Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1289

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
13-00936
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:5246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is tijdens de bezwaarprocedure ontbonden. Zij maakt aanspraak op een bate en wendt rechtsmiddelen aan om die aanspraak bij rechtelijke instanties te toetsen. Daarmee is gegeven dat de vereffening van vermogen van belanghebbende voortduurt. Belanghebbende is ontvankelijk in beroep.

Met de door de Inspecteur gegeven aannemelijke verklaringen voor de toename van de lonen en salarissen en de afname van de pensioenvoorziening met de schuld aan de Stichting, behoefde de Inspecteur niet te twijfelen dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. De Inspecteur heeft zijn onderzoekplicht niet verzaakt, er is geen sprake van een ambtelijk verzuim. Geen schending van gelijkheids- of vertrouwensbeginsel omtrent de wijze van het corrigeren van de pensioenoverdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/917
Belastingadvies 2015/13.2
V-N 2015/33.7 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1021
NTFR 2015/1403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00936

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 16 juli 2013, nummer AWB 12/180, in het geding tussen

[belanghebbende] , was gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 9 oktober 2010, onder aanslagnummer [aanslagnummer], opgelegd een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2006 (hierna: de navorderingsaanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 108.156, alsmede bij beschikking een bedrag van € 5.490 aan heffingsrente in rekening gebracht en een beschikking tot herziening van het over 2006 vastgestelde verlies genomen. Na daartegen bij brief van 16 november 2010 gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, alsmede de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente vernietigd en vergoeding van griffierecht en proceskosten gelast.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur bij brief van 22 augustus 2013 hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting (alsmede in de zaken bij het Hof bekend onder de kenmerken 13/00934 en 13/00935) heeft plaatsgehad op 12 september 2014 te ’s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, de heer [A], als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door de heer [B], vereffenaar en voormalig bestuurder van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C], mevrouw [D] en mevrouw [E].

1.5.

Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 18 maart 1994 door de heer [B] (hierna: de heer [B]), chirurg van beroep. Bij de oprichting werd het aandeel van de heer [B] in [F] ingebracht. De heer [B] is sinds de oprichting enig aandeelhouder en als directeur enig werknemer van belanghebbende. Belanghebbende heeft ten behoeve van de heer [B] een pensioenregeling getroffen en daartoe een pensioenvoorziening in eigen beheer opgebouwd. Op 1 juni 2006 is de heer [B] 65 jaar geworden en heeft hij zijn werkzaamheden als chirurg beëindigd.

2.2.

De bij belanghebbende opgebouwde pensioenverplichting is op 28 december 2006 overgedragen aan Stichting [BB] (hierna: de Stichting), opgericht op 19 december 2006. Met betrekking tot deze overdracht is een overeenkomst gesloten tussen belanghebbende, de Stichting en de pensioengerechtigden, zijnde de heer [B] en zijn echtgenote, welke overeenkomst is geregistreerd op 29 december 2006 bij de inspecteur te Rotterdam. In deze overeenkomst is bepaald dat de overdrachtswaarde wordt berekend op basis van sterftetabel GBM/GBV 1995-2000, leeftijdsterugstelling van vijf jaar voor mannen en zes jaar voor vrouwen, een rekenrente van 3,74%, een na-indexatie van 2,11% en een vaste kostenopslag. De overdrachtswaarde is aldus bepaald op een bedrag van € 674.107. Betalingen tot dit bedrag aan de Stichting hebben in 2007 successievelijk plaatsgehad.

2.3.

Op 26 september 2007 heeft belanghebbende de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2006 (hierna: de aangifte) digitaal ingediend en wel naar een belastbaar bedrag van negatief € 23.050. In de aangifte heeft belanghebbende met betrekking tot de onder 2.2 vermelde pensioenoverdracht het volgende opgenomen:

- aan het begin van het boekjaar 2006 bedroeg de post “Pensioenvoorziening” € 425.229 en aan het eind van het boekjaar was deze nihil;

- aan het begin van het boekjaar 2006 bedroeg de post “Overlopende passiva” € 3.985 en aan het eind van het boekjaar € 676.707;

- bij de winstberekening over 2006 blijkt de post “Netto-omzet” ten opzichte van 2005 bijna gehalveerd (van € 204.943 in 2005 naar € 104.118 in 2006) en de post “Lonen en salarissen” is gestegen van € 186.068 in 2005 naar € 313.511 in 2006;

- uit de “Specificaties op de jaarstukken” blijkt dat de post “Overlopende passiva” ultimo 2006 onder meer omvat een schuld aan de Stichting van € 674.107.

