Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1596

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
20-002778-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:5298, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287/45 Sr. Steekpartij Uden. Hof veroordeelt verdachte ter zake poging tot doodslag tot 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Het hof acht voorwaardelijk opzet op de dood aanwezig, nu door de gedragingen van verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans bestond dat het mes (met een lemmet van 9,5 cm) in de buik van het slachtoffer vitale organen zou raken met de dood tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002778-14

Uitspraak : 29 april 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-845174-14 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Nieuw Vosseveld te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en over de in beslag genomen voorwerpen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de beslissing op de benadeelde partij. De advocaat-generaal heeft in dat kader gevorderd dat het hof, naast het door de rechtbank toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij ook de kosten voor rechtsbijstand zal toewijzen.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor de impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde poging tot moord respectievelijk poging tot doodslag, alsmede van de ten laste gelegde voorbedachte raad. Voorts is er een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Door een kennelijke schrijffout is in de derde regel van de tenlastelegging "[naam]" vermeld in plaats van "[naam slachtoffer]". Het hof verbetert deze schrijffout. Met inachtneming hiervan is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 maart 2014 te Uden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [naam slachtoffer] van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een of meerma(a)l(en) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de buik(streek) van het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord)

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof is, evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 maart 2014 te Uden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet eenmaal met een mes in de buik(streek) van het lichaam van die [naam slachtoffer] heeft gestoken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer. Daartoe is aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat het slachtoffer in zijn buik is gestoken niet voldoende is voor het bewijs van dat opzet. Van belang voor de vaststelling van dat opzet is immers de grootte van het mes, de kracht waarmee gestoken is en de omvang van het lichaam van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt niet hoe diep het mes het lichaam in is gegaan en met welke kracht dat is gebeurd. Het steken in de buik met een darmperforatie tot gevolg is, aldus de raadsman, nog niet genoeg om die aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer te aanvaarden, aangezien een darmperforatie niet acuut levensbedreigend is.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, staande op ongeveer een halve meter afstand van het slachtoffer, met zijn rechterhand een mes met een lemmet van 9,5 centimeter uit zijn achterzak heeft gepakt, in één beweging met zijn rechterhand dat mes heeft opengeklapt en onderhands in één doorgaande beweging in de buik van het slachtoffer heeft gestoken. Dit is met zodanige kracht gedaan dat het mes door twee stuks kleding heen en met voldoende diepte het lichaam van het slachtoffer in is gegaan om de dunne darm te raken. Hieruit volgt dat met meer dan geringe kracht is gestoken.

De lengte van het lemmet – 9,5 centimeter – blijkt uit foto 21 (dossierp. 139) waarop het lemmet is afgebeeld naast een centimeterschaal.

Uit de medische verklaring betreffende het slachtoffer blijkt dat sprake is van een steekwond (dossierp. 64a), dus niet van een meer oppervlakkige snijverwonding.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat door de gedragingen van verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans bestond dat het mes in de buik van het slachtoffer vitale organen zou raken met de dood tot gevolg.

Het hof is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op dat gevolg te zijn gericht dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is het hof niet gebleken.

De stelling van de raadsman dat het steken in de buik met een darmperforatie als gevolg niet genoeg is om de aanmerkelijke kans op de dood te aanvaarden, aangezien een darmperforatie niet acuut levensbedreigend is, doet niet ter zake. Immers voor het aannemen van een aanmerkelijke kans op ernstig letsel leidend tot de dood gaat het niet om de vraag of het uiteindelijk in concreto toegebrachte letsel levensbedreigend is, maar om de vraag of door het bewezenverklaarde handelen de aanmerkelijke kans op dergelijk letsel bestond.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 45 juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht en levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en op de volgende omstandigheden:

 het bewezen verklaarde heeft aanzienlijk persoonlijk leed teweeg gebracht bij het slachtoffer; er was sprake van een geperforeerde dunne darm, die deels moest worden verwijderd;

 het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is, doordat verdachte het slachtoffer op klaarlichte dag op straat voor zijn woning heeft neergestoken.

