Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1496

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
22-04-2015
Zaaknummer
HD 200 161 146_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Wat zijn de gevolgen van betekening vonnis en beslaglegging aan onderbewindgestelde in plaats van aan bewindvoerder?

Moet, nadat het UWV de uitkering heeft overgemaakt naar een bankrekening, nog rekening worden gehouden met de beslagvrije voet?

Wat als deze bankrekening de beheerrekening is van de bewindvoerder?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475b
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475c
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/187 met annotatie van mr. A. Steneker

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.161.146/01

arrest van 21 april 2015

in de zaak van

[de bewindvoerder],

in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [de vrouw] en [de man],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als de bewindvoerster, resp. [de vrouw] en [de man],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,

tegen

[kredit] Kredit AB,

gevestigd te [vestigingsplaats],

mede kantoorhoudende te [kantoorplaats], domicilie kiezende te [domicilie],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [kredit],

advocaat: mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het in kort geding gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 11 september 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5285, gewezen tussen de bewindvoerster als eiseres en [kredit] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/278778/KG ZA 14-304)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met één productie;

  • -

    de memorie van grieven houdende drie grieven en één productie;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de voorzieningen-rechter vastgestelde, en in hoger beroep niet bestreden, feiten.

2.1.

Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden van 18 augustus 2011 zijn mevrouw [de vrouw] (hierna: [de vrouw]) en de heer [de man] (hierna: [de man]) onder beschermingsbewind geplaatst, met benoeming van eiseres tot bewindvoerder.

2.2.

Op 2 september 2011 heeft de bewindvoerder in het kader van de bewindvoering op naam van [de vrouw] en [de man] een tweetal bankrekeningen geopend bij de ABN AMRO Bank: een zogenaamde beheerrekening en een leefgeldrekening.

2.3.

Bij verstekvonnis van 11 maart 2014 is [de vrouw] door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld om aan [kredit] te betalen een bedrag van € 1.280,80 vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

2.4.

Het vonnis van 11 maart 2014 is op 4 april 2014 aan [de vrouw] betekend, waarbij tevens bevel tot betaling is gedaan.

2.5.

Op 28 april 2014 heeft [kredit] uit kracht van het vonnis van 11 maart 2014 executoriaal beslag gelegd ten laste van [de vrouw] onder de ABN AMRO Bank op de tegoeden van [de vrouw] op de beheerrekening. Op die bankrekening was door het UWV kort daarvoor de WAO-uitkering van [de man] overgemaakt.

2.6.

De bewindvoerder heeft [kredit] vervolgens verzocht het beslag op te heffen althans de beslagvrije voet in acht te nemen. [kredit] heeft het verzoek niet ingewilligd.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de bewindvoerster strekkende tot opheffing van het gelegde beslag en betaling van een door de bank in rekening gebracht bedrag van € 150,-- en van een bedrag van € 143,-- terzake van de eigen bijdrage van gefinancierde rechtsbijstand afgewezen en de bewindvoerster in de proceskosten veroordeeld (€ 816,- aan salaris en € 589,- aan vast recht).

In hoger beroep wordt vernietiging van het vonnis gevorderd met toewijzing alsnog van voornoemde vorderingen en met veroordeling van [kredit] in de proceskosten in beide instanties.

3.3.

Het beslag op de bankrekening

3.3.1.

De beslagstukken van 28 april 2014 zijn niet overgelegd.

Het hof begrijpt dat sprake is van executoriaal derdenbeslag onder de ABN-AMRO-bank op een bankrekening op naam van [de man] en [de vrouw] (rov. 4.3 van het bestreden vonnis). Sprake is van een beheerrekening geopend door de bewindvoerster. Dat voor [kredit] ten tijde van de beslaglegging kenbaar was dat sprake is van een zodanige rekening wordt evenwel niet gesteld en is ook niet gebleken.

3.3.2.

In punt 11 van de memorie van grieven wordt gesteld dat alle inkomsten van de onderbewindgestelden worden gestort op de beheerrekening. Volgens punt 3 van de pleitnota in eerste aanleg van de bewindvoerster geniet [de man] een WAO-uitkering van € 777,14 per maand en heeft [de vrouw] als ZZP-er een bruto-inkomen van € 370,- per maand. Het saldo van de bankrekening is niet meegedeeld.

3.3.3.

