Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1287

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-04-2015
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
14-00338
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:747, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur past in de bezwaarfase op een gedeelte van de genoten lijfrente uitkeringen de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 29 juni 1990, nr. DB90/3579, toe. Die resolutie is uitgevaardigd in het kader van de hardheidsclausule als tegemoetkoming voor gevallen, waarin in het verleden is verzuimd premies in aftrek te brengen, in de vorm van een verruiming van de zogenoemde saldomethode. Belanghebbende heeft de bewijslast en maakt niet aannemelijk dat in de in geschil zijnde jaren geen aftrek van premie heeft plaatsgevonden. Volgt bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/860
PJ 2015/97
V-N 2015/33.25.13
FutD 2015-1019
NTFR 2015/1415 met annotatie van mr. M.E. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00338

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 januari 2014, nummer AWB 13/2158, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Venlo,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.954 (hierna: de aanslag). Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 38.431.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44.

1.3.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze mondelinge uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 februari 2015 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heer [A] en mevrouw [B].
Belanghebbende noch zijn gemachtigde, de heer [C], zijn verschenen, waarvan de laatstgenoemde vóór de zitting het Hof kennisgeving heeft gegeven.

1.6.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.954. In de aangifte zijn onder “Pensioen, lijfrente of andere uitkering” bedragen verantwoord tot een totaal bedrag van € 64.124.

2.2.

Dat bedrag is opgebouwd uit:

- € 8.381 aan uitkeringen van het UWV op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz);

- € 5.743 op grond van een in 1990 gesloten koopsompolis bij Nationale Nederlanden (polisnummer [nummer 1]; hierna: polis 1);

- € 50.000 op grond van een in 1987 gesloten lijfrentepolis bij Interpolis (polisnummer [nummer 2]; hierna: polis 2).

2.3.

Op polis 2 heeft belanghebbende in de jaren 2012 tot en met 2014 een uitkering ontvangen van € 18.421 per jaar.

2.4.

Bij de aanslagregeling is de aangifte 2011 gevolgd.

2.5.

Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen. Daarbij heeft hij gesteld dat heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over de in 2.2 vermelde bedragen van € 5.743 en € 50.000 achterwege had moeten blijven, omdat daarvoor “destijds geen fiscale aftrek is genoten”.

2.6.

Ter zake van polis 1 is op 22 december 1990 een bedrag van fl. 11.156 (€ 5.062,37) aan premie gestort. Ter zake van polis 2 is gedurende de periode van 1987 tot en met 2010 in totaal € 39.860,70 aan premie gestort.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbende bericht dat hij
“via een interne Querie alsnog de gegevens over de jaren 1999 en 2000 heeft kunnen inzien”. Dat leverde op dat met betrekking tot polis 2 in de jaren 1999 tot en met 2010 geen premieaftrek had plaatsgevonden tot een totaalbedrag van € 2.704,28.

Voorts was de Inspecteur met betrekking tot polis 2 al uit stukken van belanghebbende over de jaren 2001 tot en met 2010 gebleken, dat belanghebbende over die jaren een totaalbedrag aan premies van € 12.817,94 niet in mindering had gebracht op zijn inkomen.
In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 53.954 -/- € 2.704,28 -/- € 12.817,94 =) € 38.431 (afgerond). Daarbij heeft de Inspecteur de in het kader van de hardheidsclausule uitgevaardigde Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 29 juni 1990, nr. DB90/3579, BNB 1990/341 (hierna: de Resolutie), toegepast.

2.8.

De belastingheffing over de in 2.2 vermelde uitkering op polis 1 van € 5.743 is in stand gelaten, evenals de belastingheffing over de uitkering op polis 2 voor een gedeelte van

(€ 50.000 -/- € 2.704,28 -/- € 12.817,94 =) € 34.477.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht de belastingheffing over de uitkering ad € 5.743 op polis 1 en de belastingheffing over de uitkering op polis 2 voor een gedeelte van (€ 50.000 -/- € 2.704,28 -/- € 12.817,94 =) € 34.477 in stand heeft gelaten.

Die vraag wordt door belanghebbende geheel ontkennend en door de Inspecteur geheel bevestigend beantwoord.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen de Inspecteur ter staving van zijn standpunt ter zitting heeft toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep niet cijfermatig geconcludeerd. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank..

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het geschil komt neer op de beantwoording van de vraag of de Inspecteur de Resolutie ook had moeten toepassen voor zover het de in 2.8. bedoelde bedragen betreft.

4.2.

Voor toepassing van de Resolutie, uitgevaardigd in het kader van de hardheidsclausule als tegemoetkoming voor gevallen, waarin in het verleden is verzuimd premies in aftrek te brengen, is onder meer vereist dat aannemelijk is gemaakt dat, in het geval van belanghebbende, in de jaren vóór 1999 geen premieaftrek heeft plaatsgevonden. De bewijslast hierbij rust op belanghebbende.
Wat belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase heeft aangevoerd (onder meer met betrekking tot de Archiefwet) tegen het oordeel, dat de bewijslast op hem rust, baat belanghebbende niet. Ook hetgeen hij in hoger beroep heeft aangevoerd, baat belanghebbende niet, waaronder begrepen de verwijzing naar het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015, nummers 13/01204 tot en met 13/01215 (ECLI:NL:GHARL:2015:595).

4.3.

Belanghebbende heeft met hetgeen hij ter zake in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat in de jaren vóór 1999 geen premieaftrek heeft plaatsgevonden. Zijn stelling, dat er in wezen op neerkomt, dat nu belanghebbende in de jaren 1999 en volgende de premies niet ten laste van zijn inkomen heeft gebracht, hij de premies ook in de jaren vóór 1999 niet zou hebben afgetrokken, kan het Hof niet volgen. Het is immers zeer wel mogelijk dat in de eerste jaren van de looptijd van de verzekeringen premies wel zijn afgetrokken en in latere jaren niet meer (vgl. het oordeel van de Nationale Ombudsman van 24 oktober 2014, nr. 2014/148, V-N 2014/63.10).

4.4.

Voor zover belanghebbende stelt dat rekening dient te worden gehouden met de vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid in die zin, dat het premievrije deel als zijnde betaald doch niet afgetrokken moet worden beschouwd, kan het Hof belanghebbende in die stelling evenmin volgen. Het deel van de premie, waarvoor belanghebbende wegens zijn arbeidsongeschiktheid een vrijstelling genoot, is immers ook niet door hem betaald, zodat dat deel ook niet in aanmerking komt voor een eventuele toepassing van de Resolutie.

4.5.

De Inspecteur heeft terecht de Resolutie niet toegepast voor zover het de in 2.8 bedoelde bedragen betreft. De in geschil zijnde vraag moet bevestigend worden beantwoord, conform het standpunt van de Inspecteur. De Rechtbank heeft de juiste beslissing genomen..

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 9 april 2015 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en G.D. van Norden, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.