Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1487

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
28-04-2015
Zaaknummer
HD200.154.127_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:3326
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:4032
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:1469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen verjaring ex art. 105 BW van strook gemeente grond; aan bezit te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.154.127/01

arrest van 21 april 2015

in de zaak van

1 [appellante 1],
wonende te [woonplaats 1],

2. [Holding] Holding BV,
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [appellante 3 ],
wonende te [woonplaats 2],

appellanten,

hierna aan te duiden als [appellanten],

advocaat: mr. M.J. Willemsen te Breda,

tegen

Gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

gevestigd te Nuenen,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 mei 2014, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en de gemeente als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/257451 HA ZA 13-35)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 13 maart 2013, waarbij een comparitie van partijen werd bepaald en waarna tot een descente met comparitie werd overgegaan.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven (met zeven grieven en dertien producties);

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partij pleitnotities hebben overgelegd;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [appellanten] zijn eigenaren van de drie aaneengesloten percelen met woningen aan de [straatnaam] [1], [2] en [3] te [woonplaats 1]. Appellant sub 1 (verder: [appellanten]) is sinds 1996 eigenaar van de woning nr. [1] en verwierf in 2003 de woning nr. [2] voor zijn onderneming, appelante sub 2. Appellant sub 3, de zoon van [appellante 1] (verder: zoon [appellanten]), is sinds 2009 eigenaar van de woning nr. [3]. Het bedrijf van [appellanten] is huurder van die woning die als kantoor wordt gebruikt. Zowel aan de linkerzijde van de woningen van [appellanten] als aan de rechterzijde daarvan, van de straatzijde uit gezien, zijn aan de [straatnaam] andere huizen gelegen. De percelen aan de rechterzijde zijn ten opzichte van de percelen van [appellanten] aan de straatzijde meer naar voren gelegen en aan de achterzijde in gelijke mate minder naar achteren.

  2. De percelen [1], [2] en [3] grenzen evenals de links en rechts daarvan gelegen percelen aan de achterzijde aan het aan de gemeente in eigendom toebehorende perceel [perceelnummer] (verder: het perceel van de gemeente) waarop een openbare groenvoorziening (grasveld en groenstrook) is gelegen.

  3. [appellanten] hebben geen onderlinge afscheiding tussen hun achtertuinen. Zij gebruiken de tuinen allen als één tuin. De achtertuin ter hoogte van de percelen [1] en [2], waar de woningen aan de achterzijde een uitbouw hebben, is, gerekend tot de kadastrale grens, circa 5 meter diep. Bij de woning [3], is geen aanbouw aangebracht. De achtertuin begint daar circa drie meter verder naar voren, waardoor de achtertuin bij perceel [2] drie meter dieper is. De achtertuinen van de percelen [1], [2] en [3] hebben een gezamenlijke breedte van circa 30 meter.

  4. [appellanten] heeft na de aankoop van perceel nr. [1] bij brief van 5 november 1998 (prod. 8 inl. dagv.) de gemeente verzocht een aan zijn perceel grenzende strook grond van 5 meter van het perceel van de gemeente te mogen kopen. De gemeente heeft dat verzoek bij brief van 21 december 1998 (prod. 9 inl. dagv.) afgewezen.

  5. Op 11 november 2011 heeft de gemeente de groenstrook op haar perceel teruggesnoeid tot een hoogte van ca. 10 centimeter.

  6. Bij e-mail van 11/11/2011 12:13 (onderwerp: klacht) (prod. 6 inl. dagv.) schrijft [appellanten] aan de gemeente: “(..) Woon op de refelinse erven [1]/[2] en spreek ook namens [3] dus 3 klachten invoeren aub. De hele achtyerkant van onze tulinen is tot op de bodem rigoreus kaal gehakt..tuur;lijk is het als gemeente goed recht om te doen met de grond wat jullie willen, alleen is deze groenstrook van 3 meter altijd gebruikt als natuurlijke schutting. Ik heb jaren geleden officieel een verzoek gedaan om deze strook grond over te mogen nemen, zodat ik zelf het onderhoud ervan naar eigen inzicht kon doen.. dat was afgewezen. In het licht van deze actie en nu mijn tuin geheel onbeschut in contact is met het gemeenteveld, wil ik nogmaals een officieel verzoek indienen om de strook bij te mogen kopen.. het gaat om een strook van 3 meter achter de huizen [1]/[2] en [3]. (…)”