In het voordeel van verdachte heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden dat verdachte in een vroeg stadium van het onderzoek openheid van zaken heeft gegeven en ook verder zijn volledige medewerking aan dat onderzoek heeft verleend en voorts dat verdachte, zoals blijkt uit het reclasseringsrapport d.d. 23 maart 2015, zijn tijd in detentie benut om aan zichzelf te werken en zijn vaardigheden te vergroten.

In genoemd reclasseringsrapport wordt het advies, zoals neergelegd in het reclasseringsrapport d.d. 3 juni 2014, gehandhaafd. De rechtbank heeft in navolging van dat advies aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, met daarbij een aantal bijzondere voorwaarden.

Alles overziend acht het hof een straf als door de rechtbank opgelegd passend en geboden. Het hof ziet, gelet op de ernst van het feit, geen reden om deze straf verder te matigen.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof is evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat, gelet op de bevindingen en conclusies van de psycholoog drs. K. Bertens en de psychiaters prof. dr. R.J. Verkes en drs. C.G. Huisman, zoals neergelegd in de door hen uitgebrachte rapporten d.d. 17 juni 2014 respectievelijk 12 juni 2014, verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De overige in beslag genomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan het slachtoffer respectievelijk aan verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.097,74, bestaande uit een bedrag van € 1.097,74 ter zake materiële schade en € 5.000,00 ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.481,74.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 481,74 ter zake materiële schade en – naar billijkheid begroot op ten minste – € 3.000,00 ter zake immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering ter zake immateriële schade is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu het onderzoek zou moeten worden geschorst om nader onderzoek te doen naar de omvang van die schade. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De gevorderde schade van € 616,00 ter zake van kosten rechtsbijstand is geen vermogensschade als bedoeld in art. 6:96 Burgerlijk Wetboek. Blijkens de vordering zijn deze kosten ook niet aldus gevorderd maar bedoeld als proceskosten, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Wel zal ter zake van proceskosten in eerste aanleg worden toegewezen een bedrag van

€ 250,00 volgens het tarief salarissen in kantonzaken bij een vordering tussen € 5.000,00 en

€ 10.000,00 (één punt voor opstellen en indienen voegingsformulier).

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36b, 36c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde (poging tot moord) heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

 zich (telefonisch) binnen 48 uur na afloop van zijn detentie zal melden bij Novadic Kentron, verslavingsreclassering, op het adres Dr. Poletlaan 74-76 te Eindhoven, telefoonnummer 040-2171200. Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd op door Reclassering Nederland bepaalde perioden te blijven melden, zo frequent als Reclassering Nederland deze perioden nodig acht;

 zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij GGZ Momentum in de vorm van therapie gericht op zijn psychische problematiek en softdruggebruik of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 mee zal werken aan het begeleidingstraject via Jobcoach of aan enige andere begeleiding vanuit een door de reclassering geïndiceerde instantie op het gebied van onder andere werk dan wel dagbesteding.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland, Regio 's-Hertogenbosch, Eekbrouwersweg 6, 5233 VG te 's-Hertogenbosch, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 mes, merk Renno.

Gelast de teruggave aan [naam slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 paar witte sokken,

  • -

    1 grijs vest.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    1 blauwe jeansbroek, merk Clockhouse,

  • -

    1 paar witte sokken,

  • -

    1 bruine trui, merk Angelo Litrico,

  • -

    1 beige trui,

  • -

    1 zwarte pet, merk Nike,

  • -

    1 paar blauwe schoenen, merk Nike.

Vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.481,74 (drieduizend vierhonderdeenentachtig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 481,74 (vierhonderdeenentachtig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 616,00 (zeshonderdzestien euro) ter zake van kosten rechtsbijstand af.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.481,74 (drieduizend vierhonderdeenentachtig euro en vierenzeventig cent) bestaande uit € 481,74 (vierhonderdeenentachtig euro en vierenzeventig cent) materiële schade en

€ 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 44 (vierenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 29 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.