Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1593

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2015
Datum publicatie
29-04-2015
Zaaknummer
20-003930-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van belediging van een politieambtenaar. Tijdens een verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft verdachte, een advocaat, in een verzuchting en zacht ‘sukkel’ gezegd. De betreffende uitlating was kennelijk niet bestemd om te worden gehoord door aangever. Hieruit kan het (voorwaardelijke) opzet op de belediging niet worden afgeleid. Voor wat betreft de tweede maal dat de verdachte de uitlating heeft gedaan, heeft hij slechts op de vraag van aangever herhaald wat hij eerder - voor zichzelf - had verzucht. Verdachte heeft toen hij dit antwoord gaf zich niet of onvoldoende gerealiseerd dat dit antwoord door aangever als beledigend ervaren zou worden. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte opzettelijk aangever heeft beledigd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 266, 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003930-13

Uitspraak : 29 april 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2013 in de strafzaak met parketnummer 02-811974-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank verdachte schuldig verklaard ter zake van
- kort gezegd - eenvoudige belediging van een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De rechtbank heeft geen straf of maatregel opgelegd.

Voorts heeft de rechtbank de vordering van [benadeelde partij] toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis in eerste aanleg zal bevestigen, met verbetering van de strafoplegging, in dier voege dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,- subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis.

Door de verdediging is:

  • -

    primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging;

  • -

    subsidiair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Breda opzettelijk beledigend een (politie)ambtenaar, te weten [aangever], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden ‘sukkel’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe heeft de raadsman de navolgende - zakelijk samengevatte - verweren aangevoerd.

A.

De beklagkamer van het hof 's-Hertogenbosch heeft in de uitspraak d.d. 9 juli 2013, klachtnummer K12/0466 geoordeeld dat niet van enig strafbaar feit sprake was toen de officier van justitie zijn op schrift gesteld requisitoir voordroeg en daarbij de verdachte uitmaakte voor “laffe loser” en een “man zonder ruggengraat”. Door in de onderhavige zaak, waarin het gewraakte woord ‘sukkel’ is gebezigd tijdens een getuigenverhoor door een advocaat, opdracht te geven tot vervolging is in strijd gehandeld met het beginsel van ‘equality of arms’ en daaruit voortvloeiend artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze schending van artikel 6 van het EVRM kan op geen enkele andere wijze worden gecompenseerd dan door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de strafvervolging.

B.

[aangever] heeft tijdens het getuigenverhoor niet gehandeld in of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn taaks- en bevoegdheidsomschrijving als omschreven in artikel 2 van de Politiewet. De strafverzwarende omstandigheid als omschreven in artikel 267, aanhef en onder 2˚ van het Wetboek van Strafrecht kan derhalve niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, zodat eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht resteert. Dit feit kan alleen worden vervolgd op klacht van de beledigde. Nu het klachtvereiste niet is nageleefd, dient het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging.

Het hof overweegt ten aanzien van de tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkende verweren van de verdediging als volgt.

Ad A.

Het hof overweegt dat bij beschikking d.d. 3 mei 2011 (met klachtnummer K10/0176) dit hof het beklag van aangever ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering gegrond heeft verklaard. Het hof heeft op grond van artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering tevens bevolen dat de vervolging ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft, wordt ingesteld.

Nu het hof ex artikel 12i van het Wetboek van Strafvordering had bevolen dat de vervolging moest worden ingesteld, was het openbaar ministerie gehouden aan dat bevel te voldoen. In zo’n geval kan naar het oordeel van het hof het openbaar ministerie niet worden tegengeworpen dat het openbaar ministerie door daadwerkelijk tot vervolging over te gaan, in strijd zou hebben gehandeld met het beginsel van ‘equality of arms’ en daaruit voortvloeiend artikel 6 van het EVRM.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Ad B.

Het hof overweegt dat, zoals blijkt uit het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris in de rechtbank Breda d.d. 24 november 2009 en het door aangever opgestelde proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2009, aangever tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris is gehoord met betrekking tot zijn functie (indertijd was hij als financieel rechercheur betrokken bij het onderzoek ‘Caribe’) en zijn rol in het strafrechtelijke onderzoek ‘Caribe’, de totstandkoming van het mede door hem op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2009, de inhoud daarvan (gehanteerde methodiek en berekening) en het door hem opgemaakte erratum op dat proces-verbaal. Het hof stelt derhalve vast dat aangever is gehoord over het door hem in de functie van politieambtenaar verrichte werk en dat daarmee is voldaan aan het bestanddeel ‘ter zake de rechtmatige uitoefening van de bediening’.

Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof, nog daargelaten dat aangever duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij de vervolging van verdachte heeft gewild, niet meer toe aan de vraag of het klachtvereiste is nageleefd.

Het hof verwerpt derhalve de tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkende verweren van de verdediging. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep, nu ook voor het overige niet is gebleken van feiten of omstandigheden die het hof tot een ander oordeel leiden.

Vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk samengevat - bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu hij niet het (voorwaardelijke) opzet heeft gehad om [aangever] te beledigen. De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat verdachte het woord ‘sukkel’ in eerste instantie zacht heeft geuit, niet met de bedoeling om [aangever] te beledigen, maar als verzuchting ten gevolge van frustratie en onbegrip over de beantwoording van vragen door [aangever]. Toen [aangever] vervolgens vroeg aan verdachte wat hij gezegd heeft, heeft verdachte zijn verzuchting herhaald.

De advocaat-generaal heeft zich in navolging van de rechtbank op het standpunt gesteld dat door in een verhoorsituatie met aanwezige advocaten en de rechter-commissaris ‘sukkel’ te verzuchten, hetgeen hoorbaar is geweest, verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever] zich daardoor beledigd zou voelen.