  7. Bij e-mail van 11/11/2011 3:02 aan de gemeente t.a.v. [vertegenwoordiger gemeente 1] (prod. 6 inl. dagv.) heeft [appellanten] aan de heer [vertegenwoordiger gemeente 1] het volgende geschreven: “(…) Ik zal mij eerst even voorstellen, mijn naam is [appellante 1], ik woon met mijn zoon op de [straatnaam] [1]/[2] en [3]. De groenstrook achter mijn huis is vandaag rigoreus gekort door de plantsoenendienst in opdracht van de gemeente. Hierdoor is mijn hele achtertuin in het zicht komen te staan van het gemeenteveld achter. De inbraakgevoeligheid is hierdoor vele malen groter geworden. (….) Ik stel u hierbij persoonlijk verantwoordelijk als op korte termijn (binnen 6 maanden) in een of meerdere van mijn huizen ingebroken wordt. (…) Verder stel ik mij op het standpunt dat u mij nu dwingt een schutting neer te zetten, waar dat nog mooit nodig is geweest omdat het bestemmingsplan een 3 meter groene strook heeft bepaald die nu geen groene strook meer genoemd kan worden. Ik hoop op een schadevergoeding vanuit de gemeente of een bijdrage voor het aanleggen van een schutting die ik eigenlijk niet wil hebben. (…)”

  8. Bij e-mail van 15 november 2011 (prod. 6 inl. dagv.) heeft [appellanten] aan de gemeente - t.a.v. [vertegenwoordiger gemeente 1], [vertegenwoordiger gemeente 2], [vertegenwoordiger gemeente 3], [vertegenwoordiger gemeente 4] en eenieder die met de besnoeiing van de [straatnaam] te maken heeft - onder meer geschreven: “(…) Ik wil nog enkele feiten beaccentueren en tevens wil ik mij beroepen op de wet verjaring van grondzaken (…)
    (…)
    - Ik heb zo’n 12 jaar geleden een paar draden gespannen vanaf de tuinhek naar de grote eikenboom en zo op 1 lijn verder het stuk grond (deel van de groenstrook) wat aan mijn tuin grenst. Deze draad diende als bescherming tegen nachtelijke insluipers en kan tevens als erfafscheiding gezien worden. Deze is afgelopen vrijdag weggehaald net zoals het fietsenrekje met betonblok dat uit de grond is getrokken door de mensen van de plantsoenendienst.
    - Het stuk grond (deel groenstrook wat aan mijn tuin grenste) is al meer dan 10 jaar door mij in gebruik genomen o.a. als fietsenrek, houtopslag, plaats voor kliko’s, parkeerplaats voor de aanhanger, tuinstoelen, etc.
    - ik heb 15 jaar geleden en 11 jaar geleden bomen en struiken (Lauriers, Hazelaar, Rododenderon) geplant op de groenstrook (mijn kant van de draad die als afscheiding diende). Deze bomen zijn nu allemaal kapotgezaagd.
    - Ik wil hierbij beweren dat het stuk grond tussen mijn oude erfafscheiding en de grote eikenboom en dat doorgetrokken nu mijn eigendom is door langdurig gebruik. (…).
    (…)
    - Ik verzoek hierbij de gemeente om de kadastrale gegevens aan te passen, daar door langdurig gebruik (meer dan 10 jaar) het grondstuk tot aan de lijn van de waar de eikenboom staat bijgeschreven als eigendom beschouwd mag worden en hoort bij het grondstuk van [straatnaam] [1]/[2]/[3]. (..)”

  9. Bij e-mail van 28 november 2011 (prod. 6 inl. dagv.) heeft [appellanten] aan de gemeente - t.a.v. [vertegenwoordiger gemeente 1], [vertegenwoordiger gemeente 2], [vertegenwoordiger gemeente 3], [vertegenwoordiger gemeente 4] en eenieder die met de besnoeiing van de [straatnaam] te maken heeft - onder meer geschreven: “ (…) Zoals eerder vermeld heeft de plantsoenendienst de erfscheiding die door een draad was begrenst helemaal genegeerd en zelfs de draad, de fietshouderblok en elektra uit de grond getrokken. een groot deel van de groenstrook van 3 meter is al meer dan 10 jaar en ik wil zelfs beweren meer dan 20 jaar onderhouden door de bewoners en meer dan de helft van de groenstrook achter de percelen [straatnaam] [1], [2] en [3] is al meer dan 10 jaar en ik beweer zelfs meer dan 20 jaar in gebruik genomen voor fietsenstalling, berging, ruimte voor kliko’s, opbergruimte voor hout, tuingereedschap en een deel is bijgetrokken bij de achtertuin. Deze huizen staan hier al ruim 40 jaar en ik stel dus dat deze grond nu door verjaring (…) ”