De bewindvoerster heeft het over een beslagvrije voet en stelt dat het WAO-inkomen (dat is het inkomen van [de man]) onder het beslag valt (punt 6 inl. dagv.).

In hoger beroep is niet betwist hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen in rov. 2.5 hiervoor geciteerd, namelijk dat ten laste van [de vrouw] beslag is gelegd op tegoeden van [de vrouw]. Het hof neemt op grond van de in eerste aanleg overgelegde productie 8 aan dat [de man] en [de vrouw] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Bijgevolg kan beslag worden gelegd (verhaal worden gehaald) op alle goederen van de gemeenschap (artikel 1:96 lid 1 BW) dus op het gehele saldo van de bankrekening, inclusief de daarop gestorte WAO-uitkeringen van [de man]. Dat verhaal wordt gezocht op alleen het tegoed van [de vrouw] (zoals de voorzieningenrechter vaststelde) is onjuist en niet te verenigen met het niet bestreden uitgangspunt dat het beslag mede de WAO-uitkering van [de man] raakt. Het hof zal de feitenvaststelling aldus verbeterd lezen.

3.4.

De ontvankelijkheid

3.4.1.

Uit de wel overgelegde stukken blijkt het volgende.

Uit de dagvaarding van 10 februari 2014, uitgebracht door [kredit] na cessie van de vordering, blijkt van het bestaan van een vordering van Essent Retail Energie B.V. op [de vrouw] in hoofdsom van € 1.047,40, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad

€ 190,10 en rente tot de dag der dagvaarding ad € 43,30 (in totaal € 1.280,80).

[de vrouw] is bij verstekvonnis van 11 maart 2014 veroordeeld om dit bedrag aan [kredit] te betalen vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding. Voorts is zij veroordeeld in de kosten ad € 462,- aan griffierecht, € 93,80 aan explootkosten, € 1,97 aan informatiekosten en € 150,- aan salaris gemachtigde (in totaal € 707,77).

Het verstekvonnis is op 4 april 2014 aan [de vrouw] betekend waarbij bevel is gedaan tot betaling van de veroordeling ad € 1.280,80, de proceskosten ad € 707,77, de nakosten ad € 75,- en de kosten van het exploot ad € 92,25, derhalve in totaal € 2.159,78 te vermeerderen met wettelijke rente.

Niet blijkt voor welk bedrag beslag is gelegd. Het hof neemt aan (nu de ontvankelijkheid niet is betwist) dat beslag is gelegd voor laatstgenoemd bedrag derhalve voor een bedrag dat uitstijgt boven de appelgrens van artikel 332 lid 3 Rv.

3.4.2.

In punt 25 van de memorie van antwoord herhaalt [kredit] (zie immers ook pleitnota eerste aanleg randnummer 16) dat het beslag inmiddels is geëindigd doordat de bank de onder het beslag vallende gelden heeft uitgekeerd (welke gelden dat zijn en hoeveel is uitgekeerd blijkt niet).

Voor zover [kredit] daarmee betoogt dat de bewindvoerster geen belang meer heeft bij haar hoger beroep faalt dit verweer. Weliswaar kan de vordering tot opheffing van het beslag niet worden toegewezen (de bewindvoerster heeft geen vordering ingesteld tot terugbetaling van hetgeen door de bank werd uitgekeerd), maar de bewindvoerster ontleent voldoende belang aan de proceskostenveroordeling waarvan (mede) vernietiging wordt gevorderd.

3.5.

Grief 3: Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter op 11 september 2014 geoordeeld dat het op 28 april 2014 gelegde beslag niet onrechtmatig is.

3.5.1.

In de toelichting op de grief wordt betoogd, onder verwijzing naar de uitspraak HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525 (beantwoorden prejudiciële vraag), dat het verstekvonnis iedere rechtskracht mist nu ten onrechte niet de beschermingsbewindvoerster in geding is geroepen, maar [de vrouw].

3.5.2.

Deze opvatting, dat aan een vonnis rechtskracht kan worden ontzegd door in een volgend geding dit te doen vaststellen, is onjuist, want is onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (zie laatstelijk HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2898).

3.5.3.

De grief faalt.

3.6.

Grief 1: Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het verstek- vonnis van 11 maart 2014 op een juiste wijze is betekend.

3.6.1.