Het hof overweegt het volgende.

Uit het onderzoek is het navolgende gebleken.

Op 24 november 2009 vond in de zaak ‘Caribe’ ten overstaan van de rechter-commissaris in de rechtbank Breda het verhoor plaats van[aangever] als getuige. [aangever] was indertijd als financieel rechercheur betrokken bij het onderzoek. Bij het verhoor trad verdachte op als raadsman van een van de in dat onderzoek verdachte personen. Bij dat verhoor waren ook drie andere advocaten aanwezig, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

Bij het verhoor werden door onder meer de verdachte vragen gesteld aan [aangever] over het door hem verrichte onderzoek. Uit het door de rechter-commissaris opgemaakt proces-verbaal blijkt dat het verhoor moeizaam verliep en dat op enig moment een ‘indringende en heftige discussie’ is ontstaan tussen de raadslieden en de rechter-commissaris met [aangever]. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris dat verdachte tijdens deze discussie tegen [aangever] ‘sukkel’ heeft gezegd. De rechter-commissaris heeft gerelateerd dat hij toen tegen de verdachte heeft gezegd dat hij, verdachte, over de grens is gegaan. De verdachte heeft vervolgens uit eigen beweging de verhoorruimte verlaten.

De getuige [aangever] heeft nadien aangifte gedaan van belediging.

Door de verdachte is verklaard dat hij niet het opzet had om [aangever] te beledigen. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment is gestopt met het stellen van vragen, dat hij gefrustreerd was geraakt door de opstelling van [aangever] en dat hij toen in een verzuchting zacht ‘sukkel’ heeft gezegd. Volgens de verdachte was dit niet verstaanbaar en ook niet gezegd met de bedoeling dat het zou worden gehoord. Toen [aangever] aan de verdachte vroeg wat de verdachte had gezegd, heeft verdachte geantwoord dat hij ‘sukkel’ had gezegd. De verdachte heeft verklaard dat hij het woord heeft herhaald omdat [aangever] aan hem vroeg wat hij had gezegd.

Door de rechter-commissaris zijn in de onderhavige zaak de eveneens bij het verhoor van [aangever] aanwezige advocaten, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] gehoord.

Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij tijdens het verhoor tussen de verdachte en de [aangever] zat. [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte op enig moment achterover leunde, naar buiten keek en ‘sukkel’ mompelde en dat dit niet direct gericht was tegen [aangever]. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat [aangever] toen vroeg wat verdachte had gezegd en dat verdachte vervolgens [aangever] aankeek en herhaalde wat hij had gezegd.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte onderuit zakte, een puffend geluid maakte en daarbij iets zei. [aangever] vroeg toen wat verdachte zei waarop verdachte heeft geantwoord: “Sukkel, dat is wat ik zei”.

Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat hij de verdachte een keer ‘sukkel’ heeft horen zeggen.

Ook [aangever] is als getuige gehoord, zowel bij de rechter-commissaris als ter zitting. Hij heeft verklaard dat hij de sfeer tijdens het verhoor als intimiderend heeft ervaren, dat op enig moment de verdachte hem indringend aankeek en ‘sukkel’ tegen hem heeft gezegd. Voorts heeft [aangever] desgevraagd verklaard dat hij de verdachte niet onderuit heeft zien zakken en niet heeft horen puffen. Uit de verklaring van [aangever] blijkt dat hij de verdachte één keer ‘sukkel’ heeft horen zeggen.

Het hof zal bij de beoordeling van de zaak uitgaan van de verklaring van de verdachte zoals hiervoor is weergegeven, te weten dat hij in een verzuchting zacht ‘sukkel’ heeft gezegd en dat, toen [aangever] aan de verdachte vroeg wat hij had gezegd, verdachte heeft geantwoord dat hij ‘sukkel’ heeft gezegd. De verklaring van de verdachte vindt op dit onderdeel steun in de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 1].

Het hof overweegt dat een uitlating als beledigend moet worden beschouwd, wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. Het oordeel of daarvan sprake is kan afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. In de onderhavige zaak acht het hof de uitlating op zich genomen beledigend.

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging is voorts van belang of verdachte het (voorwaardelijke) opzet heeft gehad om [aangever] in zijn eer of goede naam aan te tasten.

De verdachte heeft de eerste maal dat hij de uitlating heeft gedaan dit in een verzuchting en zacht gezegd. De betreffende uitlating was derhalve kennelijk niet bestemd om te worden gehoord door [aangever]. [aangever] heeft die eerste uitlating, gezien zijn verklaring, ook niet gehoord. Er zijn uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit kan volgen dat de uitlating op een zodanige wijze is gedaan dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [aangever] die uitlating zou horen.

Voor wat betreft de tweede maal dat de verdachte de uitlating heeft gedaan heeft hij slechts op de vraag van [aangever] herhaald wat hij eerder - voor zichzelf - had verzucht. Zoals het hof de verdachte ter terechtzitting heeft begrepen, heeft verdachte, toen hij antwoord gaf op de vraag wat hij had gezegd, zich niet of onvoldoende gerealiseerd dat dit antwoord door [aangever] als beledigend ervaren zou worden. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat verdachte opzettelijk [aangever] heeft beledigd.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het beledigen van [aangever], zal het hof verdachte vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van €75,- aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, zodat deze van rechtswege aan het oordeel van het hof is onderworpen. Daarnaast heeft de benadeelde partij bij brief d.d. 19 augustus 2014 te kennen gegeven dat hij zijn eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding handhaaft.

Het hof overweegt dat nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de [benadeelde partij] niet in de door hem ingediende vordering kan worden ontvangen.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 29 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.