  10. Bij brief van 23 mei 2012 (prod. 7 inl. dagv.) heeft [vertegenwoordiger gemeente 1], wethouder Openbare Werken, namens de gemeente op deze e-mails als volgt gereageerd: “(…) Tevens willen wij u nog wijzen op een melding over de processierups, waarbij wij u oop 25 mei 2009 een bezoek hebben gebracht. Wij werden uitgenodigd voor inspectie te voeren op de eik grenzend aan zijn achtertuin voor processierups. Wij hebben geen processierups gevonden. Wel hebben we geconstateerd dat u onze beplanting gebruikt als begrenzing voor uw tuin. Wij hebben toen al gewezen op het gevaar, dat als wij gaan snoeien hij erg open zou komen te liggen. Tevens hebben wij u er toen op gewezen dat u uw eigendommen op gemeentegrond heeft staan. U heeft dit voor kennisgeving aangenomen. Verjaring (…) Wij zijn als gemeente eigenaar van de groenstrook. Door de onderhoudswerkzaamheden en de kadastrale gegevens kan er geen misverstand bestaan over het eigendom van de gemeente. Wij melden u nadrukkelijk dat er geen sprake is van verjaring waardoor het eigendomsrecht naar u is overgegaan. Wij gaan daarom ook niet akkoord dat u de groenstrook in gebruik neemt. (…) Verzoek aankoop groenstrook (…) U heeft al eerder een verzoek gedaan om de strook aan te kopen. Wij hebben dit verzoek afgewezen. Wij hebben uw hernieuwde verzoek, wederom inhoudelijk beoordeeld. Wij wijzen uw verzoek tot aankoop van een gedeelte van het perceel openbaar groen af. De reden hiervan is, dat dit stuk openbaar groen wordt gezien als beeldbepalend voor de wijk. (…) Uw achtergrens loopt in een lijn met de woningen van [X] t/m [3]. Wij willen daar geen vertanding in aanbrengen. (…)”

  11. De aan de percelen van [appellanten] grenzende groenstrook op het perceel van de gemeente is in zijn geheel ongeveer 5,5 m diep. [appellanten] hebben na de snoeiwerkzaamheden van de gemeente in 2012 achter hun percelen een rieten schutting van circa 2 meter hoog met vaste houten palen doen plaatsen op ruim 3 meter uit de kadastrale grens tussen hun percelen en die van de gemeente.

  12. De groenstrook van circa 5,5 m diep is door de rechtbank onderscheiden in ‘tuinstrook’ (voor de eerste 3 meter uit de kadastrale grens die [appellanten] als tuin hebben gebruikt) en ‘groenstrook’ (voor het resterende gedeelte daarvan) .

3.1.2. De gemeente heeft in eerste aanleg in conventie, na wijziging van eis, gevorderd, kort samengevat:
- (I t/m VI): verklaringen voor recht dat [appellanten] niet door verjaring eigendom hebben verkregen van de tuinstrook en de groenstrook op het perceel van de gemeente;
- (VII t/m XII): verklaringen voor recht dat de gemeente (onbezwaard) eigenaar is van de tuinstrook en de groenstrook achter de percelen [straatnaam] [1], [2] en [3];
- (XIII t/m XVIII: veroordeling van [appellanten] tot ontruiming van de tuinstrook en de groenstrook, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- (XIX) veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

3.1.3. [appellanten] vorderden in reconventie, na wijziging van de eis in reconventie, kort samengevat, primair:
I. verklaring voor recht dat de strook grond van 30 bij circa 5,5 meter achter hun percelen eigendom is geworden van [appellanten] door verjaring ex art. 3:105 BW juncto art. 3:306 BW; II. veroordeling van de gemeente tot medewerking aan de inschrijving van die eigendomsverkrijging in de openbare registers, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

III. veroordeling van de gemeente tot betaling van een bedrag van € 7.000,= aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 november 2011;

IV. veroordeling van de gemeente tot vergoeding van door [appellanten] gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

V. veroordeling van de gemeente in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Subsidiair vorderden [appellanten] verklaringen voor recht van verkrijging van eigendom van de door ieder van hen gebruikte delen van de groenstrook van 5,5 meter en medewerking van de gemeente tot inschrijving daarvan in de openbare registers (vorderingen I t/m IV) met de andere hiervoor genoemde vorderingen (subsidiair genummerd als V t/m VII).

