Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2015:1170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-04-2015
Datum publicatie
02-04-2015
Zaaknummer
20-001610-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3093, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd. De verdachte heeft zich tot drie keer toe samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag en dat rechtvaardigt op zichzelf een sanctie die een (in elk geval deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, zoals de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof beslist echter anders en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte nagenoeg niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en - belangrijker nog - dat het bewezen verklaarde geruime tijd (bijna 10 jaren) geleden is gepleegd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001610-09

Uitspraak : 2 april 2015

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 april 2009 (ECLI:NL:RBMAA:2009:BI3093) in de strafzaak met parketnummer 03/703008-07 tegen de verdachte:

[de naam van de verdachte, A],

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen; bewezen is verklaard dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft gepleegd - gekwalificeerd als “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” -, waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte ter terechtzitting van 24 april 2014 naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

  • -

    in de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, van een hoeveelheid geld (totaal (ongeveer) € 156.000,--) als voortvloeisel uit/resultaat van een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [C] op 14 december 2001 en/of

  • -

    in de periode van 12 maart 2002 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, van een hoeveelheid geld (totaal (ongeveer) € 424.000,--) als voortvloeisel uit/resultaat van een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [D] op 12 maart 2002 en/of

  • -

    in de periode van 15 oktober 2002 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, van een hoeveelheid geld (totaal (ongeveer) € 39.265,50) als voortvloeisel uit/resultaat van een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [B] op 15 oktober 2002 en/of

  • -

    in de periode van 12 april 2005 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, van een hoeveelheid geld (totaal (ongeveer) € 60.000,--) als voortvloeisel uit/resultaat van een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van De Bokkenrijder Handelsmaatschappij B.V., gesloten met [E] op 12 april 2005,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld was/waren of wie voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) wist(en) dat voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) van een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (van in totaal ongeveer € 685.000,--), welk(e) hoeveelhe(i)d(en) geld (telkens) voortvloeide(n) als opbrengst uit/resultaat van

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [E] op 12 april 2005 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [C] op 14 december 2001 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [D] op 12 maart 2002 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [B] op 9 mei 2002,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, was/waren of wie voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s), (telkens) wist(en) dat voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:


hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) van een voorwerp, te weten (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (van in totaal ongeveer € 685.000,--), welk(e) hoeveelhe(i)d(en) geld (telkens) voortvloeide(n) als opbrengst uit/resultaat van

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [E] op 12 april 2005 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [C] op 14 december 2001 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [D] op 12 maart 2002 en/of

  • -

    een consignatieovereenkomst door hem, verdachte, in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [de handelsmaatschappij], gesloten met [B] op 9 mei 2002,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, was/waren of wie voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld, voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemd(e) hoeveelhe(i)d(en) geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen

De rechtbank kwam in haar vonnis tot de conclusie dat de verdachte zich twee keer schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen; zij oordeelde dat daarmee nog geen sprake was van gewoontewitwassen. De advocaat-generaal ziet voldoende bewijs voor een bewezenverklaring van vier gevallen van witwassen, hetgeen hij als gewoontewitwassen aanmerkt. Het hof zal, zoals hierna zal blijken, drie van de vier gevallen van witwassen bewezen verklaren. Het hof is van oordeel dat het bewijs ten aanzien van de tussen de handelsmaatschappij van de verdachte en medeverdachte [E] gesloten consignatieovereenkomst tekortschiet om te kunnen vaststellen dat daarmee geld is witgewassen. Dat is, zoals hierna aan de orde zal komen, anders voor wat betreft de overige drie consignatieovereenkomsten.

Het hof acht de periode waarin deze drie gevallen van witwassen zich hebben voorgedaan, te ruim om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich daarmee ook schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. De verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 5 september 2006 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander telkens van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld, de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn, verdachtes, mededader telkens wisten dat voornoemde hoeveelheid geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Uit die bewijsmiddelen volgt dat de veroordeelde drie keer samen met een ander geld heeft witgewassen: een keer samen met medeverdachte [C], een keer samen met medeverdachte [D] en een keer samen met medeverdachte [B]. Vaste werkwijze was dat een consignatieovereenkomst werd gesloten met [de handelsmaatschappij] en dat op die manier - tegen een bepaalde provisie - crimineel geld een legale status werd gegeven. In dat verband verdient opmerking dat de verdachte ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten directeur en enig aandeelhouder was van [naam holdingmaatschappij], welke holding toen de bestuurder was van [de handelsmaatschappij]. De verdachte heeft ook verklaard dat hij de desbetreffende overeenkomsten met [C], [D] en [B] heeft gesloten.