2.4.

Belanghebbende heeft in de aangifte het verschil tussen de overdrachtswaarde van de pensioenverplichting ad € 674.107 en de boekwaarde van de pensioenvoorziening per ultimo 2005 van € 425.229, zie 2.3, is € 248.878 onder de post “Lonen en salarissen” ten laste van de bij haar in aanmerking te nemen belastbare winst over het jaar 2006 gebracht.

2.5.

De aangifte is op 30 september 2008 in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst verwerkt. Een wijziging in de pensioenvoorziening vormt geen reden voor “uitworp” van de aangifte bij de geautomatiseerde afdoening. Met dagtekening 25 oktober 2008 is aan belanghebbende de primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2006 opgelegd, waarbij bij beschikking het te verrekenen verlies is vastgesteld op een bedrag van € 23.050.

2.6.

De Stichting heeft haar eerste aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 1 december 2006 tot en met 31 december 2007 ingediend op 2 juli 2009.
Op 9 februari 2010 heeft de Inspecteur over deze aangifte aan de Stichting vragen gesteld. De gevraagde gegevens zijn, na een rappel van 4 mei 2010, door hem ontvangen.

2.7.

De Stichting heeft met de kinderen van de heer [B] in 2007 een contra-verzekering afgesloten.

2.8.

Bij kennisgeving van 14 juli 2010 informeert de Inspecteur belanghebbende over zijn voornemen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2006 op te leggen. Naar zijn mening kunnen de aangegeven na-indexatielasten niet in aanmerking worden genomen en is de rekenrente op een onjuist percentage gesteld. Bij brief van 12 augustus 2010 bestrijdt belanghebbende de navordering vanwege het ontbreken van een nieuw feit en stelt belanghebbende dat een eventuele correctie via de foutenleer moet worden verwerkt.

2.9.

Aan belanghebbende is met dagtekening 9 oktober 2010 de navorderingsaanslag opgelegd, waarbij een bedrag van € 131.206 vanwege de na-indexatie is gecorrigeerd. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van -/- € 23.050 plus € 131.206, is € 108.156.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat het bedrag voor de na-indexatie feitelijk op € 139.401 moet worden berekend. De navorderingsaanslag is derhalve eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

Belanghebbende heeft, middels betaling door de heer [B] op 18 januari 2012, het nagevorderde belastingbedrag van € 31.083 en de heffingsrente van € 5.490 geheel voldaan.

2.10.

Het besluit tot ontbinding van belanghebbende is door de algemene vergadering van aandeelhouders genomen op 3 december 2010. De heer [B] is de vereffenaar van belanghebbende. Op 14 december 2010 is bij de Kamer van Koophandel voor Zuidwest-Nederland geregistreerd, dat belanghebbende als “ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 03 - 12 - 2010”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Rechtbank belanghebbende terecht ontvankelijk verklaard in haar beroep?

II. Zo ja, beschikte de Inspecteur over het voor navordering vereiste nieuwe feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en zijn bij de navordering algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen?

De cijfermatige juistheid van de navorderingsaanslag op zich is niet (meer) in geschil.

Belanghebbende is van mening, dat de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moeten worden beantwoord.
De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben zij hun standpunten nader toegelicht.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot niet‑ontvankelijkheid van het beroep, dan wel ongegrondverklaring van het beroep en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

I Ontvankelijkheid beroep

4.1.

De Rechtbank heeft overwogen:

“4.1. De algemene regeling inzake de ontbinding en vereffening van het vermogen van rechtspersonen is neergelegd in art. 19 tot en met 24, Boek 2, BW. Artikel 2:19, vijfde lid, BW luidt als volgt:

De rechtspersoon blijft na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van hem uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.