3.1.4.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vorderingen in conventie (met een samenvattend dictum) toegewezen en de vorderingen van [appellanten] in reconventie afgewezen. De rechtbank legde daaraan de overweging ten grondslag dat, kort samengevat, het enkele gebruik door [appellanten] van de strook grond van de gemeente onvoldoende was om te worden beschouwd als bezitsdaad van [appellanten] met de intentie zich die grond toe te eigenen. Volgens de rechtbank hebben [appellanten] onvoldoende feiten gesteld om op grond van verkeersopvatting te kunnen aannemen dat zij de tuin- en groenstroken voor zichzelf hebben willen bezitten en de gemeente dat bezit heeft prijsgegeven (r.o. 4.8 vs).

3.2.1.

[appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. In de grieven I t/m V richten [appellanten] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende uiterlijke feiten zijn gesteld om te kunnen concluderen tot een bezitten voor zichzelf van [appellanten] en hun rechtsvoorgangers en bezitsverlies van de gemeente dat tot verkrijging van eigendom door [appellanten] door extinctieve verjaring heeft geleid. In grief VI komen [appellanten] op tegen het daarop stoelende oordeel van de rechtbank dat om die reden de vorderingen van [appellanten] in reconventie moeten worden afgewezen en de vordering van de gemeente in conventie toewijsbaar is. Grief VII is gericht tegen de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van het geding in conventie en in reconventie. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen.

3.2.2.

Het hof acht door de grieven I t/m V de vraag of [appellanten] al dan niet door verjaring de eigendom hebben verkregen van de circa 30 meter brede tuinstrook en groenstrook opnieuw aan zijn oordeel onderworpen. Het hof zal voormelde grieven hierna gezamenlijk bespreken en alleen waar nodig expliciet op enige grief afzonderlijk ingaan.

3.3.1.

[appellanten] beroepen zich op het door hen zijn verkregen van de eigendom van een aan hun percelen grenzende strook grond van het perceel van de gemeente van circa 5,5 meter (de tuinstrook + de groenstrook) dan wel van 3 meter (de tuinstrook) op grond van verjaring als voorzien in art. 3:105 BW (verkrijging door bezit en het verjaard zijn van het vorderingsrecht van de eigenaar tot beëindiging van dat bezit).

3.3.2.

Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is in de eerste plaats vereist dat sprake is geweest van bezit van [appellanten] (en eventuele rechtsvoorgangers). De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. [appellanten] moeten de strook grond naar buiten kenbaar ondubbelzinnig hebben gehouden voor zichzelf met de pretentie daarvan de rechthebbende te zijn. Hun intentie om het goed voor zichzelf te houden en het bezit daarvan aan de eigenaar te onttrekken moet blijken uit uiterlijk waarneembare feiten waaruit naar verkeersopvattingen die intentie kan worden afgeleid. Voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW is verder vereist dat de eigenaar gedurende (meer dan) twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit van de eigendom.

3.3.3.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof bij haar beoordeling van de door [appellanten] gestelde feiten en omstandigheden, waaruit volgens [appellanten] zou blijken van bezit van hen en hun rechtsvoorgangers van de strook grond, terecht vooropgesteld dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt te worden aangenomen. Dat geldt naar het oordeel van het hof temeer bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren. Dat eigenaren of huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen gebruik maken van dergelijke stroken grond en/of deze onderhouden ter verhoging van het genot van hun privé-percelen is niet ongebruikelijk. Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daar niet zonder meer in gelegen worden geacht.

3.3.4.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat in de gegeven situatie, waar de groenstrook van het perceel van de gemeente voor de woningen aan de [straatnaam] een natuurlijke omzoming van de achtertuinen vormde, het in die groenstrook aanbrengen van een afscheiding van paaltjes met gaas of draad om de bewegingsvrijheid van honden en/of kinderen te beperken, niet valt te scharen onder uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de gemeente kan worden afgeleid. Het hof deelt verder dat zelfde oordeel van de rechtbank ten aanzien van het gebruik van de strook grond voor het plaatsen van roerende zaken als genoemd in r.o. 4.4.1 onder d van het beroepen vonnis. Voor het plaatsen van een kippenhok, speelhuis voor kinderen en/of een houtopslag, het in privé aanbrengen van beplantingen en het onderhouden daarvan en van de door de gemeente aangebrachte beplanting en het aanbrengen van doorgangen in de afscheiding, geldt naar het oordeel van het hof eveneens dat daaruit nog niet ondubbelzinnig blijkt van een pretentie om de strook grond aan het eigendomsrecht van de gemeente te onttrekken en voor zichzelf te gaan houden. Aan de door [appellanten] overgelegde verklaringen van hun rechtsvoorgangers waaruit van zodanige afscheidingen en gebruik van de strook grond van de gemeente blijkt kan daarom geen bewijs worden ontleend voor enig reeds door de rechtsvoorgangers van [appellanten] uitgeoefend bezit voor zichzelf. De stelling van [appellanten] dat een speelhuis en een houtopslag niet als roerende zaken zouden zijn aan te merken en de vraag sinds wanneer zaken als hiervoor vermeld op de tuinstrook en/of groenstrook aanwezig zijn geweest, zijn gezien het hiervoor overwogene niet relevant en behoeven geen verdere bespreking.