Blijkens de toelichting op de grief zou het verstekvonnis ten onrechte aan [de vrouw] zijn betekend, in plaats van aan de bewindvoerster. Betekening zou bovendien hebben moeten plaatsvinden op het kantoor van de bewindvoerster, nu [de vrouw] en [de man] daar ingevolge artikel 1:12 lid 2 BW woonplaats houden. Deze stellingen vinden hun grond in de stelling van de bewindvoerster dat [kredit] bekend was met het beschermingsbewind, althans daarvan op de hoogte kon en behoorde te zijn omdat zulks door haar was meegedeeld aan Essent. Het beslag is deswege nietig, aldus de bewindvoerster. [kredit] bestrijdt niet de bekendheid bij Essent, maar stelt dat bij de cessie van de vordering op 28 augustus 2012 haar het bestaan van een beschermingsbewind niet is meegedeeld (punt 4 mva).

3.6.2.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 430 lid 3 Rv een vonnis niet kan worden ten uitvoer worden gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten. In de regel zal dit zijn degene wie in het vonnis als de wederpartij wordt aangemerkt, hier: [de vrouw]. In het onderhavige geval is het vonnis betekend aan [de vrouw], met dien verstande dat het exploot is uitgereikt aan ‘haar echt- en huisgenoot’, [de man] (prod. 9 inl. dagv.).

Indien sprake is van een bewindvoerder kan aan hem of haar worden betekend, nu hij/zij de onderbewindgestelde in en buiten rechte vertegenwoordigt, artikel 1:441 BW. Betekening aan de bewindvoerster als formele partij geldt ook als betekening jegens [de vrouw] als materiële partij. De vraag is hier of betekening aan de materiële partij ([de vrouw]) ertoe leidt dat het vonnis niet kan worden tenuitvoergelegd, dat wil zeggen dat het executoriale derdenbeslag nietig is, althans geen doel kan treffen en vatbaar wordt voor opheffing.

3.6.3.

De grief mist feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter heeft niet vastgesteld dat het verstekvonnis op juiste wijze is betekend. Aan het slot van rov. 4.1 van het vonnis waarvan beroep oordeelt de voorzieningenrechter dat [kredit] kon volstaan met betekening aan [de vrouw]. Daarmee onderbouwt de voorzieningenrechter het gegeven oordeel dat betekening aan de onderbewindgestelde de executie nog niet onrechtmatig maakt. De voorzieningenrechter is kennelijk van oordeel dat, in het midden latend of het verstekvonnis al dan niet juist is betekend, in de gegeven omstandigheden het gelegde beslag niet nietig (of onrechtmatig) is. Het hof deelt deze opvatting.

3.6.4.

Ingevolge artikel 66 lid 1 Rv, dat mede van toepassing is op de betekening van een veroordelend vonnis als bedoeld in artikel 430 Rv, brengt niet-naleving (betekening aan de materiële partij op haar woonplaats in plaats van betekening aan de formele partij op haar woonplaats) slechts nietigheid mee voor zover aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd (de formele partij, de bewindvoerster) door het gebrek onredelijk is benadeeld. Zodanige benadeling wordt niet gesteld en is ook niet gebleken. De bewindvoerster is kennelijk op de hoogte geraakt van de betekening aan [de vrouw] (de betekening vond plaats op 4 april 2014, het beslag werd op 28 april 2014 gelegd, de bewindvoerster protesteerde bij de beslagleggende deurwaarder bij brief van 29 april 2014) en heeft het onderhavige kort geding kunnen entameren. Bovendien had zij verzet kunnen instellen, maar zij heeft daar kennelijk vanaf gezien.

Overigens kan een eventueel gebrek bij exploot hersteld worden (lid 2). Voor het doen uitbrengen van een herstelexploot bestaat geen reden nu de bewindvoerster met de betekening bekend is geworden.

Overigens neemt het hof in overweging dat de door de bewindvoerster naar voren gebrachte bezwaren naar de kern genomen geen betrekking hebben op de formele vereisten van de betekening en beslaglegging maar op het negeren van de beslagvrije voet (althans in eerste aanleg).

3.6.5.

De grief faalt.

3.7.

Grief 2: Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het beslag op de beheerrekening met nr. (…) rechtens is toegestaan.

3.7.1.