Na ontbinding van de rechtspersoon volgt de vereffening van het vermogen. Slechts indien de rechtspersoon op het ontbindingstijdstip geen baten meer heeft, houdt hij op dat moment op te bestaan. Er volgt in dat geval geen vereffening. Voorzover wél vereffening van het vermogen van de ontbonden rechtspersoon plaatsvindt, blijft de rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voorzover dit voor de vereffening nodig is. Alsdan houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt. De vereffening eindigt op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat tegen de onderwerpelijke aanslag bezwaar is gemaakt (op 18 november 2010) vóórdat het besluit tot ontbinding is genomen en de vereffening is aangevangen (3 december 2010). In zijn arrest van 11 januari 2013, nr. 11/04505, LJN BX9762, heeft de Hoge Raad beslist dat, indien een vennootschap op het moment van ontbinding en vereffening is betrokken bij een procedure, die procedure kan worden voortgezet, mede in volgende instanties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hetzelfde te gelden in het onderhavige geval, waarin belanghebbende op het moment van ontbinding en vereffening betrokken was in een bezwaarprocedure. Het beroep is ontvankelijk.”

4.2.

De Inspecteur bestrijdt de ontvankelijkheid van het beroep en betoogt dat het door de Rechtbank aangehaalde arrest op significante punten afwijkt van belanghebbendes situatie. In de procedure van dat arrest ging het om de gedaagde partij die in liquidatie verkeerde en niet om de eisende partij, waarvan in deze zaak sprake is, en voorts had in de situatie van het arrest de beroepsprocedure reeds een aanvang genomen, terwijl in deze zaak belanghebbende tijdens de bestuurlijke voorperiode is ontbonden. De Inspecteur verwijst naar een uitspraak van Hof Arnhem van 12 december 2007, nr. 05/00188, ECLI:NL:GHARN:2007:BC0769, VN 2008/11.12, en acht de situatie in die uitspraak vergelijkbaar met de onderhavige.

4.3.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank haar beroep terecht ontvankelijk heeft verklaard en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2011, 201006860/1/H2, ECLI:NL:RVS:2011:BP1324, waarin onder r.o. 2.3.1 is overwogen dat ingevolge artikel 2:19, vijfde lid, van het BW de rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

4.4.

Het Hof kan de Inspecteur in zijn betoog niet volgen. Belanghebbende is tijdens de bezwaarprocedure ontbonden en maakt aanspraak op een bate, zijnde de naar haar mening ten onrechte betaalde nagevorderde vennootschapsbelasting, alsmede de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente. Zij beschikt over de rechtsmiddelen om die gestelde aanspraak bij voortzetting van de procedure in volgende rechtelijke instanties te laten toetsen en wenst daarvan gebruik te maken. Daarmee is gegeven dat de vereffening van het vermogen van belanghebbende nog voortduurt (zie HR 7 december 1994, nr. 29.477, ECLI:NL:HR:1994:AA2993). Zoals de Rechtbank heeft overwogen, welke overwegingen het Hof tot de zijne maakt, is belanghebbende terecht ontvankelijk in beroep verklaard.

4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt de eerste vraag bevestigend beantwoord.

II Nieuw feit / ambtelijk verzuim

4.6.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.7.

Bij de beoordeling of sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de AWR stelt het Hof voorop, dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens, die een belastingplichtige in de aangifte heeft vermeld, maar dit neemt niet weg dat de inspecteur is gehouden nader onderzoek te doen, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (zie onder meer HR 9 januari 2009, nr. 07/10292, ECLI:NL:HR:2009:BG9068 en HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165).
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur tekort is geschoten in voornoemde onderzoekplicht.

4.8.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur bij controle van de aangifte de afname van de pensioenvoorziening in eigen beheer, de toename van de post “Lonen en salarissen” en de schuld aan de Stichting hadden moeten zijn opgevallen. Door zonder onderzoek te doen naar deze gegevens de aanslag op te leggen heeft de Inspecteur, aldus belanghebbende, zijn onderzoekplicht verzaakt. Daarom kan de Inspecteur zich niet beroepen op een nieuw feit en heeft de Rechtbank de navorderingsaanslag terecht vernietigd, aldus belanghebbende.

4.9.

De Inspecteur bestrijdt dat sprake is van een ambtelijk verzuim, omdat hij de aangifte niet nader heeft onderzocht. De Inspecteur beaamt, dat in het geval hij de aangifte wel zou hebben gecontroleerd, hij een wijziging in de pensioenvoorziening zou hebben bemerkt, maar dat zou voor hem nog geen reden hoeven te zijn aan de juistheid van de aangifte in redelijkheid te twijfelen. De Inspecteur betoogt dat door het opnemen van de indexatielast onder de post “Lonen en salarissen” niet zichtbaar is, dat sprake is van pensioenlasten. Een toename van deze post kan duiden op een tantième. Voors zou voor “het geruisloos weglopen van de pensioenvoorziening” ook een niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk zijn geweest: de pensioenvoorziening zou kunnen zijn overgenomen door een lichaam als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, aldus de Inspecteur. Pas bij het beoordelen van de later ingediende aangifte vennootschapsbelasting van de Stichting heeft de Inspecteur bemerkt dat de Stichting niet als een zodanig pensioenlichaam kwalificeerde. Dit verschaft volgens de Inspecteur het voor navordering benodigde nieuwe feit.