Het hof overweegt meer specifiek, ten aanzien van de tussen de handelsmaatschappij van de verdachte en medeverdachte [C] gesloten consignatieovereenkomst, het volgende:

  • -

    volgens de overeenkomst zou medeverdachte [C] de opdracht hebben gegeven
    26 kunstwerken/zeefdrukken van Andy Warhol te verkopen voor een totaalbedrag van € 156.000,-- tegen een provisie van 15% exclusief 19% BTW;

  • -

    in het dossier bevindt zich een zestal kwitanties van (contante) betalingen door de handelsmaatschappij van de verdachte aan medeverdachte [C] over de periode van 16 januari 2002 tot en met 4 juni 2003 voor een totaalbedrag van € 140.000,--;

  • -

    in de jaarrekening van de handelsmaatschappij die ziet op het jaar 2003 is een reservering opgenomen met de vermelding “nog te betalen [C]/Warhol € 16.000,--”;

  • -

    de verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [C] de zeefdrukken van Andy Warhol van haar moeder heeft gekregen toen haar zus een bromfiets voor haar zestiende verjaardag kreeg;

  • -

    de verdachte heeft voorts verklaard dat hij de zeefdrukken gefaseerd, in een periode van ongeveer 2 jaar, aan verschillende personen heeft verkocht en dat hij de namen van die personen niet wenst te noemen;

  • -

    een deskundige taxateur van schilderijen heeft verklaard dat de waarde van de opgegeven zeefdrukken van Andy Warhol in geen enkele verhouding staat tot de waarde van een bromfiets;

  • -

    deze deskundige heeft voorts verklaard dat het bijzonder vreemd is dat de zeefdrukken per stuk zijn verkocht, omdat deze in de complete serie waarschijnlijk meer geld zouden opbrengen;

  • -

    voor al deze 26 kunstwerken/zeefdrukken geldt dat er zich in het dossier géén eigendomsbewijzen bevinden, geen taxatierapporten, geen echtheidscertificaten, geen verzekeringspapieren en transportpapieren, geen bewijzen van doorverkoop en levering van de kunstwerken aan de uiteindelijke kopers, en geen kwitanties ter zake betalingen door die kopers.

Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de consignatieovereenkomst een constructie is waarbij medeverdachte [C] geld aan de handelsmaatschappij van de verdachte heeft gegeven dat door middel van die overeenkomst werd witgewassen.

Het hof overweegt ten aanzien van de tussen de handelsmaatschappij van de verdachte en medeverdachte [D] gesloten consignatieovereenkomst het volgende:

  • -

    volgens de overeenkomst zou medeverdachte [D] de opdracht hebben gegeven
    de op de verkooplijst vermelde werken van Chagall te verkopen voor een totaalbedrag van € 424.000,--;

  • -

    bij een doorzoeking van de woning van medeverdachte [D] wordt een catalogus aangetroffen waarin bedoelde werken zijn opgenomen;

  • -

    de deskundige heeft verklaard dat hij na een grondige doorlichting van de verkoopcatalogus heeft vastgesteld dat ten aanzien van de lithografie “The Light of the Circus” de verkeerde oplage is vermeld en dat ten aanzien van oplage 29 van 50 van de lithografie “The Red Circle” vast te stellen is dat dit oplagenummer tussen 1 september 2002 en 28 april 2003 in het bezit was van het Zweedse veilinghuis Bukowskis en niet in het bezit was van de verdachte of zijn opdrachtgever (medeverdachte [D]);

  • -

    uit twee kwitanties, respectievelijk gedateerd 24 april 2002 en 17 september 2002, komt naar voren dat de handelsmaatschappij van verdachte aan medeverdachte [D] twee keer een geldbedrag van € 50.000,-- heeft betaald.

Het hof is van oordeel dat aan de hand van deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat het ook ten aanzien van deze consignatieovereenkomst niet anders kan zijn dan dat het een witwasconstructie is.

