van de kinderen derhalve vast op € 230,77 in 2013, € 232,85 in 2014 en € 234,71 in 2015.

3.13.

Op de behoefte van de kinderen dient het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt in mindering te worden gebracht, zodat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen dient te worden vastgesteld op:

- (€ 230,77 minus € 61,50 is) € 169,27 per kind per maand in 2013;

- (€ 232,85 minus € 62,86 is) € 169,99 per kind per maand in 2014;

- (€ 234,71 minus € 55,42 is) € 179,29 per kind per maand in 2015.

Draagkracht

3.14.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld.

Draagkracht vrouw

3.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat, nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt, niet geacht kan worden enige bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen.

Draagkracht man

3.16.

De man voert ter zake het volgende aan.

De rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de stelling van de man dat zijn echtgenote op dat moment zwanger was. Het derde kind van de vader is op [geboortedatum] 2014 geboren. De gezinsuitbreiding brengt de nodige kosten met zich mee.

De man stelt voorts dat het bedrijf dat hij tot augustus 2012 samen met zijn echtgenote had, feitelijk door zijn echtgenote werd geëxploiteerd, aangezien de man in verband met zijn medische beperkingen daartoe niet in staat was. Het gezin heeft inkomsten uit de in het verleden gerunde bedrijven genoten, maar de omzetten waren ontoereikend om de opnamen te doen zoals deze zijn gedaan.

De man stelt dat hij in hoger beroep nader met stukken heeft onderbouwd waarom hij in verband met zijn fysieke en psychische beperkingen niet in staat is inkomen uit arbeid te verwerven.

De man voert voorts aan dat hij sinds oktober 2013 een bijstandsuitkering ontvangt en dat hij en zijn echtgenote hebben verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De in het verleden ontstane schulden zijn voor de man thans niet meer te overzien. In de maanden waarin aan hem en zijn echtgenote ten onrechte geen (volledige) uitkering werd verstrekt, zijn zij verstoken geweest van iedere vorm van inkomen. De man heeft leningen bij vrienden moeten aangaan om in de eerste levensbehoeften van het gezin te voorzien. Zij leefden in de periode na 1 juni 2013 feitelijk van een bijstandsuitkering van circa € 100,- per maand, aangezien de gemeente ervan uitging dat de man en zijn echtgenote huurinkomsten genoten.

3.17.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

De vrouw stelt, kort en zakelijk weergegeven, dat de man zijn stellingen, onder meer voor wat betreft zijn inkomens- en schuldenpositie, volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd. De man heeft nagelaten stukken over te leggen van de resultaten uit de in het verleden gerunde bedrijven. De vrouw heeft aangevoerd dat, indien zou blijken dat de man is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dit een ander licht op de zaak zou werpen, maar zij is van mening dat dit niet het geval is. Volgens de vrouw heeft de man ook zijn nieuwe schulden niet nader onderbouwd.

De man heeft volgens de vrouw evenmin inzichtelijk gemaakt waarom hij niet in staat zou zijn inkomen uit arbeid te verwerven. Uit de door de man overgelegde rapportages van Argonaut blijkt niet welke psychische en fysieke klachten, dan wel pijnklachten de man heeft. Uit de rapportage naar aanleiding van het laatste onderzoek blijkt alleen dat de man zich na de eerdere onderzoeken niet heeft ingespannen om zelf weer inkomsten te gaan genereren. Bovendien spreekt de man zich in genoemde rapportages in verschillende opzichten tegen. Uit de stukken van de gemeente blijkt niet dat de man in de periode vanaf de toekenning van de bijstandsuitkering tot augustus 2014 vrijgesteld was van de sollicitatieverplichting.

Eerst ter zitting van het hof heeft de vrouw vernomen dat de man huurinkomsten zou hebben genoten.

3.18.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.18.1.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de man (alleen en later met zijn echtgenote) tot augustus 2012 verschillende bedrijven heeft geëxploiteerd en dat hij met ingang van 1 oktober 2013 een bijstandsuitkering ontvangt, welke uitkering hij en zijn echtgenote op 28 december 2012 hadden aangevraagd.