4.10.

Op grond van de onder 4.7 genoemde rechtsregel moet het Hof de vraag beantwoorden of de Inspecteur, indien hij met een normale zorgvuldigheid kennis zou hebben genomen van de aangifte, waarin de onder 2.3 en 2.4 vermelde gegevens zijn opgenomen, in redelijkheid had behoren te twijfelen aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven.

4.11.

Naar het oordeel van het Hof behoefde de Inspecteur niet te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, die naar het standpunt van belanghebbende met de juiste gegevens was ingediend (dat standpunt heeft belanghebbende pas naar aanleiding van de latere jurisprudentie verlaten).
Zo al moet worden aangenomen, zoals belanghebbende stelt, dat de onder 2.3 vermelde gegevens omtrent de pensioenoverdracht zouden zijn bemerkt bij een controle van de aangifte door de Inspecteur, dan nog zou de Inspecteur niet behoeven te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, nu immers, gelet op de onder 4.9 door de Inspecteur gegeven aannemelijke verklaringen voor de toename van de post “Lonen en salarissen” en de afname van de pensioenvoorziening met de schuld aan de Stichting, de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. Deze mogelijkheid wordt, anders dan belanghebbende meent, juist versterkt door de omstandigheid, dat de onder 2.3 en 2.4 genoemde gegevens door belanghebbende in de aangifte zijn opgenomen.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene verwerpt het Hof de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur zijn onderzoekplicht zou hebben verzaakt door geen nadere vragen te stellen na kennisneming van de aangifte. Van een aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim is geen sprake. Dat de navorderingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld maakt het oordeel van het Hof niet anders.

4.13.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd, dat een eventuele fout naar aanleiding van de aangifte met toepassing van de foutenleer gecorrigeerd zou moeten worden en doet daarbij een beroep op toepassing van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De gemachtigde van belanghebbende verwijst naar door hem gestelde coördinatie vanuit de Belastingdienst Haaglanden met betrekking tot belastingplichtigen, waarbij een overeenkomstige pensioenoverdracht als die bij belanghebbende heeft plaatsgevonden en naar de uitspraak van Gerechtshof Den Haag, waarbij in de aldaar beslechte procedure de foutenleer is toegepast.

Ter zitting van het Hof is duidelijk geworden, dat de namens belanghebbende aangeduide coördinatie betreft een instructie aan belastingeenheden niet akkoord te gaan met pensioenoverdrachten aan soortgelijke stichtingen als de Stichting, waarvan er bij de Belastingdienst Haaglanden een twintigtal bekend zijn geworden, en welke instructie is gegeven na een overleg met de gemachtigde van belanghebbende op 25 oktober 2012.
Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen, dat op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur de navorderingsaanslag vernietigd moet worden, wijst het Hof dit beroep af. Niet gebleken is dat de Inspecteur in rechte gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan belanghebbende niet baten. Voorts is niet gebleken van gecoördineerd beleid, waaraan belanghebbende vertrouwen zou kunnen ontlenen omtrent een bepaalde wijze van het corrigeren ter zake van de onderhavige pensioenoverdracht.

4.14.

Gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.13 is overwogen, komt het Hof tot de conclusie dat de Inspecteur beschikte over een nieuw feit, dat het opleggen van de navorderingsaanslag rechtvaardigt en dat de Inspecteur daarmee niet heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De navorderingsaanslag is terecht opgelegd.
De tweede vraag wordt bevestigend beantwoord.

4.15.

Aan het vorenoverwogene voegt het Hof toe, dat partijen ter zitting bij het Hof hebben verklaard dat de navorderingsaanslag mede betreft de herziening van het eerder vastgestelde verlies en dat bij de navordering dat verlies bij beschikking is herzien.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, is voor het heffen van griffierecht ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op: 9 april 2015 door J. Swinkels, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en S. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.