Het hof overweegt ten aanzien van de tussen de handelsmaatschappij van de verdachte en medeverdachte [B] gesloten consignatieovereenkomst nog dat laatstgenoemde heeft verklaard dat hij de in de overeenkomst vermelde kunstwerken nooit in zijn bezit heeft gehad en ook nooit aan de verdachte heeft overgedragen. De bedoeling van [B] was om zwart geld een legale status te geven. [B] verklaarde dat de verdachte mensen die zwart geld bezaten behulpzaam was geweest; om die reden had hij de verdachte benaderd. Ook deze consignatieovereenkomst betreft aldus een witwasconstructie.

Tot slot overweegt het hof dat uit het vorenstaande genoegzaam kan worden afgeleid dat de consignatieovereenkomsten vals waren, in die zin dat de kunstwerken nooit aan de verdachte zijn geleverd, laat staan dat de verdachte die op enig moment heeft verkocht dan wel heeft geprobeerd te verkopen. Hoewel het zich eigenlijk op zichzelf al lastig laat denken dat de verdachte daarvan niet op de hoogte is geweest, merkt het hof op dat die wetenschap in ieder geval uit het samenstel van bewijsmiddelen kan worden gedestilleerd en dat het hof daaruit voorts opmaakt dat verdachtes opzet daarbij ook steeds was gericht op het witwassen van geld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft tot drie keer toe zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag. De verdachte maakte het tegen een zogenaamde provisie mogelijk voor anderen om de criminele herkomst van hun geld te verhullen. Hij heeft op die manier de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig in gevaar gebracht.

Het handelen van de verdachte rechtvaardigt op zichzelf een sanctie die een (in elk geval deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen wekken daarom allesbehalve bevreemding. Het hof zal echter anders beslissen en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte nagenoeg niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en - belangrijker nog - dat het bewezen verklaarde geruime tijd geleden is gepleegd. In die omstandigheden ziet het hof aanleiding om af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval het opleggen van een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden is.

Ambtshalve stelt het hof vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dat verband wijst het hof erop dat de verdachte op 5 september 2006 ter zake van de ten laste gelegde feiten is aangehouden en dat de behandeling in eerste aanleg niet binnen twee jaar met een eindvonnis was afgerond, terwijl ook de behandeling in tweede aanleg na het instellen van het hoger beroep door de verdachte eveneens langer dan twee jaar heeft geduurd. Die overschrijding is mede (maar niet uitsluitend) te verklaren door het onderzoek dat op het verzoek van de verdediging heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het een complexe zaak betreft waarin onder meer onderzoek in het buitenland is verricht. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de behandeling van de zaak in hoger beroep op 24 april 2014 is aangehouden om de verdachte in de gelegenheid te stellen om zijn (voormalig) raadsman te raadplegen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

Beslag

Het hof zal, door de deelvrijspraak ten aanzien van de tussen de handelsmaatschappij van de verdachte en medeverdachte [E] gesloten consignatieovereenkomst, de daaraan te verbinden in beslag genomen voorwerpen niet verbeurd verklaren, zoals de rechtbank heeft gedaan, maar teruggeven aan de verdachte. Voor het overige kan het hof zich verenigen met de beslissingen van de rechtbank. Dat betekent dat, naast de teruggave van een aantal andere voorwerpen, een boek verbeurd zal worden verklaard. Dat boek - een boek van Marc Chagall, getiteld “Die Lithographien” - is een voorwerp met behulp waarvan één van de bewezen verklaarde witwasconstructies is begaan of voorbereid, zodat het vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het hof heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het boek dat onder nummer 38 en met de omschrijving “Marc Chagall: Die Lithographien” op de beslaglijst is weergegeven.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • -

    het document dat onder nummer 11 en met de omschrijving “C 1030” op de beslaglijst is weergegeven;

  • -

    het document dat onder nummer 20 en met de omschrijving “C 1026 Ordner [de handelsmaatschappij]” op de beslaglijst is weergegeven;

  • -

    de ordner die onder nummer 28 en met de omschrijving “C 3001 ordner kunst” op de beslaglijst is weergegeven;

  • -

    de computer die onder nummer 34 en met de omschrijving “HEWLETT-PACKARD nc 6120 laptop” op de beslaglijst is weergegeven;

  • -

    de vier papieren die onder nummer 37 en met de omschrijving “JOAN MIRO LITOG, deel 1 t/m Joan Miro Litograph” op de beslaglijst zijn weergegeven;

  • -

    de brief die onder nummer 40 en met de omschrijving “1 schrijven [E]” op de beslaglijst is weergegeven.

Aldus gewezen door

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 2 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.