3.3.5.

De rechtbank heeft verder terecht opgemerkt dat bovendien het verzoek van [appellanten] in 1998 om de strook grond van de gemeente te kopen onverenigbaar is met enige eigenaarspretentie van de strook grond. [appellanten] stellen wel terecht dat het verzoek van [appellanten] in 1998 niet kan afdoen aan een eenmaal voltooide verkrijging door verjaring. Dat neemt echter niet weg dat in dat geval uit het verzoek van [appellanten] aan de gemeente moet worden geconcludeerd dat hij de desbetreffende strook grond kennelijk niet door zijn rechtsvoorganger in eigendom geleverd heeft gekregen en dat hij deze vervolgens evenmin is gaan houden voor zichzelf. Dit ligt hooguit anders voor de plaats waar de rechtsvoorganger van [appellanten] op perceel [1] een broeikas hadden die deels op het perceel van de gemeente gelegen was. [appellanten] stellen in hoger beroep dat deze broeikas bij de eigendomsoverdracht van perceel [1] wel aan [appellanten] is geleverd en pas nadien met toestemming van [appellanten] door de rechtsvoorganger is teruggenomen en dat [appellanten] vervolgens op de plaats waar de broeikas stond een open schuur heeft aangebracht. Nu volgens de door [appellanten] overgelegde verklaring van voormelde rechtsvoorganger ([rechtsvoorganger], prod. 5 mem.v.grieven) die broeikas in 1987 is gebouwd doet zich ten aanzien van de broeikas, voor zover gelegen op het perceel van de gemeente, echter niet de situatie voor dat een daaruit mogelijk af te leiden bezit van het desbetreffende gedeelte van het perceel van de gemeente reeds twintig jaar had geduurd ten tijde van de in het verzoek van 1998 gelegen erkenning van [appellanten] van de eigendom van de gemeente van (ook) dat deel van de strook grond.

3.3.6.

De vraag of [appellanten] zelf na hun aankoop van de percelen op enig moment door uiterlijk waarneembare gedragingen ondubbelzinnig bezit van de aan de gemeente in eigendom toebehorende tuinstrook en/of groenstrook hebben genomen, kan verder onbesproken blijven nu sedert de door [appellanten] voor dergelijk bezit gestelde gedragingen nog geen twintig jaar is verlopen totdat de gemeente in het onderhavige geding in conventie bij dagvaarding van 28 december 2012 haar recht op de eigendom van de strook grond heeft doen gelden.

3.3.7.

Op grond van het voorgaande falen de door [appellanten] tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven I t/m V en kunnen de daarop stoelende grieven VI en VII evenmin doel treffen. In grief VI stellen [appellanten] wel dat de rechtbank hun vordering tot schadevergoeding en vergoeding van door hen gemaakte buitengerechtelijke kosten ten onrechte niet heeft beoordeeld doch ook die grief borduurt blijkens de toelichting op de grief slechts voort op de andere grieven en op het standpunt van [appellanten] dat zij door verjaring de eigendom van de tuinstrook en/of de groenstrook hebben verkregen en de gemeente daarom onrechtmatig heeft gehandeld door op die strook snoeiwerkzaamheden te verrichten. Enige andere grond dan het beroep op het door verjaring verkregen hebben van de eigendom van de strook grond hebben zij voor het door hen gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente niet aangevoerd.

3.4.1.

Het voorgaande betekent dat, nu [appellanten] daartegen geen andere grieven dan de hiervoor besproken grieven hebben aangevoerd, het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3.4.2.

Nu door [appellanten] geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, wordt aan het door [appellanten] aangeboden bewijs als niet ter zake dienende voorbij gegaan.

3.4.3.

[appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente worden begroot op € 704,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, L.W. Louwerse en M.J. Pesch en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2015.

griffier rolraadsheer