Deze opvatting van de bewindvoerster is in haar algemeenheid onjuist. Er bestaat geen rechtsregel die meebrengt dat een bewindvoerster (als bedoeld in Boek I BW) kan bewerkstelligen dat vermogen van de onderbewindgestelde aan verhaal wordt onttrokken door de bankrekening als een beheerrekening te kwalificeren. Een zodanige rekening is geen kwaliteitsrekening, noch een afgescheiden vermogen.

Ook de enkele omstandigheid dat de bewindvoerster aan de beslaglegger heeft meegedeeld dat sprake is van een beheerrekening - met een vermogen ten behoeve van het levensonderhoud van de onderbewindgestelden – maakt handhaving en voortzetting van het beslag niet onrechtmatig: een schuldenaar staat in beginsel met zijn hele vermogen in voor betaling (tenzij en voor zover de wet anders bepaalt).

3.7.2.

Ingevolge artikel 475b Rv is beslag onder een derde (hier: de ABN-AMRO-bank) op een of meer vorderingen van de schuldenaar ([de vrouw]), tot periodieke betaling waaraan een beslagvrije voet is verbonden, slechts geldig voor zover een periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Tussen partijen is niet in geschil dat de WAO-uitkering van [de man] onder de werking van artikel 475c Rv valt. Overigens doet de bank geen periodieke betaling.

3.7.3.

Naar het oordeel van het hof wordt het systeem van de beslagvrije voet op onaanvaardbare wijze doorbroken indien – zoals [kredit] kennelijk betoogt – de werking van de regeling eindigt zodra het beslagvrije bedrag uit het vermogen van de uitkerende instantie is geraakt door storting op een bankrekening ten name van de gerechtigde, zodat beslag wel mogelijk is op het saldo van de beslagvrije voet zodra dat saldo is bijgeschreven op de bankrekening van de schuldenaar. Aan het doel en de strekking van de beslagvrije voet wordt ernstig afbreuk gedaan doordat door het beslag op die bankrekening geen geld meer ter beschikking is voor het levensonderhoud van de onderbewindgestelden. In dit verband is van belang dat voor beslag onder bijvoorbeeld de werkgever op loon of onder de uitkerende instantie op de uitkering een beslagvrije voet geldt, maar dat van die werkgever en instantie niet kan worden verlangd het beslagvrije gedeelte contant uit te keren. Er zal in de regel betaling via een bank worden gerealiseerd. Aan de toepassing van de regels van de beslagvrije voet moet derhalve deze uitleg worden gegeven dat een beslag onder de bank op de rekening van de gerechtigde niet zal beklijven voor zover daarop het beslagvrije gedeelte van de uitkering is gestort (in de zelfde zin rb. Amsterdam 16 november 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009: BK3544 en rb. Rotterdam 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:8478).

Voor deze uitleg vindt het hof nog steun in artikel 475a lid 1 Rv waarin wordt bepaald dat het beslag zich niet uitstrekt tot vorderingen (of zaken) die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn. Het beslagvrije deel van een WAO-uitkering is niet vatbaar voor beslag en wordt niet vatbaar voor beslag door storting op de bankrekening van de rechthebbenden.

Het door de voorzieningenrechter genoemde arrest HR 21 mei 1999, NJ 2001/630 doet hier niet aan af.

3.7.4.

Dit een en ander kan de bewindvoerster evenwel niet baten. In hoger beroep wordt er niet (meer) over geklaagd dat het executoriale derdenbeslag niet de WAO-uitkering kan raken. Er wordt alleen nog betoogd dat geen beslag kan worden gelegd op de beheerrekening. En die opvatting is onjuist, zoals hiervoor uiteengezet. Bovendien geldt voor het inkomen van [de vrouw] geen beslagvrije voet, terwijl ook denkbaar is dat gespaard geld op de bankrekening staat. Het beslag kan in zoverre niet worden opgeheven.

In het verlengde hiervan dient – voor zover de gevorderde opheffing van het beslag betrekking heeft op de het saldo van de beslagvrije voet van de WAO-uitkering – door de bewindvoerster te worden gesteld welk gedeelte van het banksaldo daarop betrekking heeft en welk saldo dat niet heeft. Aan deze specificatie(stel)plicht heeft de bewindvoerster niet voldaan.

3.7.5.

Grief 2 faalt.

3.8.

De conclusie is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van de bewindvoerster in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt de bewindvoerster in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [kredit] worden begroot op € 704,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris advocaat

en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, W.H.B. den Hartog Jager en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2015.

griffier rolraadsheer