1 juni 2013 – 1 oktober 2013

3.18.2.

Het hof is van oordeel dat de man, voor wat betreft de periode van 1 juni 2013 tot 1 oktober 2013 onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn inkomenssituatie. De man heeft zijn stelling dat zijn gezin in die periode leefde van € 100,- per maand, aangevuld met geleend geld, in het geheel niet met stukken onderbouwd. Voorts heeft de man geen duidelijkheid verschaft over de door hem (volgens de gemeente) genoten huurinkomsten, terwijl, deze huurinkomsten voor de gemeente wel (mede) aanleiding waren om de bijstandsuitkering niet (volledig) toe te kennen.

Verder heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de door hem gestelde psychische dan wel fysieke beperkingen (onder meer depressieve klachten en apneu) in het geheel niet in staat was betaalde arbeid te verrichten. Evenmin heeft de man inzicht gegeven in hoeverre bij hem nog enige verdiencapaciteit resteerde. Een en ander kan niet worden opgemaakt uit de door de man overgelegde rapportages van Argonaut. Gezien de gemotiveerde tegenspraak van de vrouw had het had naar het oordeel van het hof op de weg van de man gelegen om hiervoor nader bewijs bij te brengen en bijvoorbeeld een rapport van een arbeidsdeskundige arts in het geding te brengen, hetgeen hij heeft nagelaten.

Het hof ziet voorts in de door de man gestelde problematische schuldenpositie van de man (en zijn echtgenote) onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de man in genoemde periode geen draagkracht had. Naar het oordeel van het hof heeft de man, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw in dit kader, onvoldoende inzicht gegeven in (de noodzaak van) het ontstaan en de omvang van zijn voornamelijk zakelijke schuldenlast. Het staat enkel vast dat de man sinds 2006 keer op keer bedrijven heeft opgestart die alle wegens faillissement (dan wel tegenvallende resultaten) zijn beëindigd. Het verzoek van de man om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is bij vonnis d.d. 31 maart 2015 van de rechtbank Den Haag afgewezen wegens – kort weergegeven – het ontbreken van de goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Uit voormeld V6-formulier d.d. 3 april 2015 van de advocaat van de man blijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep zal worden ingesteld. Het hof ziet op grond van de stellingen van de man en zijn toelichting ter zitting echter niet in waarom de door de man gestelde schulden prioriteit behoren te krijgen boven zijn alimentatieverplichting jegens de kinderen.

3.18.3.

Reeds op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voor wat betreft de periode van 1 juni 2013 tot 1 oktober 2014 de grieven van de man falen en dat de bestreden beschikking in zoverre dient te worden bekrachtigd, zodat hetgeen in dit kader voorts is aangevoerd geen nadere bespreking behoeft.

1 oktober 2013 – heden

3.18.4.

Het hof is evenwel van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf de datum van toekenning van de bijstandsuitkering geen draagkracht meer heeft om enige bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof overweegt hiertoe onder meer dat deze uitkering niet ‘zonder slag of stoot’, doch pas na meerdere bezwaarschriftprocedures aan de man en zijn echtgenote is toegekend. Het hof neemt dan ook aan dat de gemeente in dit verband de financiële positie van de man grondig heeft doorgelicht en zijn mogelijkheden om betaalde arbeid te verrichten uitvoerig heeft onderzocht.

In zoverre slagen de grieven van de man en dient de bestreden beschikking te worden vernietigd.

3.19.

Het is niet gesteld of gebleken dat op grond van de beslissing van het hof als na te melden door de vrouw aan de man feitelijk enig bedrag aan te veel betaalde alimentatie dient te worden terugbetaald.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 april 2014, doch uitsluitend voor zover het de periode vanaf 1 oktober 2013 betreft;

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

wijzigt met ingang van 1 oktober 2013 de beschikking van 8 juli 2011 van dit hof;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

  • -

    [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

  • -

    [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats];

  • -

    [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

met ingang van 1 oktober 2013 nader vast op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, M.C. Bijleveld-van der Slikke en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.